In deze ontnemingszaak heeft de rechtbank Limburg het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €151.219,46 en een betalingsverplichting opgelegd aan de betrokkene voor hetzelfde bedrag. Het hof 's-Hertogenbosch bevestigt deze vaststelling, maar wijzigt de betalingsverplichting vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.
De verdediging voerde aan dat het bedrag niet wederrechtelijk was verkregen en dat de kasopstelling onjuist was. Tevens werd verzocht het bedrag te verminderen wegens stortingen van een medeverdachte en omdat het voordeel deels aan de echtgenote zou zijn toegekomen. Het hof verwierp deze verweren, mede omdat de echtgenote in een eerdere zaak is vrijgesproken.
Daarnaast werd een beroep gedaan op betalingsonmacht, maar het hof oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat de betrokkene geen draagkracht heeft. Het Openbaar Ministerie kan uitstel of betaling in termijnen toestaan en vermindering of kwijtschelding kan worden verzocht.
Het hof constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ruim 20 maanden zonder bijzondere omstandigheden, en matigde daarom de betalingsverplichting met 10%. Het arrest vernietigt het deel van het vonnis over de betalingsverplichting en bepaalt een nieuwe verplichting van €136.097,51.