In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep behandeld tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg over de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene werd eerder veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie, openlijke geweldpleging, hennepteelt en gewoontewitwassen.
De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €126.140,07, maar het hof vernietigt deze uitspraak en stelt het voordeel vast op €411.816,23. Dit bedrag is gebaseerd op een gedetailleerde kasopstelling en winstverdeling uit de onderneming van de betrokkene, waarbij contante stortingen en andere correcties zijn meegenomen.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van wederrechtelijk voordeel en betwistte de betrouwbaarheid van de kasopstelling en de opbrengst van de hennepplantage. Het hof verwierp deze bezwaren en achtte de bewijsmiddelen voldoende betrouwbaar. De vermeende opbrengst uit de hennepteelt in Duitsland werd buiten beschouwing gelaten wegens onvoldoende bewijs.
Het hof legde de betrokkene een betalingsverplichting van €411.816,23 op aan de Staat en bepaalde de duur van de gijzeling op 1080 dagen. Tevens constateerde het hof dat de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep was overschreden, maar verdisconteerde dit in een samenhangende strafzaak.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de toepasselijke regelgeving omtrent ontneming en gijzeling.