Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1106

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
200.362.623_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:259 BWArt. 1:260 BWArt. 1:261 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen ondanks verzoek tot opheffing

De zaak betreft een hoger beroep over de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2013 en 2015, na een verbroken relatie van hun ouders. De moeder oefent het gezag uit en de vader is betrokken in het geschil over contact en toezicht. De rechtbank had de ondertoezichtstelling verlengd en het verzoek tot opheffing afgewezen.

In hoger beroep heeft Stichting Jeugdbescherming Brabant (JBB) verzocht de ondertoezichtstelling op te heffen, terwijl de vader incidenteel hoger beroep instelde voor verlenging en vervanging van de gecertificeerde instelling. Het hof heeft de feiten en processtukken, waaronder eerdere vonnissen en rapportages, zorgvuldig gewogen.

Het hof constateert dat de ernstige ontwikkelingsbedreigingen voor de kinderen onverminderd aanwezig zijn, mede door de verstoorde relatie tussen ouders en het ontbreken van contact met de vader sinds 2023. JBB heeft geen hulpverlening kunnen inzetten vanwege weerstand van de kinderen en weigering van de moeder. De kinderen vertonen duidelijke emotionele en fysieke klachten bij het bespreken van de vader.

Het hof benadrukt het belang van onderzoek naar de oorzaak van de weerstand van de kinderen en de rol van beide ouders, waarbij de moeder een afwijzende houding aanneemt en de vader onvoldoende verantwoordelijkheid neemt. Het hof acht het noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling voortduurt en dat een andere gecertificeerde instelling wordt benoemd vanwege twijfels over de neutraliteit van JBB.

De verzoeken van de vader tot verlenging na 1 november 2026 en tot vervanging van JBB worden niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en verzoekt JBB onverwijld een verzoek tot vervanging in te dienen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en wijst het verzoek tot opheffing af vanwege aanhoudende ontwikkelingsbedreigingen en ouderverstoting.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 23 april 2026
Zaaknummer : 200.362.623/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/02/437012 / JE RK 25-1163
in de zaak in hoger beroep van:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: JBB,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. N.J.R.M. Elings.
Deze zaak gaat over:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
Het hof merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. V. Vos.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda (hierna: de rechtbank), van 16 september 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter:
  • het verzoek van JBB tot opheffing van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgewezen;
  • de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op verzoek van de vader – uitvoerbaar bij voorraad – verlengd, met ingang van 1 november 2025 tot 1 november 2026;
  • het verzoek van de vader tot wijziging van de JBB als gecertificeerde instelling afgewezen;
  • de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken tot het verlenen van vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige 1] op een middelbare school en het reizen naar het buitenland met de kinderen en het verzoek om het gezag van de vader over de kinderen te beëindigen als de kinderrechter geen vervangende toestemming verleent.
2.2.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 december 2025, heeft JBB verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het inleidende verzoek van JBB tot opheffing van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alsnog toe te wijzen en de af te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.3.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 februari 2026, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en het verzoek van JBB af te wijzen. Tevens heeft de vader incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht om, bij wege van zelfstandig verzoek, te bepalen dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt verlengd met een jaar en tevens dat de uitvoerende gecertificeerde instelling wordt vervangen door Jeugdbescherming [locatie] , dan wel een door het hof aan te wijzen gecertificeerde instelling.
2.4.
Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 9 maart 2026, heeft JBB verzocht:
  • primair: de bestreden beschikking te vernietigen (zoals verzocht in het beroepschrift) en het incidenteel hoger beroep van de vader af te wijzen;
  • subsidiair: als de beschikking van de rechtbank wel wordt bekrachtigd, het incidenteel hoger beroep van de vader toe te wijzen.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Aanwezig waren:
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
  • de vader, bijgestaan door mr. Elings;
  • de moeder, bijgestaan door mr. Vos;
  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.6.
Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben het hof laten weten hier geen gebruik van te willen maken.
2.7.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 2 september 2025;
  • het V6-formulier d.d. 10 maart 2026 namens de vader met als bijlage het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 juni 2023;
  • het e-mailbericht met bijlage van JBB d.d. 17 maart 2026.

3.De feiten in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.
Uit de inmiddels verbroken relatie van de vader en de moeder zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. De moeder was van rechtswege belast met het gezag over de kinderen.
3.2.
De ouders hebben op 10 december 2013 in het gezagsregister laten aantekenen dat zij gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige 1] .
3.3.
In 2017 zijn ouders uiteen gegaan. Sinds het uiteengaan van de ouders wonen de kinderen bij de moeder.
3.4.
Bij vonnis in kort geding van de rechtbank van 16 november 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank onder andere bepaald dat de vader en de kinderen voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar iedere maandagochtend van 9.00 uur tot dinsdagavond 19.00 uur.
