Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1057

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
20-002263-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 177 WVW 1994Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens onoplettend rijgedrag met aanrijding op A73 te Venray

Op 1 april 2024 vond op de A73 ter hoogte van Venray een aanrijding plaats tussen een Audi, een Skoda en een Peugeot Partner. De verdachte reed in de Peugeot Partner en wisselde onoplettend van rijstrook, waardoor de bestuurder van de Audi moest uitwijken en hard remmen, wat mede leidde tot de botsing.

De kantonrechter had de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €100, subsidiair twee dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar. De benadeelde partijen hadden vorderingen tot schadevergoeding ingediend, waarvan een deel gedeeltelijk werd toegewezen.

In hoger beroep bevestigde het hof de bewezenverklaring en de aansprakelijkheid van de verdachte. Het hof verbeterde de bewijsoverwegingen en paste de straf aan naar een voorwaardelijke geldboete van €100, subsidiair één dag hechtenis, met een proeftijd van één jaar. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel van €676,93 opgelegd, te vermeerderen met wettelijke rente, met een gijzeling van maximaal zes dagen bij niet-betaling.

De verdachte had eerder soortgelijke veroordelingen, maar niet recent. Het hof achtte de straf passend gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De vorderingen van de benadeelde partijen werden in hoger beroep niet verder gehandhaafd dan reeds toegewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €100 met een proeftijd van één jaar, subsidiair één dag hechtenis, en een schadevergoedingsmaatregel van €676,93 met wettelijke rente en gijzeling van maximaal zes dagen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002263-25
Uitspraak : 17 april 2026
VERSTEK (DIP)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 21 augustus 2025 in de strafzaak met parketnummer 03-308007-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter het primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard, de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 100,00 subsidiair 2 dagen hechtenis met een proeftijd van één jaar.
Daarnaast heeft de kantonrechter de benadeelde partij [benadeelde 1] , die mede namens [benadeelde 2] een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend, in de vordering voor zover deze ziet op de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard en de vordering tot schadevergoeding voor zover deze ziet op de gevorderde immateriële schade afgewezen. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Ten slotte heeft de kantonrechter de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] gedeeltelijk en hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 676,93, bestaande uit een bedrag van € 176,93 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De kantonrechter heeft bepaald dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Daarbij heeft de kantonrechter eveneens bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] is daarnaast hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Bij verlofbeschikking van 14 januari 2026 is bevolen dat de onderhavige zaak ter terechtzitting in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij [benadeelde 1] , die in eerste aanleg mede namens [benadeelde 2] een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend, is door de kantonrechter in de vordering voor zover deze ziet op de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard. De vordering tot schadevergoeding voor zover deze ziet op de gevorderde immateriële schade is door de kantonrechter afgewezen. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Derhalve is deze vordering in hoger beroep niet meer aan de orde.
De benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 2.676,93, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De kantonrechter heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] gedeeltelijk en hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 676,93, bestaande uit een bedrag van € 176,93 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De kantonrechter heeft bepaald dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep niet gehandhaafd, zodat in hoger beroep de vordering nog slechts aan de orde is voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen, te weten voor een bedrag van € 676,93.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf en de motivering daarvan en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel en de motivering daarvan. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd.
Het hof zal de bewijsvoering van de kantonrechter verbeteren door het opnemen van een bewijsoverweging. Daarnaast ziet het hof aanleiding de door de kantonrechter gebezigde bewijsmiddelen aan te vullen en te verbeteren. In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Ten slotte ziet het hof aanleiding om de toepasselijke wettelijke voorschriften te verbeteren en opnieuw op te nemen, als hierna te melden.
Bewijsoverweging
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat op 1 april 2024 op de A73 ter hoogte van hectometerpaal 66.7 te Venray een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen een Audi Q7 met Nederlands kenteken [kenteken 1] en een Skoda met het Duitse kenteken [kenteken 2] . De verdachte reed in een Peugeot Partner met Nederlands kenteken [kenteken 3] achter voornoemde Skoda op de rechter rijstrook van de snelweg. Op enig moment naderde de Audi op de linker rijstrook met een te hoge snelheid dan aldaar ter plaatste is toegestaan. De verdachte heeft vervolgens een stuurbeweging gemaakt van de rechter rijstrook naar de linker rijstrook, waardoor de Audi flink moest afremmen en een uitwijkende beweging maakte naar de middenberm. Hierna reed de Audi vanuit de middenberm naar rechts en kwam in botsing met de achterzijde van de daar rijdende Skoda. Door de kracht van de botsing en/of een stuurbeweging bewogen beide voertuigen weer naar links en kwamen beiden in botsing met de in de middenberm staande middengeleider. De betrokken Audi bleef in zijn eindpositie tegen deze middengeleider staan. De betrokken Skoda roteerde na de botsing tegen de middengeleider over de beide rijstroken naar rechts tot de auto in zijn eindpositie stil kwam te staan op de rechter vluchtstrook.
