Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1156

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
20-001588-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 160 Wegenverkeerswet 1994Art. 164 Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor weigering bloedonderzoek bij verkeerscontrole

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld wegens het niet opvolgen van een bevel tot bloedonderzoek tijdens een verkeerscontrole. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd vanwege onvoldoende motivering, waarna het hof het tenlastegelegde opnieuw bewezen verklaarde.

De verdediging voerde vrijspraak aan omdat er geen gegronde verdenking was voor de controle en het bloedonderzoek, maar het hof oordeelde dat de controle rechtmatig was op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet Pro 1994 en dat de weigering van het bloedonderzoek wettig en overtuigend was bewezen. Het verzoek tot het horen van getuigen werd afgewezen omdat dit niet relevant was voor de beoordeling.

Het hof legde een geldboete van €1.000,- op, te betalen in tien maandelijkse termijnen van €100,-, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Hierbij werd rekening gehouden met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het belang van verkeersveiligheid.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €1.000,- en een gedeeltelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001588-25
Uitspraak : 10 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 4 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 96-036213-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte, ter zake van ‘
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 maanden, met aftrek, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd de verdachte in dit geval de geldboete te laten betalen in termijnen van € 100,00.
Door de verdediging is primair bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het tenlastegelegde feit. Daarbij heeft de raadsman – naar het hof begrijpt – een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van getuigen. Subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 31 januari 2025 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 31 januari 2025 te Eindhoven, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Vrijspraakverweer
Door de verdediging is bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken. Daartoe is door de raadsman – naar het hof begrijpt en kort gezegd – aangevoerd dat de verbalisanten in kwestie geen reden hadden om verdachte te controleren en de kofferbak van verdachte te openen, nu hij geen afwijkend rijgedrag vertoonde. Voorts is het opvallend dat het proces-verbaal geen vermelding maakt van het openen van de kofferbak en dat er vier verbalisanten nodig waren voor één verkeerscontrole. Daarnaast is het de vraag of de uiterlijke kenmerken van de bestuurder die in het dossier staan voldoende aanleiding gaven om te vermoeden dat de verdachte onder invloed was van drugs of een andere stof. De verdenking van rijden onder invloed is daardoor onvoldoende aannemelijk geworden en derhalve dient vrijspraak te volgen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt, aan de hand van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, vast dat verdachte op 31 januari 2025 als bestuurder van een personenauto door verbalisanten is gevorderd zijn voertuig te doen stilhouden op grond van de algemene controlebevoegdheid als bedoeld in artikel 160 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. In het proces-verbaal van rijden onder invloed hebben de verbalisanten tevens beschreven welke kenmerken verdachte vertoonde die ertoe hebben geleid dat er een verdenking van rijden onder invloed is ontstaan. Verdachte heeft van meet af aan geweigerd om mee te werken aan de controle die de verbalisanten probeerde uit te voeren en heeft zulks ter terechtzitting in hoger beroep ook bekend. Dat geldt eveneens voor het weigeren van het door de hulpofficier van justitie bevolen bloedonderzoek op het politiebureau te Eindhoven. Uit hetgeen door de verdachte en raadsman is aangevoerd is het hof geenszins gebleken van het bestaan van gronden die deze weigering(en) rechtvaardigen.
Ten overvloede overweegt het hof dat het verweer van de raadsman, inhoudende dat vrijspraak moet volgen omdat er geen verdenking van rijden van invloed bestond, geen feitelijke grondslag treft.
Derhalve is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte geweigerd heeft om medewerking te verlenen aan het door de hulpofficier van justitie bevolen bloedonderzoek. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen
Door de raadsman is – naar het hof begrijpt – een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het als getuigen horen van de verbalisanten in kwestie, in het geval de verdachte niet wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde feit.
Het hof gaat voorbij aan dit voorwaardelijk verzoek, nu het hof van oordeel is dat hetgeen door de raadsman is aangevoerd niet relevant is voor de beantwoording van een van de vragen van artikel 348 en Pro 350 Wetboek van Strafvordering en derhalve geenszins aanleiding vormt tot het horen van de verbalisanten. Zelfs in het geval waarin de gang van zaken zoals geschetst door de verdachte door de verbalisanten zou worden bevestigd, komt het hof niet tot een vrijspraak, nu in deze omstandigheden nog altijd geen gronden besloten liggen die de weigering van het bloedonderzoek door verdachte rechtvaardigen.
Ten overvloede overweegt het hof dat, indien en voor zover door de verdediging betoogd is dat er sprake is van een onrechtmatige controle, de verbalisanten op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet Pro 1994 bevoegd waren controle uit te oefenen. Voor die controle is geen concrete aanleiding of verdenking noodzakelijk.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Door de raadsman is een strafmaatverweer gevoerd. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat de verdediging zich aansluit bij de eis van de advocaat-generaal met betrekking tot de geldboete van € 1000,00, te betalen in termijnen van € 100,00, maar dat een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid gerechtvaardigd is, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij als bestuurder van een personenauto heeft geweigerd om mee te werken aan een bloedonderzoek, nadat tegen hem de verdenking was gerezen dat hij zou hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het handelen van de verdachte vormt een obstructie van de wettelijke mogelijkheden om na te gaan of, en in welke mate, een bestuurder van een motorrijtuig de door de wetgever gestelde norm betreffende verdovende middelen in het verkeer heeft overschreden, en daarmee in welke mate de veiligheid van overige verkeersdeelnemers in gevaar is gebracht. Daarmee heeft de verdachte onnodig en ongerechtvaardigd de werkzaamheden van politieambtenaren bemoeilijkt. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 februari 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht.
Alles afwegende acht het hof – met de advocaat-generaal – een geldboete ter hoogte van € 1.000,00, in combinatie met een bijkomende straf in de vorm van een ontzegging van de rijbevoegdheid – mede ter bescherming van de verkeersveiligheid – voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Met het oog op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht het hof het tevens passend en geboden om te bepalen dat de verdachte de geldboete zal betalen in tien maandelijkse termijnen van € 100,00.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke (bijkomende) straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis;
bepaalt dat het totaal van de
geldboetemag worden voldaan in
10 (tien) termijnenvan
1 maand, elke termijn groot
€ 100,00 (honderd euro);
ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
8 (acht) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot
4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. M. van der Horst en mr. T. Farber, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.F. Jansen, griffier,
en op 10 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. S.C. van Duijn en mr. T. Farber zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.