3.5.
Voornoemde zorgregeling is uitgevoerd totdat de moeder de regeling heeft stopgezet in maart/april 2023.
3.6.
Bij vonnis in kort geding van 15 juni 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank onder andere voorlopig het recht van de vader op het hebben van contact c.q. omgang met de kinderen ontzegd, totdat er aan de hand van de uitkomsten van het onderzoek van de raad zal worden ingezet op herstel van het contact c.q. de omgang tussen de vader en de kinderen.
3.7.
Bij beschikking van de rechtbank van 1 november 2023 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van JBB. Deze maatregel is vervolgens steeds verlengd.
3.8.
Bij beschikking van de rechtbank van 16 november 2023 heeft de rechtbank op verzoek van de vader bepaald dat de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige 2] uitoefenen en een informatieregeling van de moeder jegens de vader vastgesteld. Daarbij zijn, kort gezegd, de verzoeken van de vader tot het bepalen van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem en het vaststellen van een zorgregeling en de verzoeken van de moeder tot het benoemen van een bijzondere curator, het ontzeggen van het recht op omgang tussen de vader en de kinderen totdat er een begeleide zorgregeling komt dan wel het (voorwaardelijk) opheffen van het gezag van de vader over [minderjarige 1] , afgewezen.

4.De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.
JBB voert – samengevat – het volgende aan. Ten onrechte heeft de kinderrechter overwogen dat niet alle mogelijkheden om contactherstel tussen de vader en de kinderen te bewerkstelligen zijn benut. Voorafgaand aan de ondertoezichtstelling hebben de ouders met verschillende instanties ( [instantie 1] , Veilig Thuis , [instantie 2] en [instantie 3] ) reeds geprobeerd om hun communicatie te verbeteren en afspraken te maken. Dit heeft tot niets geleid. Doordat het steeds escaleert tussen de ouders, is hun verstandhouding enkel meer verstoord geraakt. Gedurende de ondertoezichtstelling is er geen hulpverlening tot stand gekomen omdat de moeder en de kinderen dat niet meer willen en kunnen. De vader doet niets met de regie van JBB. Gelet op de gehele voorgeschiedenis is het JBB niet gelukt om de moeder en beide kinderen daarin te bewegen. JBB ziet op dit moment geen ruimte in het leven van de kinderen om contact met de vader te hebben. De kinderen hebben beiden uitdrukkelijk aangegeven dat ze niet openstaan voor contactherstel. Dit is ook duidelijk zichtbaar in hun gedrag. De kinderen beginnen al te huilen als ze met de jeugdbeschermers in gesprek moeten. Als dit wel lukt, zakken de kinderen letterlijk in elkaar en beginnen zij te huilen, zenuwachtig te bewegen en lopen ze weg wanneer het over de vader gaat. [minderjarige 1] vertoont zelfs lichamelijke klachten wanneer het gesprek over de vader gaat. Hij wil niet meer met de vader geassocieerd worden, wil niet dat iemand zijn achternaam noemt en blijft benoemen dat hij niets weg heeft van de vader. Gelet op dit gedrag ziet JBB geen mogelijkheid om de kinderen in gesprek te laten gaan met de vader. Hierbij ziet JBB dat de vader onvoldoende nadenkt over het belang van de kinderen, zoals door het geven van cadeaus, waarop door de kinderen negatief is gereageerd. Ook is de vader op een uur fietsafstand van de kinderen gaan wonen wat het voor de kinderen lastiger zou maken als er op den duur contact op gang zou komen. Daargelaten of het afwijzende gevoel van de kinderen mede vanuit de moeder komt, feit blijft dat zij dit gevoel hebben. Bovendien heeft de moeder meermaals in het bijzijn van de jeugdbeschermers aan de kinderen aangegeven dat zij contact met de vader mogen hebben. De jeugdbeschermer is er op basis van haar observaties van de moeder van overtuigd dat de moeder in staat is de kinderen ruimte te geven om nieuwsgierig te zijn naar de vader. JBB betreurt dat er sprake is van ouderverstoting, maar merkt op dat dwang meer kapot zal maken. Dit zal de positieve ontwikkeling die de kinderen op andere gebieden maken verstoren. JBB ziet ook geen mogelijkheden om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. De moeder weigert verdere hulpverlening omdat zij het nut er niet van inziet. De moeder heeft eerder een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing gehad over het meewerken aan de ondertoezichtstelling, maar JBB kan de moeder niet dwingen om te praten. Zij staat wel open voor een neutraal contactpersoon tussen haar en de vader, zodat de vader bij die contactpersoon zijn vragen of correspondentie kan neerleggen. JBB vindt het belangrijk dat de vader hier aan meewerkt zodat dit een eerste stap naar contact kan zijn, maar hij weigert dit. JBB heeft geen andere middelen ter beschikking dan de reeds ingezette hulpverlening. Het door de kinderrechter voorgestelde solo parallel ouderschap is niet van de grond gekomen vanwege de weigerende houding van de moeder. De moeder heeft recent [instantie 4] ingeschakeld, dat gaat onderzoeken waar de aversie van de kinderen vandaan komt. Omdat JBB nog steeds een opdracht heeft vanuit de rechtbank, heeft JBB zich achter dit traject geschaard. Dit traject moet echter nog opgestart worden.
