Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1131

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
24/1711 tot en met 24/1713
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:111 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 lid 1 AwbArt. 6:9 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late indiening in belastingzaak loonbeslag

Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen uitspraken van de rechtbank over aanmaningskosten, dwangbevelkosten en loonbeslag op zijn UWV-uitkering voor de jaren 2012, 2019 en 2020. De rechtbank had het beroep deels gegrond, deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk verklaard. Het hof onderzocht of het hoger beroep ontvankelijk was, waarbij de termijn voor het indienen zes weken bedroeg, te rekenen vanaf de dag na de bekendmaking van de uitspraak op 11 september 2024.

Het hogerberoepschrift werd echter pas op 13 november 2024 ontvangen, ruim na de termijn die op 23 oktober 2024 eindigde. Belanghebbende stelde dat het stuk tijdig was verzonden vanuit Duitsland, met een kassabon van Deutsche Post als bewijs. Het hof oordeelde dat deze kassabon onvoldoende bewijs leverde dat het hogerberoepschrift daadwerkelijk tijdig ter post was bezorgd, mede omdat de kassabon geen verwijzing naar belanghebbende of het stuk bevatte.

Belanghebbende en zijn gemachtigde waren niet aanwezig bij de zitting, ondanks correcte oproeping. Het hof verklaarde het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk. Gevolg hiervan was dat ook het incidenteel hoger beroep van de ontvanger niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 8:111 Awb Pro. Het hof wees een vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 29 april 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de ontvanger worden niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1711 tot en met 24/1713
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (Duitsland),
hierna: belanghebbende,
en het incidentele hoger beroep van
de ontvanger van de Belastingdienst
hierna: de ontvanger,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 september 2024, nummers BRE 23/3798, 23/10333 en 23/10334 in het geding tussen belanghebbende en de ontvanger.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
De ontvanger heeft aanmaningskosten en kosten voor het betekenen van een dwangbevel in rekening gebracht voor het nog openstaande bedrag van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2012 en 2019. De ontvanger heeft een vordering gedaan op het inkomen dat belanghebbende ontvangt van UWV (hierna: de vordering loonbeslag) als bedoeld in artikel 19 van Pro de Invorderingswet 1990 (hierna: IW).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De ontvanger heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de vordering loonbeslag niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De ontvanger heeft aanmaningskosten en kosten voor het betekenen van een dwangbevel in rekening gebracht voor het nog openstaande bedrag van de aanslag IB/PVV 2020. De ontvanger heeft een vordering loonbeslag gedaan op het inkomen dat belanghebbende ontvangt van UWV.
1.4.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte kosten en tegen de vordering loonbeslag. De ontvanger heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar tegen de in rekening gebrachte kosten gegrond verklaard. De ontvanger heeft het bezwaar tegen de vordering loonbeslag kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken vermeld onder 1.2 en 1.4 beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gedeeltelijk gegrond, gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep betrekking heeft op een verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: WOO).
1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De ontvanger heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.
1.8.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de ontvanger.
1.9.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens de ontvanger, [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Belanghebbende en zijn gemachtigde is niet verschenen. De griffier heeft belanghebbende op 24 november 2025 met een bericht uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Dit bericht is op die dag in Mijn Rechtspraak geplaatst, en tevens is op die dag hiervan een notificatie aan belanghebbende, op het door hem verstrekte e-mailadres, gezonden. Tot de gedingstukken behoren schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs die het hof bij deze uitspraak zal voegen. Belanghebbende heeft op 11 mei 2025 verzocht om de zitting langs digitale weg te kunnen bijwonen. De griffier heeft belanghebbende op 24 maart 2026 met een bericht geïnformeerd dat belanghebbende de zitting digitaal kan bijwonen en heeft aan belanghebbende daartoe de gegevens verstrekt. Dit bericht is op die dag in Mijn Rechtspraak geplaatst, en tevens is op die dag hiervan een notificatie aan belanghebbende, op het door hem verstrekte e-mailadres, gezonden. Tot de gedingstukken behoren schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs die het hof bij deze uitspraak zal voegen.
