De zaak betreft een minderjarige die onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI) en een machtiging tot verblijf in een gesloten jeugdhulpaccommodatie heeft. De minderjarige heeft zich sinds december 2024 onttrokken aan het zicht van de GI en staat gemeld bij opsporing, aanhouding en terugbrengen (OAT). De moeder van de minderjarige heeft in hoger beroep verzocht om de machtiging te vernietigen, stellende dat een gesloten plaatsing niet langer geschikt is en dat verblijf bij haar thuis met ambulante begeleiding een beter alternatief is.
De GI voert aan dat de minderjarige zeer kwetsbaar is, met problematiek zoals laagbegaafdheid, trauma’s, hechtingsproblemen en middelenafhankelijkheid. De GI benadrukt het belang van bescherming tegen risico’s en onveiligheid en twijfelt aan de stabiliteit van de thuissituatie bij de moeder. De moeder en haar partner hebben de minderjarige geholpen zich aan het zicht van de GI te onttrekken, wat tot een politieonderzoek heeft geleid.
Het hof overweegt dat aan de formele vereisten voor de machtiging is voldaan en dat de materiële gronden voor gesloten plaatsing aanwezig zijn. Ondanks de wens van de minderjarige om vanuit de thuissituatie naar kamertraining te gaan, is het hof van oordeel dat de thuissituatie onvoldoende stabiel en betrouwbaar is. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking tot gesloten jeugdhulp van 15 januari 2025 tot 15 april 2025, met het oog op de veiligheid en het welzijn van de minderjarige.