Als de ondertoezichtstelling wordt voortgezet, wordt er volledig voorbijgegaan aan de draagkracht van de kinderen. Het blijven forceren van contactherstel zal averechts werken en schadelijk zijn voor de kinderen en zal mogelijk leiden tot iatrogene schade. Het recht op contact van kinderen met een ouder moet geen verplichting worden als dat het gevolg zou zijn. JBB ziet op dit moment geen mogelijkheden voor hulpverlening voor de kinderen omdat zij zich daar tegen verzetten, en een hulpverleningstraject daardoor weinig kans van slagen heeft. Het afdwingen van hulp kan bovendien averechts werken en ervoor zorgen dat de kinderen zich nog meer afkeren tegen de vader. Een wisseling van jeugdbeschermer, zoals door de rechtbank voorgesteld, zal geen verschil maken. JBB heeft ook overwogen zelf een verzoek te doen om de ondertoezichtstelling over te dragen aan een andere gecertificeerde instelling, maar acht dit niet in het belang van de kinderen omdat het in de lijn der verwachting ligt dat een andere gecertificeerde instelling ook niet verder komt. Indien het hof echter van oordeel is dat de ondertoezichtstelling moet voortduren, stelt JBB zich op het standpunt dat het verzoek om een andere gecertificeerde instelling te benoemen moet worden toegewezen.
4.2.
De vader voert – samengevat – het volgende aan. Er is tijdens de ondertoezichtstelling geen hulpverlening tot stand gekomen. Zelfs het door de rechtbank genoemde gesprek zou te belastend zijn voor de kinderen. Er wordt nog altijd aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling voldaan. De ernstige ontwikkelingsbedreiging ziet op de gevolgen van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen, de ernstig verstoorde relatie tussen de ouders, de dientengevolge ontstane loyaliteitsproblematiek, het ontbreken van zicht op de onderliggende reden van weerstand van de kinderen tegen contact met vader, het belast worden met volwassenproblematiek en het niet onbelast contact kunnen hebben met de vader. Er is niet onderzocht waar de aversie van de kinderen jegens de vader vandaan komt en er is in de afgelopen maanden niets in positieve zin veranderd waardoor er nu minder zorgen zouden kunnen zijn. Dat de kinderen heel stellig zijn in hun wens om geen contact met de vader aan te gaan is juist een zorgelijk signaal waar aandacht voor moet zijn. Het proces van ouderonthechting en loyaliteitsproblemen bij kinderen van gescheiden ouders hangt sterk samen met ernstige ouderlijke conflicten. De ouders zijn tekortgeschoten jegens elkaar gedurende de relatie, maar de vader is altijd goed voor de kinderen geweest. Er waren ruzies, maar de vader is niet fysiek geweest richting de moeder. Het is zorgelijk dat de moeder iedere vorm van hulpverlening weigert. Mogelijkheden om deze weigerachtige houding te verhelpen zijn niet opgepakt. De vader begrijpt dat de kinderen hulpverleningsmoe zijn, maar er moet iets gebeuren. Er zijn aan de moeder geen schriftelijke aanwijzingen gegeven om haar tot medewerking aan hulpverlening te zetten. De kinderen missen de vader en horen maar één kant van het verhaal, onder andere via het boek van de moeder waarin zij de vader afbrandt. Als de ondertoezichtstelling wordt opgeheven zal het toezicht op de kinderen wegvallen, waardoor zij op ontoelaatbare wijze zullen worden belast door de moeder. De vader heeft er geen vertrouwen in dat de moeder de kinderen stimuleert om contact met vader aan te gaan. De moeder heeft inmiddels een carrière gebouwd op het afbranden van de vader, waardoor zij hier niet zomaar mee kan stoppen. Hulpverlening dient daadwerkelijk van de grond te komen, waarvoor regie en sturing noodzakelijk blijft om de ontwikkelingsbedreigingen bij de kinderen weg te nemen. De kinderen zijn oud genoeg om een mening te vormen, maar zij zijn nog te jong om de gevolgen van hun beslissingen te overzien en hebben daar dus sturing en begeleiding - hulpverlening in de ruimste zin des woords - in nodig. Daarbij zijn er nog genoeg mogelijkheden om te werken aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging(en) van de kinderen. Er kan ingezet worden op een solo-parallelouderschapstraject, waarbij de moeder hulp moet krijgen bij het stimuleren en motiveren van de kinderen in het contact met de vader. Daarbij dient de moeder de buitenwereld niet te betrekken in haar mening over de relatie met de vader en die mening ook niet aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te leggen. Ook de vader dient hulp te ontvangen om te leren hoe hij het gesprek met de kinderen kan aan gaan en hoe hij hen het vertrouwen kan geven dat hij geen