Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1157

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
20-001238-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 23 Wetboek van StrafrechtArt. 24 Wetboek van StrafrechtArt. 24a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens verlaten plaats ongeval met schade en letsel in Venlo

Op 10 december 2022 vond op het Koninginneplein te Venlo een verkeersongeval plaats waarbij verdachte, als bestuurder van een personenauto, een scooter aanreed. De bestuurder van de scooter kwam ten val en zijn scooter raakte beschadigd. Verdachte stapte uit, zag de situatie en vertrok vervolgens zonder contactgegevens achter te laten.

De politierechter veroordeelde verdachte tot twee maanden gevangenisstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in. Het hof vernietigde het vonnis omdat de politierechter onvoldoende had gemotiveerd en verklaarde bewezen dat verdachte de plaats van het ongeval had verlaten terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat schade was toegebracht.

De verdediging voerde vrijspraak aan vanwege tegenstrijdige verklaringen en onvoldoende bewijs, maar het hof achtte de verklaringen van het slachtoffer en getuigen overtuigend. Het hof legde een geldboete van €600 op, te voldoen in zes termijnen, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding van €1.500 werd integraal niet-ontvankelijk verklaard omdat de schade niet met stukken was onderbouwd. De benadeelde partij kan deze vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het arrest werd gewezen door het hof ’s-Hertogenbosch op 10 april 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €600 wegens verlaten plaats ongeval; schadevordering slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001238-24
Uitspraak : 10 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-104547-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde feit bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994’, en de verdachte te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] is integraal niet-ontvankelijk verklaard. Ten slotte heeft de politierechter de benadeelde partij veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van de verdachte, tot datum vonnis begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren, dat zal kwalificeren als overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdelen b en c van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wegenverkeerswet), en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal de integrale niet-ontvankelijkheid hiervan gevorderd.
Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsvrouw eveneens geconcludeerd tot integrale niet-ontvankelijkheid.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
zij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Venlo op/aan de Koninginnesingel, op of omstreeks 10 december 2022 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, letsel en/of schade aan een ander, te weten [slachtoffer] , is toegebracht en/of terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander, te weten [slachtoffer] , aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Venlo, op 10 december 2022 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar zij redelijkerwijs moest vermoeden, schade aan een ander, te weten [slachtoffer] , is toegebracht.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het volgende politiedossier.
Het politiedossier van de politie-eenheid Limburg, zaakregistratienummer PL2321-2023012640, [1] gesloten d.d. 24 januari 2023, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal met daarin gerelateerde bijlagen.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 22 december 2022, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :
Ik doe aangifte van verlaten plaats ongeval.
Op 10 december 2022 omstreeks 18:05 reed ik over het Koninginneplein over het fietspad. Ik reed op mijn scooter voorzien van het kenteken [kenteken 1] .
Ik kwam uit de richting van het station en ging in de richting van de Burgemeester van Reinsingel.
Ik zag dat er een personenauto op de Kaldenkerkerweg stond voor het Koninginneplein op te rijden. Ik zag dat deze auto stilstond. Ik reed door. Op het moment dat ik voorlangs deze auto reed zag ik dat deze optrok en voelde dat deze mij aanreed. Ik werd door deze auto in mijn rechterflank aangereden. Ik kwam hierdoor met mijn scooter ten val. Ik zag dat er omstanders bijkwamen die mij hielpen. Ik zag dat mijn scooter van het wegdek werd gepakt en ter hoogte van hotel Wilhelmina werd neergezet. Ik werd door omstanders opgeraapt en op de stoep neergelegd ter hoogte van hotel Wilhelmina.
Ik zag vervolgens dat de auto die mij aan had gereden wegreed. Ik zag dat er meerdere personen in de auto zaten. Ik ben al strompelend met mijn telefoon in de aanslag achter de auto aangegaan. Ik heb de achterkant en het kenteken van deze auto kunnen filmen.
------
Opmerking verbalisant [ [verbalisant] ]: Aangever toont vernoemd filmpje waarop ik zag dat de achterzijde van een grijze personenauto, merk Opel voorzien van het kenteken [kenteken 2] werd gefilmd.
