Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1055

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
20-001278-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal van twee elektrische fietsen uit centrale stalling

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen van twee elektrische fietsen uit een centrale fietsenstalling van een appartementencomplex te Roosendaal. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een medeverdachte de fietsen heeft weggenomen door middel van verbreking van het kettingslot.

De bewijslast bestond uit camerabeelden waarop de verdachte en zijn medeverdachte te zien waren met een accuslijptol waarmee het slot werd doorgeslepen, verklaringen van verbalisanten die de verdachte herkenden op de beelden, en aangifte van de benadeelden. De verdediging voerde aan dat de herkenning onbetrouwbaar was, maar het hof oordeelde dat de herkenningen betrouwbaar waren gezien de frequente contacten van de verbalisanten met de verdachte en de kwaliteit van de beelden.

Het hof kwalificeerde het bewezenverklaarde als diefstal door twee of meer verenigde personen met braak en achtte de verdachte strafbaar. Gelet op de ernst van het feit, het justitiële verleden van de verdachte en de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, legde het hof een taakstraf van 50 uren op, subsidiair 25 dagen hechtenis. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het arrest werd op 17 april 2026 uitgesproken.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis voor diefstal van twee elektrische fietsen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001278-25
Uitspraak : 17 april 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 30 april 2025 in de strafzaak met parketnummer 02-023256-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2024 tot en met 29 augustus 2024 te Roosendaal ( [locatie] ), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 2 elektrische fietsen (merk/type Qwic Premium), in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) (fiets(en)) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in de periode van 28 augustus 2024 tot en met 29 augustus 2024 te Roosendaal ( [locatie] ), tezamen en in vereniging met een ander, 2 elektrische fietsen (merk/type Qwic Premium), die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen (fietsen) onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2024247050, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent, en gesloten d.d. 22 januari 2025, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde digitale dossierpagina’s 1-135.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 11 september 2024 met de bijlage goederen, digitale dossierpagina’s 60-65, voor zover inhoudende de verklaring van [benadeelde 1] , die mede namens [benadeelde 2] aangifte deed:
Plaats delict: [locatie] , Roosendaal.
Ik doe mede namens [benadeelde 2] aangifte.
Ik wil aangifte doen van gekwalificeerde diefstal van de twee elektrische fietsen die mijn eigendom zijn. Deze fietsen stonden in de afgesloten centrale fietsenstalling van het appartementencomplex aan de [locatie]
(het hof begrijpt: [locatie] )waar ik samen met mijn vrouw
(het hof begrijpt telkens: [benadeelde 2] )woon. De diefstal heeft plaatsgevonden tussen de avond van 28 augustus 2024 en de ochtend van 29 augustus 2024. Ik heb niemand toestemming gegeven om deze fietsen weg te nemen. Mijn vrouw en ik zijn de enigen die de fietsen gebruiken en toegang hebben tot de sleutels van de fietsen.
Op 28 augustus 2024 omstreeks 16.00 uur zetten mijn vrouw en ik de twee fietsen weg in de centrale fietsenstalling. Alleen de bewoners van het appartementencomplex hebben toegang tot deze centrale fietsenstalling. Wij zetten de fietsen altijd op slot met het slot wat op de fietsen zelf zit. Daarna haal ik uit mijn fietstas een extra kettingslot. Die doe ik dan rond de zadelbuis en bagagerek van mijn fiets en doe ik op slot aan het slot van de fiets van mijn vrouw. Dan zijn de fietsen aan elkaar gekoppeld.
De centrale fietsenstalling gaat normaal gesproken open door middel van een tag van [bedrijf] . Deze tag opent niet alleen de deur van de centrale fietsenstalling, maar deze opent alle deuren in het appartementencomplex.
De elektrische fiets die mijn vrouw gebruikte kan als volgt omschreven worden:
- dames model fiets;
- het frame was lila van kleur;
- dubbele fietstassen op het bagagerek, rood van kleur.