monster is, zoals de moeder de wereld wil doen laten denken. Nu JBB weigert de rechterlijke beslissing uit te voeren, kan de impasse niet zonder een andere gecertificeerde instelling worden doorbroken. De vader vindt dat er naast de eerder gestelde doelen ook moet worden gewerkt aan het laten uitvoeren van een onderzoek naar wat de kinderen en de ouders in dit geval nodig hebben aan hulpverlening en hoe de gecertificeerde instelling die noodzakelijke hulpverlening kan inzetten (bijvoorbeeld door een beslissingsondersteunend onderzoek) door [instantie 5] ( [instantie 5] ). De vader schrikt van de felheid waarmee de jeugdbeschermer spreekt over hem, er was eerder sprake van een fijne samenwerking. De vader is verhuisd naar [woonplaats vader] , in de omgeving van [woonplaats moeder] . Daarbij merkt de vader op dat er nog niet eens is gepoogd om contactherstel mogelijk te maken, zodat een verhuizing niet uitmaakt. Ook wordt het gedaan alsof de post op sociale media van de vader enkele weken voor de mondelinge behandeling in hoger beroep, veel erger is dan het boek van de moeder. Beide hadden niet gemogen voor de kinderen. Bovendien vindt de vader het opmerkelijk dat de moeder nu hulpverlening van [instantie 4] heeft ingezet, terwijl dit juist een taak was van JBB. De vader hoopt dat dit traject helpend kan zijn.
4.3.
De moeder voert – samengevat – het volgende aan. Opheffing van de ondertoezichtstelling is in het belang van de kinderen. De moeder heeft nooit onwelwillend tegenover contact tussen de vader en de kinderen gestaan. Na het uiteengaan is er jarenlang contact geweest, maar in die periode was er ook sprake van mentaal geweld en intieme terreur waar de kinderen getuige van zijn geweest. Sinds 2013 is er ook veel hulpverlening betrokken geweest bij het gezin van [instantie 1] , [instantie 3] , [instantie 6] , [instantie 7] , en er is contact geweest met Veilig Thuis . Ook is er hulpverlening geweest voor [minderjarige 1] bij [instantie 8] , hij heeft afzonderlijke gesprekken gehad met verschillende particuliere psychologen en de moeder heeft traumaverwerking en hulp gehad. De raad benoemde in het raadsonderzoek van 2023 al dat het leek dat de kinderen toen al hulpverleningsmoe waren. De kinderen hebben weerstand tegen hulpverleners en tegen contact met de vader, en dit neemt enkel toe. De ondertoezichtstelling heeft daar niet de verandering in kunnen brengen die was gehoopt. Toch moet de ondertoezichtstelling niet langer voortduren. De kinderen worden al lange tijd belast met onrust, waarbij zij steeds met verschillende hulpverleners moeten praten. De kinderen hebben een goede band met de huidige jeugdbeschermers. Op alle vlakken gaat het nu goed met de kinderen zoals op school. Het gaat pas mis als er wordt gesproken over de vader. De kinderen laten dan fysiek en mentaal klachten zien. De vader heeft recent via sociale media gereageerd op het boek van de moeder. De vader realiseert zich hierbij niet dat dit invloed heeft op de kinderen. Hij ziet het aandeel van zijn eigen handelen niet en neemt hierin geen verantwoordelijkheid of erkenning over wat er is gebeurd in het verleden. Voor de kinderen is het het beste om contact te hebben met beide ouders, en in dit geval is echt alles uit de kast getrokken om dit te bewerkstelligen. De moeder is er van overtuigd dat de kinderen er baat bij hebben als er niet weer gedwongen hulpverlening komt, en zij gunt [minderjarige 1] de rust om komend schooljaar zonder externe stressfactoren te beginnen aan de middelbare school. De moeder heeft het regelmatig met de kinderen over de vader en stelt op momenten voor om een kaartje naar hem te sturen. De kinderen reageren daar afwijzend op. De kinderen zijn op de hoogte van de inhoud van het boek omdat zij het leven hebben geleefd waarover wordt geschreven. De kinderen hebben nare ervaringen en herinneringen van de vader. De moeder en de kinderen zijn erkend als slachtoffers door het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Gelet op het verleden met intieme terreur en dwingende controle kan er niet van de moeder worden gevraagd om nog te werken aan de oudercommunicatie. De moeder zou eenhoofdig gezag willen over de kinderen, en zolang zij nog met de vader moet overleggen, dient dit via een advocaat of tussenpersoon te lopen. De moeder heeft de kinderen aangemeld bij [instantie 4] , waar de kinderen een buddy kunnen krijgen om mee te praten. Op deze manier kijkt er iemand met de moeder mee of het goed gaat met de kinderen. De vader wordt niet betrokken bij dit traject. Een ondertoezichtstelling is hier niet voor nodig.