------
Mijn scooter is dusdanig beschadigd dat deze total loss is verklaard. De schade is groter dan de dagwaarde.
Ik wens strafvervolging van degene die als bestuurder is doorgereden na deze aanrijding. Uiteraard wil ik ook dat de schade wordt afgehandeld.
Degene die betrokken is geweest bij het genoemde verkeersongeval of door wiens gedraging dit verkeersongeval is veroorzaakt, heeft de plaats van het verkeersongeval verlaten.
Deze persoon heeft zijn of haar identiteit niet bekend gemaakt. Voor zover hij of zij een motorrijtuig bestuurde heeft hij of zij tevens de identiteit van dat motorrijtuig niet bekend gemaakt.
Door het ongeval is schade toegebracht.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 december 2022, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :
Bij aanvang van het verhoor deelde ik de getuige het volgende mee:
Jij bent getuige geweest van een verkeersongeval op 10 december bij het Koninginneplein.
De getuige verklaarde:
Ik was getuige van het ongeluk met de jongen op de scooter. Ik ken deze jongen als [slachtoffer] .
Ik stond met mijn moeder op het station.
Ik zag dat er een auto stilstond voor de rotonde. Deze kwam vanaf de Kalderkerkerweg. Ik zag dat op het moment dat de scooterrijder voorlangs deze auto reed deze auto gas gaf. Deze had voorrang moeten verlenen aan de scooterrijder die over de rotonde reed. Ik vermoed dat de bestuurster was afgeleid door de drukte op de rotonde.
Ik zag dat de scooter flink werd aangereden. De bestuurder vloog 2 meter verder. Ik zag dat de bestuurster uitstapte en zag dat ze haar handen voor haar mond hield van schrik.
Ik zag dat een omstander de scooter verplaatste. Ik zag dat een omstander de bestuurder van de scooter opraapte en naar de stoep begeleidde. Ik zag, toen het wegdek vrij was, dat de bestuurster van de auto instapte en wegreed.
Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 1] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 23 september 2025, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] voornoemd:
Op de vragen van de advocaat-generaal antwoordt de getuige als volgt:
Advocaat-generaal: Op het fietspad gebeurde het dus als ik het goed begrijp?
Getuige: Ja, de auto stond hier en gaf ineens gas over het fietspad.
Advocaat-generaal: Heeft u gezien dat het daadwerkelijk tot een confrontatie kwam tussen het voertuig en de scooter?
Getuige: Ja. De scooter reed. De automobiliste (
het hof begrijpt: verdachte) stond in eerste instantie stil en gaf toen, ik denk dat ze het niet had gezien, gas. Toen kwam de botsing. Het was ook echt heel druk daar.
Raadsheer-commissaris: Liepen er mensen voor die auto’s langs?
Getuige: (…) Op dat moment niet op het zebrapad volgens mij niet, er liepen geen mensen voor of achter haar auto.
Advocaat-generaal: Wat gebeurde er met degene die op de scooter zat?
Getuige: Hij vloog 1 a 2 meter van de scooter af en hij lag daar. Toen ben ik daar naartoe gegaan, ik wist in eerste instantie niet wie dat was.
Advocaat-generaal: Heeft u gezien wat er toen vanuit die auto gebeurde, wat de bestuurder deed?
Getuige: Ze stapte uit, ze was heel erg geschrokken. Dat leek uit haar blik en ze had haar handen voor haar mond, ze keek wat er was gebeurd. Omdat het zo druk was kwam iedereen zich ermee bemoeien. (…) En iedereen stond ook om [slachtoffer] (
het hof begrijpt: aangever [slachtoffer]) heen, iedereen wilde hem helpen. En toen stapte zij de auto weer in, omdat het denk ik te lang duurde en ze is weggereden.
Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 18 maart 2025, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] voornoemd:
Op de vragen van de raadsheer-commissaris antwoordt de getuige als volgt.
Raadsheer-commissaris: Op 10 december 2022 zou er om 18:05 uur een aanrijding hebben plaatsgevonden tussen een auto en een scooter die op de rotonde reed van het Koninginneplein in Venlo. In die auto zou mevr. [verdachte] achter het stuur hebben gezeten. Bent u daarbij aanwezig geweest?