De elektrische fiets die ik zelf gebruikte kan als volgt omschreven worden:
- dames model fiets;
- het frame was zwart van kleur;
- dubbele fietstassen op het bagagerek.
Op 29 augustus 2024 omstreeks 10.30 uur sprak de buurman mijn vrouw aan. Deze buurman zei tegen mijn vrouw: “Jullie fietsen zijn weg”. Wij zijn samen naar beneden gegaan om te kijken in de fietsenstalling. Toen zagen wij dat de fietsen weg waren uit de hoek waar wij ze weggezet hadden. Op de grond zag ik zaagsel liggen, twee stukken van de ABUS sloten en een gereedschapshaakje. Ik zag dat de twee stukken van de sloten allebei aan een zijde afgeslepen leken te zijn.
De ingang van de centrale fietsenstalling was niet geforceerd. Toen wij later de post gingen halen, zagen wij dat er bij de centrale ingang sleutelkastjes waren geforceerd. Drie van deze sleutelkastjes waren opengebroken, een vierde sleutelkastje was van de muur gehaald en die is ook niet meer teruggevonden. In die sleutelkastjes zaten tags voor het hele appartement en sleutels van de bewoner die zo’n sleutelkastje van de zorg hebben gekregen.

Bijlage goederen

Voertuig: fiets (elektrische)
Merk/type: Qwic Premium I Mn7
Voertuig: fiets (elektrische)
Merk/type: Qwic Premium I Mn7.2
Kleur: zwart
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2025, digitale dossierpagina’s 78-81, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Ik bekeek de camerabeelden welke bij [bedrijf] waren gevorderd naar aanleiding van de diefstallen van fietsen aan de [locatie] in Roosendaal.
Videofragment 1: (“Entreedeur Voorzijde” 29-08-2024/04:48:50)
Ik zag dat [medeverdachte] en een andere man met een scooterhelm via de hal een trap op lopen. Ik zag dat [medeverdachte] voorop liep en de man met de scooterhelm er achter. Ik zag dat de man met de scooterhelm een accuslijptol in zijn handen vasthield. De man met
de scooterhelm werd later herkend als [verdachte] .
Videofragment 2: (“Fietsenberging 1e” 29-08-2024/04:49:07)
Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] een fietsenberging betraden. Ik zag dat [medeverdachte] naar een elektrische fiets toe liep. Ik zag dat [verdachte] de accuslijptol aan [medeverdachte] gaf en dat hij daarna terugliep naar de deur via waar zij de berging binnen waren gekomen en deze sloot. Ik zag dat hij vervolgens enkele andere fietsen bekeek. Ik zag dat [medeverdachte] ondertussen met de accuslijptol een kettingslot van een elektrische fiets doorsleep.
Videofragment 4: (“Fietsenberging 1e” 29-08-2024/04:49:51)
Ik zag dat [medeverdachte] het kettingslot doorgeslepen had en deze losmaakte van de fiets.
Ik zag dat [verdachte] nog steeds andere gestalde fietsen aan het bekijken was. Ik zag dat
[verdachte] terugliep naar [medeverdachte] . Ik zag dat zij allebei een elektrische fiets
pakten waarbij zojuist het kettingslot door [medeverdachte]
(het hof begrijpt: was doorgeslepen)en deze achteruit uit het fietsenrek reden. Ik zag dat zij beiden met ieder een elektrische fiets aan de hand naar de toegangsdeur liepen.
Videofragment 5: (“Fietsenberging 1e” 29-08-2024/04:50:22)
Ik zag dat [medeverdachte] de toegangsdeur opende en dat hij en [verdachte] met de fietsen aan de hand naar buiten liepen. Ik zag dat de fiets die [medeverdachte] had gepakt zwarte fietstassen had met witte stippen en de fiets die [verdachte] had gepakt rode fietstassen had.