4.4.
De raad adviseert – samengevat – het volgende. Er is op verschillende fronten nog steeds sprake van behoorlijke ontwikkelingsbedreigingen bij de kinderen. Zo is er geen contact met de vader, maar heeft de raad inmiddels ook zorgen over de identiteitsontwikkeling van de kinderen. De moeder dient stappen te zetten om aan de slag te gaan met wat er is gebeurd. Het zal voor de kinderen lastig zijn dat andere mensen zich uitspreken over wat de kinderen hebben meegemaakt en wanneer anderen negatief over een van de ouders praten. De verwachting dat als de kinderen nu maar rust wordt gegund, zij uiteindelijk zelf uit nieuwsgierigheid een stap richting de vader gaan zetten is onjuist. De kinderen zitten in een onmogelijke positie. De ondertoezichtstelling zou er op dit moment niet op moeten zien dat er contact op gang wordt gebracht, maar er zou aandacht moeten zijn wat deze situatie doet met de kinderen. Het is belangrijk om te onderzoeken of zij bijvoorbeeld een passende uitlaatklep hebben waar zij hun zorgen kwijt kunnen. Zij hebben het recht dat hun ontwikkeling door een neutrale professional wordt gemonitord, waarbij ook gekeken wordt of de hulpverlening van [instantie 4] voor hen de juiste hulp is. Er dient gekeken te worden welke ondersteuning de kinderen nodig hebben om zich staande te houden in de dynamiek van de ouders. Tot nu toe is er vooral hulpverlening geweest gericht op het vormgeven van het ouderschap. Dat is mogelijk niet meer haalbaar. Er dient echter een regievoerder te zijn die de ouders scherp houdt om de belangen van de kinderen voorop te blijven stellen. Daar ligt een rol voor een gecertificeerde instelling. Het is passend dat er een andere gecertificeerde instelling komt omdat de huidige jeugdbeschermer inmiddels een bepaald beeld heeft.
4.5.
Het hof overweegt als volgt.
Ondertoezichtstelling
Wettelijk kader
4.5.1.
Ingevolge artikel 1:261 lid 1 en Pro lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro, niet langer is vervuld.
4.5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
4.5.3.
Op grond van artikel 1:260 BW Pro kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is Pro voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Opheffing
4.5.4.
Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de grond voor de ondertoezichtstelling nog steeds wordt vervuld. De ernstige ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn onverminderd aanwezig. Ook de raad heeft dat aangegeven. De ontwikkelingsbedreigingen zijn gelegen in het feit dat er sprake is van ex-partnerproblematiek tussen de ouders waar de kinderen last van hebben en het feit dat er sinds begin 2023 geen contact meer is tussen de kinderen en de vader, waarbij er zorgen zijn over de identiteitsontwikkeling van de kinderen omdat zij geen kans krijgen om een eigen beeld van de vader te vormen. JBB constateert dat er sprake is van ouderverstoting.
4.5.5.
De vraag die voorligt aan het hof is of de ondertoezichtstelling nog een bijdrage kan leveren aan de oplossing van de problemen, of dat het voortduren van de ondertoezichtstelling contraproductief zal zijn.
4.5.6.
Het hof constateert dat er sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling op 1 november 2023 geen hulpverlening is ingezet door JBB ten behoeve van het afnemen van de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen of het werken aan de doelen van ondertoezichtstelling. Het Werkplan OTS van 24 juni 2025 geeft drie doelen aan: 1. Hulpverlening inzetten voor verbetering oudercommunicatie, 2. Hulpverlening voor de kinderen zodat zij hun emoties, gevoelens en verhalen kunnen bespreken en 3. Hulpverlening inzetten om te werken aan contactherstel tussen vader en de kinderen. Vanwege wachtlijsten heeft het na de aanvang van de ondertoezichtstelling bijna een jaar geduurd voordat er een jeugdbeschermer aan de zaak werd gekoppeld in oktober 2024, en negen maanden later heeft JBB het verzoek om opheffing ingediend, terwijl geen hulpverlening is ingezet en geen enkel doel uit het werkplan is behaald. JBB heeft (enkel) gesprekken gevoerd met de moeder en met de kinderen. Als reden voor het niet inzetten van hulp en het niet behalen van de doelen geeft JBB in het werkplan aan: weigering van hulpverlening door de moeder en weerstand van de kinderen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft JBB toegelicht dat de kinderen hulpverleningsmoe zijn en JBB niet verder wil trekken aan de kinderen. De moeder heeft de kinderen recent aangemeld voor een traject bij [instantie 4] . De bedoeling van dit traject is, zo begrijpt het hof, dat gekeken zal worden waar de weerstand van de kinderen tegen het contactherstel en de aversie tegen de vader vandaan komt.
