ECLI:NL:GHSHE:2026:1

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
20-001872-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkrachting door masseur tijdens massage met bewezenverklaring en strafoplegging

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De verdachte, een masseur, is beschuldigd van verkrachting. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 30 oktober 2021 te Breda, tijdens een massage, onverhoeds zijn vinger(s) in de vagina van het slachtoffer heeft geduwd. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, maar het hof heeft deze straf verhoogd naar 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij het hof een schadevergoeding van € 750,00 heeft vastgesteld, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 30 oktober 2021.

Het hof heeft de zaak beoordeeld op basis van de verklaringen van het slachtoffer en de verdachte, alsook op basis van WhatsApp-berichten die tussen hen zijn uitgewisseld. De verdediging heeft vrijspraak bepleit, maar het hof oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer consistent en betrouwbaar waren. Het hof heeft de verdachte schuldig bevonden aan verkrachting en heeft de strafmaat bepaald op basis van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn positie als masseur en heeft het vertrouwen van het slachtoffer ernstig geschaad. Het hof heeft ook rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in de behandeling van de zaak, wat heeft geleid tot een lagere straf dan oorspronkelijk door het openbaar ministerie was geëist.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001872-23
Uitspraak : 6 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 juni 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-270473-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres verdachte] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘verkrachting’ en de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ter hoogte van voornoemd bedrag. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] . De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] volledig voor toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft de verdediging zich – gelet op de bepleite vrijspraak – primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering te matigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 30 oktober 2021 te Breda, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , immers heeft hij, verdachte, onverhoeds zijn vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en/of die feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of feitelijkheden hierin dat verdachte als masseur/therapeut in het kader van een behandeling van die [benadeelde partij] , die [benadeelde partij] in een afhankelijkheidsrelatie met hem, verdachte, heeft gebracht en een vertrouwensrelatie met die [benadeelde partij] heeft opgebouwd en zodoende een psychisch overwicht op die [benadeelde partij] heeft opgebouwd/verworven;
subsidiair
hij op of omstreeks 30 oktober 2021 te Breda, althans in Nederland, terwijl hij als masseur/therapeut werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [benadeelde partij] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte, onverhoeds zijn vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij] geduwd/gebracht en/of de vagina en/of schaamstreek van die [benadeelde partij] betast.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 30 oktober 2021 te Breda door andere feitelijkheden [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , immers heeft hij, verdachte, onverhoeds zijn vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij] geduwd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Algemene overweging
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging – op gronden zoals opgenomen in de overgelegde pleitnota – bepleit dat de verdachte van het primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [benadeelde partij] niet als consistent kunnen worden aangemerkt. Bovendien stroken de verklaring van de moeder van de aangeefster, die van haar peetoom, alsmede van haar ex-partner niet met de verklaringen van [benadeelde partij] en komen die verklaringen uit dezelfde bron, namelijk aangeefster. Behoudens de afgelegde verklaringen bevat het dossier geen ander bewijs waaruit kan worden geconcludeerd dat sprake is van verkrachting, zoals primair aan de verdachte is tenlastegelegd. Zo is er onder meer geen DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen in het geslachtsdeel van de aangeefster. Ook bevatten de zich in het dossier bevindende WhatsApp-berichten geenszins een bekentenis van verkrachting. Uit de gedane uitlatingen c.q. de gespreksgeschiedenis komt geenszins naar voren dat de verdachte met zijn uitlatingen het seksueel binnendringen van aangeefster heeft bevestigd, aldus de verdediging.
Juridisch kader
Het hof stelt het volgende voorop.
Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (vgl. onder andere: HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1459).
Het komt dus aan op de vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is. Voor die beoordeling zijn geen algemene regels te geven. In ieder geval is niet vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen en evenmin dat het rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit bevestigt (vgl. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717). Anders gezegd: daderschap van de verdachte kan nog steeds worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, mits de door die ene getuige gereleveerde feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en steun vinden in ander bewijsmateriaal. Tussen de verklaring van de ene getuige en het steunbewijs mag niet een te ver verwijderd verband bestaan. Het hof vertaalt dit naar het vereiste dat het steunbewijs zal dienen te zien op feiten en omstandigheden die ook niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen. Het voorgaande betekent dat enerzijds het oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat haar verklaring in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt, twee afzonderlijke beslissingen zijn. Het feit dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar wordt geacht, kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Een gebrek aan voldoende steunbewijs voor de verklaring van de aangeefster kan dus ook niet worden gecompenseerd door een gemotiveerd oordeel dat die verklaring betrouwbaar is.