Videofragment 6 (“Entreedeur Voorzijde” 29-08-2024/04:50:41)
Ik zag dat [medeverdachte] de trap af liep met de fiets en dat hij via de voordeur het pand met fiets en al verliet.
Videofragment 7 (“Entreedeur Voorzijde” 29-08-2024/04:50:51)
Ik zag dat de voordeur van het pand open stond. Ik zag dat [verdachte] de trap afliep met
de fiets met de rode fietstassen en met de fiets het pand verliet.
Videofragment 8: (“Nooddeur 57-73” 29-08-2024/05:11:34)
Ik zag dat [medeverdachte] en [verdachte] de ruimte via een toegangsdeur binnenkwamen. Ik zag dat [verdachte] dit maal geen helm op had. Ik zag dat hij zonder iets op zijn hoofd de ruimte binnenkwam. Ik zag dat hij na enkele seconden de capuchon van zijn vest opzette.
3.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 januari 2025, digitale dossierpagina’s 74-75, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Ik bekeek de beelden die van [bedrijf] waren gevorderd. Ik zag dat er op één van deze videofragmenten twee mannen in een trappengat van een noodtrap via een deur binnenkomen en via de noodtrap naar boven lopen. Eén van deze mannen droeg een vissershoedje, hij was al eerder herkend als [medeverdachte] . Ik herkende de andere man als [verdachte] , [geboortedag] 1988. Ik heb met [verdachte] vaak te maken gehad bij meldingen, staandehoudingen en aanhoudingen. Ik herkende [verdachte] aan de inhammen in zijn krullende haar, uitstekende jukbeenderen, vorm van zijn neus, ingevallen wangen en zijn lengte en postuur.
4.
Het proces-verbaal van herkenning persoon door opsporingsambtenaar d.d. 18 januari 2025, digitale dossierpagina 85, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
Op 18 januari 2025 kreeg ik via e-mail een aandachtvestiging van [verbalisant 1] . Daarin werd op basis van de volgende informatie en beeldmateriaal de herkenning van een persoon gevraagd.
Verbalisant [verbalisant 1] toonde mij een filmpje. Hij vroeg aan mij of ik de persoon zonder hoed op herkende. Het filmpje betrof een opname van 29 augustus 2024. Het betrof een opname van in totaal 12 secondes. De aandachtvestiging bevatte videobeelden. Hiervan is 1 still gemaakt.
Op still 1 herken ik [verdachte] , geboren [geboortedag] 1988. Ik ken hem vanuit mijn werkzaamheden als zijnde wijkagent. De verdachte betreft de bewoner van [adres] . Op bewoner is proces regie gevoerd en ik ben daar al meer dan dertig keer in de laatste twee jaar over de vloer geweest en in gesprek gegaan met verdachte. Ik herkende hem aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Ik herkende de verdachte aan de vorm van zijn hoofd en haarddracht. Hij heeft krullend haar en een smal hoofd. Verdachte is tevens tenger van postuur en is zeker te herleidden aan zijn gespitste vorm van zijn hoofd. Ik herkende hem onmiddellijk.
Bewijsoverwegingen
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat de verdachte niet de persoon is op de camerabeelden van de diefstal. De foto op de Informatiestaat SKDB-persoon betreffende de verdachte bevat daarvoor immers contra-indicaties, zo heeft de verdachte krullend haar met inhammen en heeft de persoon op de still van de camerabeelden dat niet. De herkenningen van de verdachte op de camerabeelden door de verbalisanten zijn dan ook te mager en het kan goed zijn dat de verbalisanten bij het doen van de herkenningen vooringenomen zijn geweest, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat in de nacht van 28 augustus op 29 augustus 2024 in de centrale fietsenstalling van het appartementencomplex aan de [locatie] te Roosendaal twee elektrische fietsen van het merk Qwic Premium zijn gestolen. Deze fietsen behoorden toe aan aangever [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] . Op camerabeelden is te zien dat twee mannen, door verbalisanten herkend als zijnde de verdachte en [medeverdachte] , de elektrische fietsen stelen door met een accuslijptol het kettingslot te verbreken en vervolgens met deze fietsen aan de hand de fietsenstalling en het appartementencomplex verlaten.