4.5.7.
Niet betwist wordt dat de kinderen op dit moment een forse weerstand vertonen tegen contact met de vader en tegen alles wat daarmee te maken heeft, zoals het spreken met hulpverleners. Tot op heden is niet duidelijk geworden waar deze weerstand van de kinderen precies vandaan komt, namelijk of dit enkel het gevolg is van bepaalde ervaringen die de kinderen hebben gehad met hun vader of dat er mogelijk ook andere redenen aan ten grondslag liggen, zoals de ex-partnerproblematiek van hun ouders en/of de negatieve en afwijzende houding van de moeder jegens de vader. Gelet op de schadelijke gevolgen die ouderverstoting met zich kan brengen in de ontwikkeling van de kinderen, acht het hof het van groot belang dat onderzocht wordt waar dit gedrag en gevoel van de kinderen uit voortkomt en hoe de kinderen, die in de pubertijd gaan komen, door hun ouders ondersteund en geholpen kunnen worden in hun verdere ontwikkeling in een emotioneel veilig opvoedklimaat.
4.5.8.
Het hof heeft
in deze proceduregeen onderbouwing gezien van wat er in de relatie van de ouders feitelijk heeft plaatsgevonden aan onveiligheid of intieme terreur en in hoeverre dit mede betrekking heeft (gehad) op de kinderen, en of de huidige opstelling van de kinderen hier dan ook het gevolg van is. Het hof heeft geen enkel verslag van de in het verleden betrokken hulpverleners, Veilig Thuis , politie, of van andere in dit dossier betrokken instanties. Het hof heeft enkel de weergave van de tijdslijn en de aangehaalde bevindingen in het raadsrapport van september 2023. Daaruit blijkt dat meldingen en aangiftes van de moeder jegens de vader hebben plaatsgevonden in de periode 2012-2017. Nadien is van dusdanige meldingen of aangiftes jegens de vader geen sprake meer geweest. De kinderen waren erg jong toen de ouders nog in gezinsverband samenleefden en zij hebben nadien nog enkele jaren conform de bij kort geding van 16 november 2017 bepaalde zorgregeling bij de vader verbleven. De raad heeft in het raadsrapport van 2023 overwogen dat niet werd gezien dat de kinderen zelf dermate negatieve ervaringen hebben opgedaan in het contact met de vader, dat het invoelbaar en navolgbaar is dat de kinderen het contact met de vader zo rigoureus afwijzen. Daarbij merkt het hof op dat ook in de omstandigheid dat er sprake is geweest van (een vorm van) intieme terreur tussen de ouders, dit niet zonder meer betekent dat de kinderen op geen enkele wijze contact kunnen hebben met de vader. Het is belangrijk dat onderzocht wordt in hoeverre de kinderen belast zijn en/of nog steeds worden belast door de dynamiek tussen de ouders, en of er enige ruimte voor hen kan zijn om de vader een rol in het leven van de kinderen te geven. Daarbij dient naar de rol van beide ouders te worden gekeken. Ten aanzien van de vader: wat is er gebeurd in de relatie tussen de vader en de kinderen en kan de vader erkennen en verantwoordelijkheid nemen voor de impact van bepaalde gebeurtenissen op de kinderen. Voorts ook de vraag wat de kinderen nodig hebben van de vader om een en ander een plek te geven en zo mogelijk ruimte te creëren voor een rol voor de vader. Er dient ook gekeken te worden naar de rol van de moeder in het contactherstel tussen de vader en de kinderen. Het is aannemelijk dat de afwijzende houding van de moeder jegens de vader op enige wijze aan contactherstel tussen de kinderen en de vader in de weg staat. Het hof zal dit nader toelichten.
4.5.9.