Getuige: Ja, ik zat voorin als bijrijder.
Raadsheer-commissaris: Wat heeft u gezien?
Getuige: Toen wij aan het rijden waren, kwam de scooter van links af. Wij reden rechtdoor. Dat was gebeurd.
Raadsheer-commissaris: Wat gebeurde er dan?
Getuige: De scooter kwam een klein beetje tegen de auto. De bestuurder (
het hof begrijpt: aangever [slachtoffer]) viel als het goed is van de scooter af.
Op de vragen van de raadsvrouw antwoordt de getuige als volgt:
Raadsvrouw: U zei zojuist dat de scooter tegen de auto is aangekomen, in ieder geval dat ze elkaar hebben geraakt. (…) Kunt u daar iets over zeggen waarom dit verschil?
Getuige: Als het goed is wel, dat is wat ik dacht over wat er is gebeurd.
Raadsheer-commissaris: Weet u zeker dat de scooter viel omdat hij in aanraking kwam met de auto?
Getuige: Ja, dat denk ik wel.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 januari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
V = vraag/opmerking verbalisant
A = antwoord/opmerking verdachte
V: Kun je in je eigen woorden vertellen wat er gebeurd was?
A: (…) Ik ben uitgestapt. Toevallig was mijn broertje ook aanwezig. Ik zag dat mijn broertje naar de jongen ging die op de scooter zat. Ik zag dat hij de jongen van de weg hielp.
Ik zag dat mijn broertje liet weten dat er niets aan de hand was. Ik ben toen dus weggereden. Ik wist eigenlijk ook niet zelf wat ik moest doen.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 maart 2026, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 10 december 2022, omstreeks 18:05 uur, de bestuurder was van de personenauto met het kenteken [kenteken 2] op het Koninginneplein te Venlo.
Het klopt dat ik meteen uit de auto ben gestapt nadat de scooterbestuurder op de grond was gevallen met zijn scooter.
Bewijsoverwegingen
Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe is door de raadsvrouw – kort gezegd – aangevoerd dat de eerdere verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] , in vergelijking met de verklaringen die zij later hebben afgelegd bij de raadsheer-commissaris, elkaar tegenspreken, waardoor er getwijfeld kan worden aan de geloofwaardigheid hiervan. Waar de verklaringen van verdachte, haar vader [betrokkene] en de bijrijder, getuige [getuige 2] , elkaar tegenspreken, is de taalbarrière daar vermoedelijk de oorzaak van en dienen daar derhalve geen gevolgen aan verbonden te worden. Door de veelvuldigheid aan verklaringen valt niet vast te stellen wat er precies heeft plaatsgevonden op de rotonde. Er is in ieder geval geen sprake van het achterlaten in een hulpeloze toestand in de zin van artikel 7, eerste lid, onderdeel c Wegenverkeerswet. De aangever onderbouwt evenmin de schade aan zijn scooter of het letsel dat hij zou hebben ondervonden als gevolg van de vermeende aanrijding. Er is daardoor ook niet voldaan aan het bewijsminimum voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde onderdelen a en b van artikel 7, eerste lid Wegenverkeerswet, als gevolg waarvan integrale vrijspraak dient te volgen, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de stukken in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat verdachte, als bestuurder van een personenauto, op 10 december 2022 op het Koninginneplein te Venlo, aangever heeft aangereden terwijl laatstgenoemde op zijn scooter reed. Als gevolg daarvan is aangever hard met zijn scooter ten val gekomen en is er schade ontstaan aan de scooter van aangever. Hoewel de schade niet nader is onderbouwd door aangever acht het hof de verklaring van aangever over de toedracht van de aanrijding en de daardoor veroorzaakte schade bevestigd in de getuigenverklaring van [getuige 1] , die het ongeval heeft zien gebeuren en sprak van een flinke aanrijding. Aangever is vervolgens met zijn scooter omhoog geholpen door omstanders, terwijl verdachte vervolgens is weggereden zonder haar contactgegevens achter te laten of zich op andere wijze om aangever te bekommeren.
