ECLI:NL:GHSHE:2025:895

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 maart 2025
Publicatiedatum
28 maart 2025
Zaaknummer
20-001775-21
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in hennepkwekerijzaak

In deze ontnemingszaak heeft de rechtbank Limburg het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €186.323,52 en een betalingsverplichting opgelegd aan de betrokkene. Het hof bevestigt deze uitspraak na hoger beroep, ondanks het verweer van de betrokkene dat slechts één oogst heeft plaatsgevonden en het bedrag aanzienlijk lager zou moeten zijn.

De verdediging voerde aan dat de hennepkwekerij op het onderzochte adres op 29 juli 2015 nog niet bestond, omdat de politie toen geen hennep aantrof. Het hof concludeert echter dat het politieonderzoek op die datum plaatsvond op een ander adres dan waar de kwekerij later werd aangetroffen. De overige verweren over de periode en het aantal oogsten worden verworpen op basis van het bewijsmateriaal en eerdere rechtbankoverwegingen.

Ten aanzien van de redelijke termijn constateert het hof een overschrijding, maar acht dit reeds strafverminderend verwerkt in de strafzaak, zodat het in deze ontnemingsprocedure slechts wordt vastgesteld zonder verdere vermindering van het bedrag. Het hof bevestigt daarmee de betalingsverplichting van €186.323,52 en de duur van de gijzeling van 1080 dagen.