De rol en de houding van de moeder is een punt van zorg. Het hof stelt vast dat in het raadsrapport van 2023 reeds de zorg werd geuit in hoeverre de kinderen de emotionele toestemming van de moeder daadwerkelijk voelen om het contact met vader aan te gaan. Ook in het werkplan OTS vermeldt JBB dat de moeder geen hulpverlening meer wil en niet meer over de vader wil praten “omdat hij tot het verleden behoort”. [1] En in het verzoekschrift in eerste aanleg constateert de GI: “
Het is voor jeugdbeschermer niet geheel helder hoe groot het aandeel van de aversie tegen vader de eigen herinneringen van [minderjarige 1] zijn en hoeveel een stuk van moeder is (al dan niet aangepraat of gevoeld door [minderjarige 1] ). Moeder geeft aan niet meer negatief over vader te praten, moeder geeft aan sowieso niet meer over vader te praten omdat hij tot het verleden behoort en zij verder willen.” [2] Voorts zoekt de moeder de publiciteit met betrekking tot het onderwerp intieme terreur middels het door haar uitgebrachte boek, lezingen en andere uitingen in de media en is zij actief als ervaringsdeskundige op dit onderwerp. In dat verband laat zij zich negatief over haar ervaringen met de vader uit. Door het actief opzoeken van de media - zeker in samenhang met het gegeven dat ook de vader een bekende Nederlander is - ondervinden de kinderen - die overigens op de hoogte zijn van de inhoud van het boek - reacties van derden op hun privé-situatie, hetgeen zeer belastend is voor hen. Op de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat de kinderen bijvoorbeeld op school lastiggevallen worden op het moment dat er media-aandacht is rondom de ouders. Voorts laat de moeder in de onderhavige procedure een onverzettelijke houding zien. Zo heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling bij het hof zowel verbaal als non-verbaal duidelijk gemaakt op geen enkele wijze mee te werken aan het contact tussen de kinderen en de vader. De moeder weigert rechtstreeks (direct) contact met de vader en wil niet werken aan de oudercommunicatie. Het hof acht het aannemelijk dat de kinderen worden blootgesteld aan deze zeer afwijzende houding van de moeder, hetgeen invloed zal hebben op de emotionele ruimte die zij ervaren om nieuwsgierig te zijn naar de vader. De afwijzende houding van de moeder zou aldus mede een belangrijke reden kunnen zijn voor de ouderverstoting door de kinderen. Het hof vraagt zich daarbij af of de moeder gezien haar optreden in het publieke domein over haar negatieve ervaringen met de vader, nog wel in staat of bereid is de vader enige rol te geven in het leven van de kinderen. Hoewel de moeder aangeeft dat zij tegen de kinderen uitspreekt dat zij contact met de vader mogen hebben, is het niet realistisch te verwachten dat de kinderen contact zullen willen of zich vrij genoeg voelen om contact te durven hebben, als de moeder niet intrinsiek gemotiveerd is of gewoon niet kan begrijpen dat het in het belang van de kinderen is dat hun vader de kans krijgt een positieve rol in hun leven te vervullen. Dat de partner van de moeder een vaderrol vervult, kan niet afdoen aan het grote belang voor de ontwikkeling van de kinderen om contact te kunnen en mogen hebben met hun vader. Het is dan ook belangrijk dat de kinderen kunnen ervaren dat de moeder hun oprecht emotionele toestemming kan geven voor contact met hun vader.
4.5.10.
Het hof heeft zorgen over de positie van de kinderen in deze dynamiek tussen de ouders. In lijn met het advies van de raad acht het hof het van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht blijven staan van een gecertificeerde instelling. Hoewel het hof begrijpt dat er op dit moment wellicht geen ruimte is bij de kinderen om al over te gaan op het bewerkstelligen van contact(herstel) met de vader, is het van belang dat de kinderen worden ondersteund in de situatie waarin zij zich bevinden en dat wordt onderzocht waar hun weerstand vandaan komt. Het traject bij [instantie 4] kan hier een eerste stap in zijn. De kinderen zitten klem tussen de posities die de ouders naar elkaar, maar ook in de publiciteit, innemen. De kinderen ervaren daar negatieve gevolgen van. De zorg die in verband met het wegenemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de kinderen wordt niet dan wel onvoldoende geaccepteerd. Zo werd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep door de moeder opgemerkt dat de kans groot is dat de kinderen het traject bij [instantie 4] niet willen aangaan.
Van belang is dat bij beide ouders het inzicht wordt vergroot in het eigen aandeel in de verstoorde dynamiek en wat dit betekent voor de kinderen. Voor beide ouders lijkt psycho-educatie op dit punt aangewezen. Los van het ondersteunen van de kinderen, dienen de ouders aan de slag te gaan met de situatie, waarbij, zoals hiervoor aangegeven, de moeder ondersteund kan worden bij het creëren voor ruimte voor de kinderen en het geven van emotionele toestemming om de kinderen contact te laten aangaan met de vader, en de vader voor het geven van reflectie en erkenning richting de kinderen voor het verleden. In die situatie kan er voor de kinderen mogelijk ruimte ontstaan om op termijn enig contact met de vader aan te gaan. Het hof heeft er geen vertrouwen in dat de noodzakelijke hulp voor de kinderen in het vrijwillige kader van de grond zal komen.
4.5.11.