1.10.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Bij brief van 24 maart 2023 heeft de ontvanger aan belanghebbende bericht dat hij een vordering zou doen onder het UWV als bedoeld in artikel 19 IW Pro voor door belanghebbende niet betaalde bedragen op de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 (voorlopige aanslag) en 2019 (aanslag) en te betalen invorderingsrente. Volgens belanghebbende heeft hij deze brief niet ontvangen. In de brief staan als openstaande posten vermeld:
Jaar
Inkomstenbelasting
Kosten
2012
€ 4.419
€ 452
2019
€ 1.662
€ 204
2.2.
Op 8 mei 2023 heeft het UWV aan belanghebbende bericht dat de Belastingdienst beslag had gelegd op de WIA-uitkering van belanghebbende. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 21 mei 2023 bezwaar gemaakt bij de Afdeling Invordering van de Belastingdienst. In die brief staat onder meer dat hij zelf geen bericht van de beslaglegging heeft ontvangen en dat hij geen bezwaar heeft kunnen maken tegen de aanslagen omdat hij deze niet heeft ontvangen.
2.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 11 juli 2023 heeft de ontvanger het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.4.
De via het loonbeslag geïnde bedragen zijn:
Jaar
Belasting
Kosten
Invorderingsrente
Totaal geïnd
Datum
2012
€ 1.494,58
€ 1.847,58
€ 1.076,84
€ 452
€ 409
€ 508
€ 297
€ 2.355,58
€ 2.355,58
€ 1.373,84
Mei 2023
Juni 2023
Juli 2023
2019
€ 834,34
€ 827,66
€ 204
€ 12
€ 1.050,34
€ 827,66
Juli 2023
Augustus 2023
2.5.
Over de aanslag IB/PVV 2012 heeft belanghebbende geprocedeerd tot aan de Hoge Raad. De juistheid van die aanslag staat daardoor vast.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep, voor zover het zich richt tegen het niet doen van uitspraken op het bezwaar tegen de bij de aanslagen IB/PVV 2012 en 2019 in rekening gebrachte kosten en invorderingsrente, gegrond verklaard en heeft de ontvanger opgedragen daarover uitspraken te doen. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard voor zover die zich richten tegen het loonbeslag. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard voor zover het beroep het verzoek op grond van de WOO betreft en heeft het beroep tegen de in rekening gebrachte kosten voor het niet (tijdig) betalen van de aanslag IB/PVV 2020 niet-ontvankelijk verklaard. Ten slotte heeft de rechtbank de ontvanger opgedragen aan belanghebbende het griffierecht ter grootte van € 100 te vergoeden.
2.7.
Met dagtekening 6 november 2024, door het hof ontvangen op 13 november 2024, stuurt belanghebbende een brief aan het hof:
“Op 09-10-2024 heb ik u een hoger beroep gestuurd inzake rechtszaak BRE 23/3798, BRE 23/10333 en BRE 23/10334. Tot op heden heb ik van u nog niets vernomen. Geen ontvangstbevestiging, niets.”
Als bijlage bij de brief van 6 november 2024 voegt belanghebbende een kopie van een brief van 9 oktober 2024 toe:
“Hierbij wil ik een hoger beroep aantekenen tegen de uitspraak in de zaken BRE 23/3798, BRE 23/10333 en BRE 23/10334. Het betreft de belastingjaren 2012, 2019 en 2020. Kopie van de uitspraak heb ik bijgevoegd.”
De brief van 9 oktober 2024 is niet door het hof ontvangen.
2.8.
De griffier heeft belanghebbende bij brief van 21 november 2024 gemeld dat de brief van 9 oktober 2024 niet door het hof is ontvangen. Tevens vraagt de griffier aan belanghebbende de volgende vragen te beantwoorden en de gevraagde bewijsstukken aan het hof te sturen:
“1. Uit uw brief van 9 oktober 2024 maakt het hof op dat deze aangetekend is verstuurd. Graag ontvang ik van u het bewijs van aangetekende verzending en een kopie van de track–en– tracegegevens van de postbezorging.
2. Mocht uw brief van 9 oktober 2024 niet aangetekend naar het hof zijn gestuurd dan ontvang ik graag bewijsstukken waaruit blijkt dat u deze brief op (of rondom) 9 oktober 2024 naar het hof heeft gestuurd en bewijsstukken dat het hof deze brief heeft ontvangen.
(…)”
2.9.
Belanghebbende heeft bij brief van 11 december 2024, onder meer, geschreven dat het hogerberoepschrift van 9 oktober 2024 niet aangetekend is verstuurd. De gemachtigde van belanghebbende heeft verder vermeld in de brief dat zij het hogerberoepschrift persoonlijk naar het postkantoor heeft gebracht en heeft ten bewijze daarvan een kopie van een kassabon van Deutsche Post overgelegd, gedateerd 9 oktober 2024, waarop onder meer staat vermeld ‘Frankierlabel Brief 4,60’.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:
heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep van belanghebbende tegen de vordering (loonbeslag) als bedoeld in artikel 19 IW Pro ongegrond is?
heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat zij niet bevoegd is voor zover het beroep betrekking heeft op het WOO-verzoek?
heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de ontvanger uitspraken op bezwaar moet doen met betrekking tot de bij de aanslagen IB/PVV 2012 en 2019 in rekening gebrachte kosten en invorderingsrente?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en het veroordelen van de Belastingdienst tot het betalen van het bedrag van € 16.479. De ontvanger concludeert tot gegrondverklaring van zijn incidenteel hoger beroep.