Het hof is van oordeel dat verdachte na de aanrijding redelijkerwijs moest vermoeden dat (de scooter van) aangever schade had opgelopen omdat deze ten val was gekomen, omdat zij meteen uit de auto is gestapt nadat aangever met zijn scooter is gevallen en ook gezien moet hebben dat aangever gevallen was. Dat laatste volgt naar het oordeel van het hof uit het feit dat zij erg geschrokken was van het incident en heeft gezien dat haar broertje aangever van de weg af heeft geholpen. Dat verdachte dit gezien heeft wordt bovendien bevestigd door getuige [getuige 1] die verklaarde dat de verdachte uitstapte en zag wat er gebeurd was. Daar de verdachte gezien heeft dat de aangever met de scooter gevallen was, had zij moeten controleren of er sprake was van schade aan de scooter en/of haar contactgegevens aan aangever moeten geven, voordat zij de plaats van het ongeval verliet.
Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat er schade was toegebracht, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b Wegenverkeerswet.
Het verweer van de raadsvrouw wordt weerlegd door het hiervoor overwogene en de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd en behoeft derhalve geen nadere bespreking.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Door de verdediging is een strafmaatverweer gevoerd. Daartoe is – kort gezegd – door de raadsvrouw aangevoerd dat de verdediging zich kan vinden in de strafeis van de advocaat-generaal, te weten een taakstraf voor de duur van 40 uren, omdat verdachte een blanco strafblad heeft, zij recent moeder is geworden na een intensieve zwangerschap, zij haar studie aan het afronden is en nog vervolgstudies zou willen doen in de toekomst. Deze persoonlijke omstandigheden zijn niet te combineren met een gevangenisstraf. Voorts blijkt uit het procesdossier dat verdachte geen kwade bedoelingen heeft gehad, maar overweldigd is geraakt door de schrik, drukte en stress die gemoeid gingen met de situatie.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich op 10 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval, nadat zij, als bestuurder van een personenauto, aangever [slachtoffer] had aangereden, terwijl hij op zijn scooter over de rotonde aan het Koninginneplein te Venlo reed, waar verdachte voorrang had moeten verlenen. Aangever is door de aanrijding hard ten val gekomen, waardoor er schade aan zijn scooter is ontstaan. Verdachte is uitgestapt en heeft gezien dat aangever en diens scooter waren gevallen. Terwijl aangever en zijn scooter door omstanders omhoog werden geholpen, is verdachte weggereden zonder op enigerlei wijze contact te leggen met aangever of in ieder geval haar contactgegevens aan aangever te verstrekken. Door aldus te handelen heeft verdachte zich onvoldoende rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en van haar verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten en dus als ‘
first offender’ moet worden beschouwd.
Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht.
Alles afwegende, met in het bijzonder in acht genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht het hof – anders dan de advocaat-generaal – een geldboete ter hoogte van € 600,00, passend en geboden. Met het oog op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht het hof het tevens passend en geboden om te bepalen dat de verdachte de geldboete zal betalen in zes maandelijkse termijnen van € 100,00.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.500,00 aan materiële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft de gehele vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Het hof is – met de advocaat-generaal en de verdediging – van oordeel dat enige grondslag voor toewijzing van voornoemd bedrag ontbreekt, zodat de materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Door de benadeelde is de ernst van de gestelde schade niet met stukken onderbouwd. Het hof kan daardoor niet vaststellen in welke mate het bewezenverklaarde handelen van verdachte materiële schade heeft veroorzaakt aan de zijde van de benadeelde partij. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
6 (zes) dagen hechtenis;
bepaalt dat het totaal van de
geldboetesmag worden voldaan in
6 (zes) termijnenvan
1 maand, elke termijn groot
€ 100,00 (honderd euro).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. M. van der Horst, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. T. Farber, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.F. Jansen, griffier,
en op 10 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. S.C. van Duijn en mr. T. Farber zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Op het voorblad van het politiedossier in kwestie stond aanvankelijk het zaakregistratienummer PL2300-2023012640 aangegeven, echter is dit vervangen met PL2321-2023012640. Overige stukken in het procesdossier bevatten tevens het zaakregistratienummer PL2300-2022193537.