Uitkomst: Het hof bevestigt de ontnemingsvordering van €186.323,52 en de betalingsverplichting van de betrokkene.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001775-21 (OWV)
Uitspraak : 28 maart 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 9 juli 2021 op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-702548-17 (ontneming) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
thans uit anderen hoofde verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Heerhugowaard, BBI/ZBBI te Heerhugowaard.
Hoger beroep
Bij uitspraak waarvan beroep heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 186.323,52 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag. Daarnaast heeft de rechtbank de duur van de gijzeling – die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd – vastgesteld op 1080 dagen.
Namens de betrokkene is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de uitspraak waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op een bedrag van € 190.271,52 – uitgaande van zes geslaagde oogsten in de hennepkwekerij en zonder knipkosten in mindering te brengen – en aan de betrokkene de verplichting zal opleggen tot betaling van dat bedrag aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De raadsvrouw van de betrokkene heeft het hof verzocht het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een bedrag van € 31.053,92, uitgaande van één geslaagde oogst en rekening houdende met knipkosten. Daarnaast heeft de raadsvrouw het hof verzocht om, rekening houdende met de ernstige overschrijding van de redelijke termijn, het te ontnemen bedrag te verminderen met 20%.
Uitspraak waarvan beroep
Het hof verenigt zich met de uitspraak waarvan beroep, met aanvulling van de gronden waarop dit berust.
Aanvulling van gronden
De raadsvrouw van de betrokkene heeft bepleit dat er in de hennepkwekerij van de betrokkene slechts één keer geteeld en geoogst zou zijn. Derhalve kan het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden vastgesteld op een bedrag van € 31.053,92. De raadsvrouw heeft daartoe – onder verwijzing naar het verweer in de hoofdzaak – onder meer aangevoerd dat niet alle positieve netmetingen te herleiden kunnen zijn tot de [bedrijf] , alwaar de hennepkwekerij is aangetroffen. Immers is er op 29 juli 2015 door de politie een onderzoek verricht in de panden van [adres 1] t/m [adres 2] en is daarbij geen hennepplantage aangetroffen. De positieve netmetingen van 11 t/m 18 september 2014 en van 13 t/m 19 mei 2015 op de hoofdkabel [nummer] – die betrekking heeft op alle panden van [adres 3] t/m [adres 4] of [adres 5] (oneven) – moeten dus slaan op een ander pand dan het pand van de [bedrijf] . Als de hennepruimtes zoals deze zijn aangetroffen op 17 mei 2016 al hadden bestaan op 29 juli 2015, had de politie deze – ook zonder een kelderverdieping te betreden – tijdens het onderzoek kunnen vinden. De politie heeft in het proces-verbaal foutief opgenomen dat zij bij huisnummer 115 een onderzoek hebben verricht in plaats van bij de [bedrijf] , aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij heeft de politie op 29 juli 2015 een onderzoek ingesteld in het pand aan [adres 6] naar aanleiding van een melding dat er zich mogelijk een hennepkwekerij in dat pand bevond (dossierpagina’s 31-32 van zaakdossier 14). Een meldster had tijdens een bezoek aan de autogarage opgemerkt dat er een hennepplantage in de kelder aanwezig was. Tijdens een naar aanleiding van deze melding op 29 juli 2015 verricht onderzoek, hebben de verbalisanten in alle ruimten in het pand aan [adres 6] gekeken. In het bijzijn en met toestemming van de betrokkene hebben zij die dag ook alle niet verhuurde appartementen bekeken en met toestemming van de bewoners zijn ook alle verhuurde appartementen bekeken. Er werd door de politie echter geen hennepkwekerij aangetroffen en ook troffen zij geen kelders aan.
Het hof leidt uit voornoemd proces-verbaal af dat de politie op 29 juli 2015 – ondanks dat de meldster een melding had gemaakt over een hennepkwekerij in de kelder van de autogarage – geen onderzoek heeft verricht bij de [bedrijf] gelegen aan [adres 1] . De politie heeft op die dag blijkens de bevindingen enkel het pand aan [adres 6] , alsmede alle daarbij behorende appartementen, onderzocht. Het onderzoek op 29 juli 2015 heeft dus plaatsgevonden op een ander adres dan waar de hennepkwekerij van de betrokkene later is aangetroffen. Blijkens de bevindingen van de verbalisanten hebben zij tijdens het onderzoek op 29 juli 2015 geen kelder aangetroffen, maar wel bijbehorende appartementen. Die zijn er niet bij de garage. Het hof leidt daaruit af dat de verbalisanten zich niet – zoals door de raadsvrouw gesuggereerd – hebben vergist in de weergave van het adres, maar tijdens dit onderzoek niet bij de [bedrijf] zijn geweest.
Blijkens het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij [1] is op 17 mei 2016 de hier in geding zijnde doorzoeking ter inbeslagneming uitgevoerd op het adres [adres 1] zijnde het adres van de autogarage die bij de betrokkene in gebruik was. Vanuit de garage werden via een magazijn en een daarin gelegen afgesloten deur de kweekruimten waarin de hennepkwekerij zich bevond, bereikt. Dit was een voormalige woning die nu geheel ingericht was als hennepkwekerij met verschillende kweekruimten, waaronder een kweekruimte in de kelder.
Het hof trekt uit deze bevindingen de conclusie dat het onderzoek op 29 juli 2015 in het geheel niet heeft plaatsgevonden in de garage op [adres 1] . Het standpunt van de verdediging, in de kern inhoudende dat de hennepkwekerij van de betrokkene op 29 juli 2015 nog niet bestond, omdat deze anders wel zou zijn aangetroffen door de verbalisanten, wordt om die reden dan ook verworpen.
De overige verweren van de verdediging met betrekking tot de tenlastegelegde periode en het aantal oogsten van de hennepkwekerij, vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van de rechtbank.
Met betrekking tot het verweer betreffende de redelijke termijn overweegt het hof dat het de schending van de redelijke termijn reeds strafverminderend heeft laten werken in de strafzaak, zodat de overschrijding in deze zaak slechts zal worden geconstateerd.

BESLISSING

Het hof:
bevestigt de uitspraak waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. G.C. Bos, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. F. van Es, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. van den Akker en mr. N. van Abeelen, griffiers,
en op 28 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. F. van Es en mr. S. van den Akker zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Pag. 31 e.v. van het zaakdossier 14.