Ten aanzien van de door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verrichte herkenningen van de verdachte op de camerabeelden overweegt het hof het volgende.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen zijn in dit verband van belang.
Herkenning van een persoon op beeld vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Dat moeilijk te rationaliseren holistische karakter maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daar maar ten delen op valt te zien, niet hoeft te betekenen dat de herkenning onbetrouwbaar is. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen.
Het hof is van oordeel dat van de persoon op de camerabeelden voldoende persoonskenmerken te zien zijn om daarin de verdachte te kunnen herkennen. De herkenningen door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn aan de hand van de bij het dossier behorende bewegende camerabeelden gedaan en aldus niet (enkel) op basis van een still daarvan. De verdachte wordt op de camerabeelden in het bijzonder herkend aan de inhammen in zijn krullend haar, de vorm van zijn smalle hoofd, zijn uitstekende jukbeenderen, de vorm van zijn neus, zijn ingevallen wangen, zijn lengte en tengere postuur. Verbalisant [verbalisant 2] heeft met betrekking tot de herkenning geverbaliseerd dat hij de verdachte kent vanuit zijn rol als wijkagent en dat hij in de afgelopen twee jaar al meer dan dertig keer contact met hem heeft gehad. Ook verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij al vaak met de verdachte te maken heeft gehad bij meldingen, staandehoudingen en aanhoudingen. Aldus hebben beide verbalisanten een hoge frequentie aan recente contacten gehad met de verdachte, hebben zij de verdachte herkend op bewegende beelden en hebben zij veel persoonskenmerken van de verdachte op die beelden waargenomen. Het hof ziet dan ook geen redenen om aan de betrouwbaarheid van de door de verbalisanten verrichte herkenningen van de verdachte op de camerabeelden te twijfelen. Voor enige vooringenomenheid bij de verbalisanten biedt het dossier geen aanknopingspunten.
Daarnaast oordeelt het hof dat sprake is geweest van opzet op de diefstal van de twee elektrische fietsen en van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. De verdachte heeft immers samen met [medeverdachte] zich de toegang verschaft tot de centrale fietsenstalling, heeft daar aan [medeverdachte] een accuslijptol gegeven waarna deze [medeverdachte] het kettingslot van de fietsen heeft doorgeslepen en heeft vervolgens samen met [medeverdachte] , ieder met één fiets aan de hand, de fietsenstalling en het pand verlaten. Daarmee acht het hof het medeplegen van de diefstal wettig en overtuigend bewezen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze als in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij samen met een ander twee elektrische fietsen heeft gestolen uit een centrale fietsenstalling van een appartementencomplex. Fietsendiefstallen veroorzaken hinder en brengen schade teweeg bij de eigenaren van de weggenomen goederen dan wel hun verzekeraars. De verdachte heeft er, door aldus te handelen, blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander. Door de fietsen te stelen uit een centrale fietsenstalling van een appartementencomplex heeft de verdachte tevens gevoelens van onveiligheid teweeg gebracht bij de bewoners van dat appartementencomplex. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, doch niet voor soortgelijke feiten. Uit voornoemd uittreksel blijkt tevens dat het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Daarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het hof heeft ten slotte acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Ten aanzien van een diefstal van een elektrische fiets wordt als oriëntatiepunt een taakstraf voor de duur van 30 uren genomen. Het hof merkt in dat kader op dat ten laste van de verdachte bewezen is verklaard dat hij tezamen met een ander twee elektrische fietsen heeft gestolen. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden volstaan met de door de politierechter opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde straf.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. C.M.A. Ellens-Veenhof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 17 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. C.M.A. Ellens-Veenhof is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.