Het hof overweegt dat de verklaring van de verdachte zoals afgelegd tijdens zijn politieverhoor, als ook ter terechtzitting in eerste aanleg bij de kantonrechter, inhoudende dat hij niet naar de linker rijstrook heeft gestuurd, zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder in het proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2024, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , waarin de camerabeelden van de botsing zijn beschreven (digitale dossierpagina’s 137-139) en het proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse van 8 juni 2024, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (digitale dossierpagina’s 26-45).
Het hof overweegt dat op grond van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna telkens: WVW 1994) het een ieder verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Voor wat betreft het veroorzaken van gevaar op de weg geldt dat sprake dient te zijn van een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag of evident gevaarlijk rijgedrag dat de reële mogelijkheid van schade voor goed of lijf op de weg veroorzaakt. Bij de vraag of een bepaalde gedraging kan worden aangemerkt als gevaarzettend, gaat het om een gedraging in concreto in het licht van alle omstandigheden van het geval. Een enkele overtreding van een verkeersregel zal niet zonder meer het gevaar opleveren zoals bedoeld in artikel 5 WVW Pro 1994.
Met de kantonrechter constateert het hof dat de Audi die bij de aanrijding betrokken was een aanzienlijk hogere snelheid heeft gereden dan ter plaatse is toegestaan en daardoor mede verantwoordelijk is voor de aanrijding met de Skoda. Dat laat echter onverlet dat de verdachte op zijn beurt door van rijstrook te wisselen de bestuurder van de Audi heeft gedwongen hard te remmen, hetgeen niet meer tijdig kon plaatsvinden. De verdachte had zich, alvorens hij deze bijzondere manoeuvre ging verrichten, zich ervan moeten vergewissen dat hij daarmee geen gevaar of hinder zou veroorzaken voor andere weggebruikers. Het hof stelt vast dat de verdachte dit onvoldoende heeft gedaan en dat hij hierdoor gevaar op de weg heeft veroorzaakt, door welke gedraging van de verdachte mede een aanrijding heeft plaatsgevonden.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze als in de bewezenverklaring is vermeld.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, door als bestuurder van een bedrijfsauto op de A73 te Venray zo onachtzaam en onoplettend te rijden, althans zodanig van rijstrook te wisselen dat een naderende bestuurder van een personenauto diende uit te wijken, mede waardoor er een aanrijding is ontstaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zich onvoldoende rekenschap gegeven van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld, doch niet recent. Tevens is aan de verdachte in 2023 bij strafbeschikking een geldboete opgelegd voor een overtreding van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. De strafbeschikking is tevens onherroepelijk.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het strafdossier en ter terechtzitting in eerste aanleg is gebleken.
Alles afwegende acht het hof, evenals de rechtbank, oplegging van een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 100,00, met een proeftijd van één jaar, passend en geboden. Gelet op de per 1 januari 2026 geldende afspraken, gemaakt door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), ziet het hof echter aanleiding de daaraan te verbinden vervangende hechtenis van twee dagen te wijzigen in één dag. Aldus zal het hof aan de verdachte een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 100,00, subsidiair één dag hechtenis, met een proeftijd van één jaar, opleggen.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt met oplegging van deze voorwaardelijke straf enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Schadevergoedingsmaatregel
Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 3] is toegebracht tot een bedrag van € 676,93, bestaande uit een bedrag van € 176,93 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024, zijnde de datum van het bewezenverklaarde feit. In zoverre wordt de beslissing van de kantonrechter, die de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 3] gedeeltelijk en hoofdelijk heeft toegewezen, dan ook door het hof bevestigd.
Het hof overweegt dat de verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde 3] naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is en het hof ziet dan ook, net als de kantonrechter, aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente als voormeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Gelet op de per 1 januari 2026 geldende afspraken, gemaakt door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), met betrekking tot de gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel zal het hof de gijzeling zoals opgelegd door de kantonrechter vervangen, met dien verstande dat de duur van de gijzeling wordt aangepast in de na te melden duur conform thans geldende afspraken. Voor de volledigheid zal het hof de gehele beslissing ter zake van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel in het dictum opnemen.
Het hof zal bepalen dat, in plaats van één dag gijzeling zoals door de kantonrechter is bepaald, gijzeling voor de duur van zes dagen zal worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de in eerste aanleg opgelegde straf en de motivering daarvan en ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de motivering daarvan en met aanvulling en verbetering van de gronden zoals hiervoor overwogen, en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 100,00 (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
1 (één) dag hechtenis;
bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 676,93 (zeshonderdzesenzeventig euro en drieënnegentig cent),bestaande uit € 176,93 (honderdzesenzeventig euro en drieënnegentig cent) materiële schadevergoeding en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 6 (zes) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. M.C.C. van de Schepop en mr. C.M.A. Ellens-Veenhof, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,
en op 17 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. C.M.A. Ellens-Veenhof is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.