De verdachte werd in hoger beroep vrijgesproken van de brandstichting aan een woning in Cuijk op 18 mei 2021, omdat het hof niet kon vaststellen dat hij de persoon was die op camerabeelden te zien was en het DNA-spoor alleen onvoldoende bewijs vormde. De rechtbank had hem hiervoor eerder veroordeeld, maar het hof volgde dit niet.
Voor de brandstichting op 3 juni 2021 in een bedrijfspand in Nijmegen, waarbij een voertuig door de glazen pui werd gereden en in brand gestoken, werd de verdachte wel veroordeeld. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte en een medeverdachte dit samen pleegden, waarbij sprake was van gemeen gevaar voor goederen. De aanwezigheid van slachtoffers in het pand leidde niet tot een veroordeling voor het strafverzwarende bestanddeel levensgevaar.
De verdachte werd veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf, verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd hij veroordeeld tot een schadevergoedingsmaatregel van €2.000 aan een slachtoffer voor immateriële schade. Andere vorderingen van benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard of afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of onevenredige belasting van het strafgeding.
Het hof wees diverse verweren van de verdediging af, waaronder betwisting van de bewijskracht van de schoen met DNA en de zendmastgegevens. De strafmaat werd bepaald rekening houdend met de ernst van het feit, eerdere veroordelingen van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden zoals ADHD en impulsiviteit.
Het arrest werd gewezen door het hof 's-Hertogenbosch op 8 april 2025, waarbij het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant werd vernietigd en de strafzaak opnieuw werd beoordeeld.