Het voorgaande brengt het hof tot de volgende beoordeling.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster
Aangeefster [benadeelde partij] heeft zowel bij het zg. informatief gesprek zeden als in haar aangifte verklaard dat de verdachte haar – terwijl zij volledig naakt was – masseerde, dat de buitenkant van zijn hand bij haar vagina kwam en dat de verdachte kort daarna zijn vinger(s) (opeens) in haar vagina deed. Hierop heeft [benadeelde partij] gezegd: ‘ [voornaam verdachte] , dat is niet de bedoeling’. Daarna werd de massage afgemaakt en hebben [benadeelde partij] en de verdachte met elkaar gesproken. Ten overstaan van de raadsheer-commissaris heeft [benadeelde partij] haar verklaring in de kern herhaald en bevestigd.
[benadeelde partij] heeft op verschillende momenten in de kern steeds hetzelfde verklaard. Haar verklaringen worden dan ook als consistent aangemerkt. Ook heeft zij telkens gedetailleerd verklaard over de door de verdachte bij haar verrichte handelingen en de volgorde daarvan. Zij heeft in haar latere verklaringen – in haar aangifte en ten overstaan van de raadsheer-commissaris – hetgeen heeft plaatsgevonden ook niet groter en/of (nog) ernstiger gemaakt. Dit draagt naar het oordeel van het hof bij aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [benadeelde partij] . Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster betrekt het hof voorts hetgeen haar moeder en haar toenmalige vriend hebben verklaard. Zo blijkt uit de verklaring van de toenmalige vriend van [benadeelde partij] dat zij hem meteen na de massage heeft gebeld en heeft verteld dat de verdachte tijdens de massage zijn vinger(s) in haar vagina had geduwd. De vriend is toen naar haar toegegaan en zag dat [benadeelde partij] geschokt en verdrietig was. Ook leek zij verdoofd. Later die dag heeft [benadeelde partij] hetzelfde aan haar moeder verteld. Toen ze dit vertelde, was ze boos, bang en aan het shaken. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door [benadeelde partij] afgelegde verklaringen. In de door de verdediging genoemde verschillen in de verklaringen van [benadeelde partij] ziet het hof in ieder geval geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Gelet op het vorenstaande acht het hof de verklaringen van [benadeelde partij] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
Naar het oordeel van het hof vindt de verklaring van [benadeelde partij] voldoende steun in andere bewijsmiddelen.
In dit verband wijst het hof in de eerste plaats op het WhatsApp-contact dat nadien tussen [benadeelde partij] en de verdachte heeft plaatsgehad. De verdachte heeft onder andere geschreven dat hij niet begrijpt wat er gebeurde, dat hij ook niet weet wat hem bezielde, dat hij het niet kan terugdraaien, dat hij zichzelf nooit zal vergeven, dat het hem nooit gebeurt, ook al wordt het hem soms gevraagd, alsmede dat hij een mentaal wrak is, maar dat dat zijn eigen schuld is.
De verdachte heeft voorts geschreven dat hij weet dat hij haar pijn heeft gedaan. In het gesprek is ook te zien dat de verdachte regelmatig berichten die hij in eerste instantie had gestuurd weer heeft verwijderd. Voorts heeft de verdachte geschreven dat hij er liever niet via WhatsApp over praat.