4.Gronden

Vooraf
Uitnodiging ter zitting
4.1.
Zoals volgt uit de onder 1.9 vermelde bericht is de uitnodiging voor de zitting bij het hof op 24 november 2025 in Mijn Rechtspraak geplaatst. Op die dag is een e-mail verstuurd naar het e-mailadres [email adres gemachtigde] De gemachtigde van belanghebbende heeft zich aangemeld bij Mijn Rechtspraak en daarbij dit e-mailadres opgegeven. Dit is daarom het emailadres waar het systeem (Mijn Rechtspraak) de notificaties heen stuurt. Het hof gaat er daarom van uit dat de e-mail met de notificatie aan het juiste e-mailadres is verstuurd. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. [1]
Ontvankelijkheid hoger beroep
4.2.
Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes klachten tegen de uitspraak van de rechtbank, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het hoger beroep ontvankelijk is.
4.3.
De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken. [2] Deze termijn begint de dag na die waarop de uitspraak van de rechtbank op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [3] Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4] De wet biedt daarnaast een tegemoetkoming voor die gevallen waarin een hoger beroep uiterlijk één week na deze termijn is ontvangen. Een dergelijk hoger beroep wordt toch geacht tijdig ingediend te zijn indien het stuk vóór het einde van de hogerberoepstermijn ter post is bezorgd. [5]
4.4.
Het hoger beroep wordt bij niet-tijdig indienen in beginsel niet-ontvankelijk verklaard, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Op grond van artikel 6:11 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is sprake indien: (i) belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn het hoger beroepschrift heeft ingediend als gevolg van een haar niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het hoger beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. [6] Of artikel 6:11 Awb Pro van toepassing is, moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig hoger beroep in te stellen. [7]
4.5.
De rechtbank heeft op 11 september 2024 uitspraak gedaan. De uitspraak is op dezelfde dag (11 september 2024) verzonden naar het adres van de gemachtigde. Dit geldt als de dag van bekendmaking van deze uitspraak. Met deze bekendmaking gaat de termijn voor het instellen van hoger beroep lopen. [8] De hogerberoepstermijn is aangevangen op (donderdag) 12 september 2024 en eindigde op (vrijdag) 23 oktober 2024. Het hogerberoepschrift is, gelet op de stempel voor ontvangst, op 13 november 2024 bij de griffie van het hof ontvangen. Dit is drie weken na afloop van de hogerberoepstermijn die, gelet op dat wat hiervoor is overwogen, op 23 oktober 2024 is afgelopen en daarmee is het hogerberoepschrift te laat ingediend. De tegemoetkoming zoals omschreven onder 4.3 is niet van toepassing, aangezien dit stuk meer dan één week na 23 oktober 2024 is ontvangen.
4.6.
Het hof komt vervolgens toe aan behandeling van de stelling van belanghebbende dat het hogerberoepschrift eerder bij de post is aangeboden, maar (om onbekende redenen) niet is aangekomen bij het hof. Belanghebbende stelt dat dit stuk op 9 oktober 2024 ter post in Duitsland is aangeboden. De bewijslast hiervan rust op belanghebbende. [9] Belanghebbende heeft hiertoe een kassabon van Deutsche Post overgelegd, gedateerd op 9 oktober 2024 en betrekking hebbende op de aankoop van een aantal frankeerlabels.
4.7.
Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende, met hetgeen hij naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk gemaakt dat het hogerberoepschrift tijdig ter post is bezorgd. De blote stelling dat het hogerberoepschrift op 9 oktober 2024 in Duitsland is aangeboden bij het postkantoor, in combinatie met het overleggen van de kassabon van Deutsche Post, is daartoe onvoldoende. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de kassabon geen verwijzing bevat naar belanghebbende, de betaling door belanghebbende, of naar het desbetreffende poststuk. Ook volgt uit de kassabon voor de aankoop van frankeerlabelss niet dat het hogerberoepschrift op of rondom 9 oktober 2024 ter post is bezorgd. Uit de overgelegde kassabon kan enkel worden afgeleid dat op 9 oktober 2024 frankeerlabels zijn aangeschaft. Derhalve is niet dan wel onvoldoende gebleken dat sprake is van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid. Belanghebbende noch gemachtigde zijn, hoewel correct opgeroepen, op zitting verschenen en hebben daarom ook geen antwoord kunnen geven op de vragen die het hof hierover heeft of anderszins een toelichting kunnen verstrekken. Dit komt voor rekening en risico van belanghebbende.
4.8.
Uit bovenstaande volgt dat het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof zal hierna het incidenteel hoger beroep van de ontvanger behandelen.
Ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep
4.9.
Artikel 8:111, lid 1, Awb luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep, tenzij die niet-ontvankelijkheid het gevolg is van:
a. overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep,
(…)”
4.10.
Nu het hoger beroep van belanghebbende vanwege overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard, volgt uit artikel 8:111, lid 1, onderdeel a, Awb dat het incidenteel hoger beroep van de ontvanger eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard. [10]
Tussenconclusie
4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk is. Het incidenteel hoger beroep van de ontvanger is eveneens niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk; en
  • verklaart het incidenteel hoger beroep van de ontvanger niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Bijlage: schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs van de uitnodiging voor de zitting
Bijlage: schermprinten van de statusinformatie van het verzendbewijs van de link om digitaal deel te nemen aan de zitting

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:158.
2.Artikel 6:7 Awb Pro in verbinding met artikel 6:24 Awb Pro.
3.Artikel 6:8, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb Pro.
4.Artikel 6:9, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb Pro.
5.Artikel 6:9, lid 2, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb Pro.
6.Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.3.
7.Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.4.
8.Artikel 6:8, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb Pro.
9.Hoge Raad 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1423.
10.Vgl. Hoge Raad 10 augustus 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3119.