Uitspraak
J
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte] ,
schrapthet door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel onder 6 ‘de eigen waarneming van de rechtbank ter zitting van 10 juli 2024’;
schrapthet door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel onder 7 ‘het geschrift inhoudende de foto waarbij verdachte de steekbeweging nadoet tijdens het politieverhoor, opgenomen als pagina 43 van het eindproces-verbaal’;
schraptin het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel onder 2 ‘het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 17 november 2023’ de navolgende zinsnede:
schraptonder 4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs, onder poging doodslag?, de laatste alinea en
wijzigtdeze als volgt;
vulthet door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel onder 1 ‘het proces-verbaal aangifte [benadeelde partij] van 12 november 2023’ als volgt
aan:
vulthet door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel onder 3 ‘het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris op 21 mei 2024’ als volgt
aan:
vultde door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen voorts
aanmet de navolgende bewijsmiddelen:
het hof: de verdachte) meegenomen uit de keukenlade?
BESLISSING
€ 4.895,30 (zegge: vierduizend achthonderdvijfennegentig euro en dertig cent)als vergoeding van € 895,30 (zegge: achthonderdvijfennegentig euro en dertig cent) aan materiële schade en € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2024 tot aan de dag der voldoening;
€ 4.895,30 (zegge: vierduizend achthonderdvijfennegentig euro en dertig cent)bestaande uit € 895,30 (zegge: achthonderdvijfennegentig euro en dertig cent) als vergoeding van materiële schade en € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2024 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 58 (achtenvijftig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;