De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het afleveren en voorhanden hebben van een vals Armeens paspoort met een vervalst Pools visum en het voorhanden hebben van een kopie van een vals rijbewijs. Het hof verbeterde de kwalificatie van het eerste feit en matigde de straf ten opzichte van het vonnis van de politierechter.
Tijdens het onderzoek bleek dat verdachte het visum via een bemiddelaar had verkregen, waarbij sprake was van onduidelijkheden en inconsistenties in zijn verklaringen. Het hof oordeelde dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het paspoort vervalst was. Ten aanzien van het tweede feit sprak het hof verdachte vrij van het gebruik van het rijbewijs, maar veroordeelde hem voor het voorhanden hebben ervan.
De strafmaat werd vastgesteld op een gevangenisstraf van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest. Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop in de procedure.