In de tweede plaats vindt hetgeen [benadeelde partij] heeft verklaard steun in de verklaringen van de verdachte zelf. De verdachte heeft immers ook verklaard dat hij [benadeelde partij] – terwijl zij volledig naakt op haar buik op zijn behandeltafel lag – heeft gemasseerd, dat hij de binnenkant van haar bovenbenen masseerde en dat hij met zijn hand haar vagina aanraakte. Ook heeft de verdachte – evenals [benadeelde partij] – verklaard dat [benadeelde partij] hierop “ [voornaam verdachte] ” zei, dat hij schrok, de massage afmaakte en dat zij er naderhand op haar initiatief nog met elkaar over hebben gesproken. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn aan de verdachte in het bijzonder nog vragen gesteld ten aanzien van de volgende door hem aan [benadeelde partij] gestuurde berichten: ‘gebeurt me nooit’ en ‘ook al wordt het me soms gevraagd!’. Op de vraag wat de verdachte met ‘het’ bedoelde heeft hij – zakelijk weergegeven – verklaard dat een seksuele massage wordt bedoeld en dat door cliënten op de massagetafel regelmatig aan hem wordt gevraagd of hij ook erotische massages doet.
Gelet op het vorenstaande is de inhoud van het berichtenverkeer tussen [benadeelde partij] en de verdachte moeilijk anders te duiden dan dat hetgeen op 30 oktober 2021 heeft plaatsgehad van seksuele aard moet zijn geweest. De verdachte heeft weliswaar niet expliciet geappt dat hij zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde partij] heeft geduwd, maar evenmin dat hij per ongeluk de vagina van [benadeelde partij] heeft aangeraakt. Dit, terwijl dat laatste volgens de verdachte wel is wat er is gebeurd en het naar het oordeel van het hof dan toch was te verwachten dat de verdachte dit in het WhatsApp-gesprek zou hebben opgehelderd en toegelicht. Dit heeft de verdachte echter niet gedaan. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij tijdens de massage per ongeluk de vagina van [benadeelde partij] heeft aangeraakt. Uit de door de verdachte geschreven berichten ‘weet ook niet wat me bezielde’, ‘gebeurt me nooit’ en ‘ook al wordt het me soms gevraagd!’ – en bezien in het licht van hetgeen de verdachte omtrent deze berichten ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard – leidt het hof af dat het om meer ging dan een aanraking die per ongeluk heeft plaatsgevonden. Het hof is dan ook van oordeel dat de inhoud van de WhatsApp-berichten de verklaring van [benadeelde partij] ondersteunen en niet passen bij verdachtes lezing dat sprake is geweest van een aanraking bij vergissing van de vagina van [benadeelde partij] . Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene stelt het hof vast dat de verdachte zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde partij] heeft geduwd.
Dwang
Vervolgens ziet het hof zich voor de vraag gesteld of kan worden bewezen dat de verdachte [benadeelde partij] heeft gedwongen om de hierboven beschreven seksuele handeling te ondergaan en dat hij zich aldus schuldig gemaakt aan verkrachting. Van dwang – in de zin van het in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde dwingen – kan sprake zijn als een slachtoffer zich redelijkerwijs niet tegen een onverhoeds (onverwachts) handelen van een verdachte heeft kunnen verzetten.
Het hof is van oordeel dat de verdachte [benadeelde partij] heeft gedwongen de seksuele handeling te ondergaan. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat [benadeelde partij] volledig naakt op de massagetafel in de massagesalon van de verdachte lag. Bovendien lag zij op haar buik en kon zij daardoor niet zien wat er gebeurde. Tijdens de massage heeft de verdachte zijn hand naar en zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde partij] gebracht. Gelet op de situatie waarin [benadeelde partij] zich bevond en het onverhoeds brengen van verdachtes vinger(s) in haar vagina, is [benadeelde partij] in een zodanige situatie gebracht dat zij hiertegen geen (directe) weerstand kon bieden. [benadeelde partij] heeft hierdoor tegen haar wil de seksuele handeling van de verdachte moeten dulden.
Conclusie
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene acht het hof de primair aan de verdachte tenlastegelegde verkrachting wettig en overtuigend bewezen.
Het verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde wordt verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

verkrachting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft – indien en voor zover het hof tot een bewezenverklaring mocht komen – bepleit dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag en een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Indien dat aangewezen wordt geacht zou aan de verdachte ook een gedeeltelijk voorwaardelijke straf kunnen worden opgelegd, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Bij het bepalen van de op te leggen sanctie heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Aard en ernst van het feit
De verdachte heeft zich op 30 oktober 2021 schuldig gemaakt aan verkrachting van
[benadeelde partij] door tijdens het geven van een massage onverhoeds zijn vinger(s) in haar vagina te duwen. [benadeelde partij] lag op dat moment geheel naakt op haar buik op de massagetafel in zijn massagesalon en bevond zich daarmee in een uiterst kwetsbare positie.
