De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennepplanten in zijn bedrijfspand. In hoger beroep werd het vonnis bevestigd, maar de opgelegde straf werd door het hof aangepast tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een matiging van een maand vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De zaak betrof het meermalig telen van ongeveer 420 hennepplanten in de periode van 13 oktober 2015 tot en met 14 mei 2016. De verdediging voerde aan dat slechts één teeltperiode bewezen kon worden verklaard en dat de hennepkwekerij op 29 juli 2015 nog niet bestond, hetgeen het hof verwierp op basis van politieonderzoek en proces-verbaal.
Het hof hield rekening met het justitiële verleden van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en de ernst van het bewezenverklaarde. Gezien de maatschappelijke impact van de hennepteelt en de ernst van het feit achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep leidde tot een strafvermindering van één maand.