Daarbij heeft het hof in dat kader ook zorgen over de onafhankelijkheid en de professionele afstand van JBB in deze kwestie. Gezien wordt dat JBB zich sinds de aanvang van de ondertoezichtstelling volledig achter de houding van de moeder heeft geschaard en dat er van haar wordt geaccepteerd dat er niet wordt meegewerkt aan hulpverlening. JBB heeft twee hulpverlenende instanties aangedragen, waarvan de moeder een instantie heeft afgewezen ( [instantie 9] ) en een instantie niet kon starten vanwege een werkverband van de moeder aldaar ( [instantie 10] ). Hierna is door JBB niet ingezet op andere hulpverlening, omdat de moeder aangaf hier niet open voor te staan. Hoewel aan de moeder eenmaal een vooraankondiging voor een schriftelijke aanwijzing is gegeven om mee te werken aan de hulpverlening, is er vervolgens niet daadwerkelijk een schriftelijke aanwijzing gegeven en zijn er ook geen andere stappen gezet om de moeder te laten meewerken. Het hof ziet een gebrek aan regievoering richting de moeder en ziet dat de vader al langere tijd haast niet betrokken wordt bij de ondertoezichtstelling.
Verlenging ondertoezichtstelling
4.5.12.
Ten aanzien van het verzoek van de vader in incidenteel appel tot verlenging van de ondertoezichtstelling na 1 november 2026 merkt het hof op, zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, dat daar in deze procedure geen ruimte voor is. De beoordeling of een ondertoezichtstelling dient te worden verlengd, dient te gebeuren op basis van actuele omstandigheden op het moment dat de ondertoezichtstelling (bijna) verloopt. De huidige ondertoezichtstelling loopt tot 1 november 2026, zodat het hof op dit moment nog niet kan beoordelen of een verlenging noodzakelijk is. Het hof zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.
Vervanging gecertificeerde instelling
4.6.
Op grond van artikel 1:259 BW Pro kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.
Gelet op het bepaalde in artikel 807 onder Pro a Rv staat tegen beschikkingen op grond van artikel 1:259 BW Pro geen hoger beroep open.
4.6.1.
Nog daargelaten dat de vader in het beroepschrift geen doorbrekingsgrond heeft gesteld, heeft de vader ook op de mondelinge behandeling in hoger beroep geen concrete grond aangevoerd die tot een doorbreking van het appelverbod zou kunnen leiden, anders dan dat het praktisch wenselijk zou zijn om geen nieuwe procedure te hoeven af te wachten om tot wijziging van de gecertificeerde instelling te komen. Het hof ziet hierin geen grond die doorbreking van het appelverbod rechtvaardigt. De vader dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek tot vervanging van JBB door een andere gecertificeerde instelling.
4.6.2.
Duidelijk is geworden dat JBB niet achter een ondertoezichtstelling van de kinderen staat en geen hulpverlening zal inzetten, nu zij dit niet in het belang van de kinderen acht. Voorts volgt uit het verweerschrift van JBB in incidenteel appel dat JBB geen ruimte meer ziet om de ondertoezichtstelling uit te voeren, en rijzen er vragen over de neutraliteit van JBB. JBB wenst ook dat een andere gecertificeerde instelling benoemd moet worden in geval de ondertoezichtstelling gehandhaafd blijft. Het hof acht het daarom noodzakelijk dat een andere GI de uitvoering overneemt. Het hof gaat er vanuit, zoals besproken tijdens de mondeling behandeling in hoger beroep, dat JBB zich zal wenden tot de kinderrechter met het verzoek om wijziging van de gecertificeerde instelling. Het hof acht het in het grootste belang van de kinderen dat er een jeugdbeschermer bij de zaak is betrokken die zich volledig inzet om de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen af te wenden.
Slotsom
4.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd voor wat betreft de afwijzing van het verzoek van JBB tot opheffing van de ondertoezichtstelling en de toewijzing van het verzoek van de vader tot verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling na 1 november 2026 en tot vervanging van JBB door een andere gecertificeerde instelling. Van JBB wordt verwacht dat onverwijld ex artikel 1:259 BW Pro om vervanging door een andere gecertificeerde instelling wordt verzocht aan de rechtbank.
5. De beslissing
Het hof:
in het principaal en incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 september 2025, voor zover het verzoek van JBB om opheffing van de ondertoezichtstelling van
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , is afgewezen en de ondertoezichtstelling op verzoek van de vader is verlengd met ingang van 1 november 2025 tot 1 november 2026;
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na 1 november 2026;
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vervanging van JBB door een andere gecertificeerde instelling;
verstaat dat JBB onverwijld een verzoek tot vervanging van de toezichthoudende instelling door een andere gecertificeerde instelling ex artikel 1:259 BW Pro indient bij de rechtbank;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, K.J.H. Hoofs en W. de Weijer en is op 23 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Smolders, Griffier.

Voetnoten

1.Pagina 3 bovenaan van het Werkplan OTS van 24 juni 2025.
2.Pagina 5 van het verzoekschrift.