Door zijn onverhoeds en grensoverschrijdend handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt
van zijn positie als (sport)masseur en heeft hij het vertrouwen dat [benadeelde partij] in hem – als professional – had geschaad. Maar bovenal heeft de verdachte op een zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij] . Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dit soort delicten nog langdurig de nadelige, psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat [benadeelde partij] tot de dag van vandaag wordt geconfronteerd met de gevolgen van verdachtes handelen.
Persoon van de verdachte
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen en ook daarna niet ter zake enig strafbaar feit met politie en/of justitie in aanraking is gekomen.
Voorts heeft het hof rekening gehouden met de inhoud van een reclasseringsadvies d.d. 16 mei 2023. Uit dit reclasseringsadvies volgt onder andere dat de verdachte zijn leven op orde lijkt te hebben en dat er verschillende beschermende factoren zijn: de verdachte heeft een baan, er is geen sprake van problematisch middelengebruik en er is sprake van een pro-sociaal netwerk. Er lijkt geen sprake te zijn van een persoonlijkheidsstoornis of seksueel deviant gedrag. Om die redenen wordt door de reclassering geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Op te leggen straf
Gelet op de hierboven beschreven aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Oplegging van een straf zoals door de verdediging is verzocht – een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag en een taakstraf voor de duur van 240 uren – doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van verdachtes handelen en acht het hof dan ook niet aangewezen. De straf zoals door het openbaar ministerie geëist acht het hof echter te hoog, nu het hof, meer dan de advocaat-generaal rekening met het feit dat het om een zeer kortstondig moment ging en dat de verdachte niet is doorgegaan toen hij door [benadeelde partij] op het laakbare van zijn handelen gewezen werd.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Deze termijn is in de onderhavige zaak aangevangen op 5 juli 2023, de dag waarop van de zijde van de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst het onderhavige arrest op 6 januari 2026. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van ruim vijf maanden overschreden. Bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep rechtvaardigen zijn het hof niet gebleken. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn dan ook geschonden.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaren passend zijn geweest. Rekening houdend met deze schending, zal het hof in plaats daarvan een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaren.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] gedeeltelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht ter hoogte van voornoemd bedrag. De benadeelde partij is in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter hoogte van het oorspronkelijk gevorderde bedrag.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] volledig voor toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging heeft zich – gelet op de bepleite vrijspraak – primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering te matigen.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade, zoals immateriële schade, slechts kan worden vergoed voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor een nadere regeling. Deze regeling houdt – voor zover van belang – het volgende in:
‘1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (…)
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’
Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Het hof overweegt voorts als volgt.
Uit de in eerste aanleg overgelegde slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde zich onder andere onveilig, angstig en gespannen voelt. Blijkens de in hoger beroep overgelegde slachtofferverklaring veroorzaken de spanning en angst terugkerende pijnklachten en is voor de benadeelde een duidelijk verschil aan te wijzen tussen de persoon die zij voorafgaand aan een strafbare feit was en de persoon die zij na het feit is.
Het is zonder meer voorstelbaar dat het bewezenverklaarde feit gevolgen heeft voor de psychische gesteldheid van de benadeelde. Op basis van de inhoud van de gedingstukken zijn naar het oordeel van het hof evenwel niet voldoende concrete gegevens aangevoerd op grond waarvan aan de hand van objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. De aard en de ernst van de normschending brengen naar het oordeel van het hof niettemin met zich dat de in dit verband nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, zodat op die grond ruimte bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding wegens immateriële schade. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 750,00. De vordering zal voor het overige worden afgewezen.
Het hof zal bepalen dat voornoemd bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rent vanaf 30 oktober 2021, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Voorts zal het hof de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 750,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 oktober 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 oktober 2021.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,
en op 6 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.