ECLI:NL:GHSHE:2026:119

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
20-003308-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake overtreding van de Meststoffenwet door een rechtspersoon met betrekking tot fosfaatproductie

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte, een rechtspersoon, was eerder veroordeeld tot een geldboete van € 7.500,00 wegens overtredingen van de Meststoffenwet, specifiek voor het opzettelijk overschrijden van het fosfaatrecht in de kalenderjaren 2019 en 2020. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Het hof heeft de zaak onderzocht op basis van de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg, waarbij het hof kennis heeft genomen van de vordering van de advocaat-generaal en de argumenten van de verdediging. De advocaat-generaal vorderde vernietiging van het eerdere vonnis en veroordeling van de verdachte tot betaling van een geldboete, terwijl de verdediging pleitte voor vrijspraak of een voorwaardelijke straf. Het hof heeft de argumenten van de verdediging verworpen en bevestigd dat de verdachte opzettelijk meer fosfaat heeft geproduceerd dan toegestaan. Het hof heeft de geldboete vastgesteld op € 7.250,00, waarvan € 3.500,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De beslissing is gebaseerd op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de Meststoffenwet, en het hof heeft rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte en de ernst van de feiten. Het hof heeft de eerdere beslissing van de economische politierechter bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003308-23
Uitspraak : 16 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 82-140797-23 tegen:

[verdachte] ,

statutair gevestigd te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:
 overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (hof: ziende op overschrijding van het fosfaatrecht in het kalenderjaar 2019, zoals tenlastegelegd onder 1);
 overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon (hof: ziende op overschrijding van het fosfaatrecht in het kalenderjaar 2020, zoals tenlastegelegd onder 2),
veroordeeld tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 7.500,00.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2 en de verdachte zal veroordelen tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 7.500,00, waarvan € 3.750,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit, subsidiair is verzocht om de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en meer subsidiair, in geval van een veroordeling, is verzocht te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijk geldboete.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen en met uitzondering van de strafoplegging. Gelet daarop, zal het hof tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Naast de door de economische politierechter gebezigde bewijsmiddelen, zoals opgesomd opgenomen op pagina 6 van het beroepen vonnis, komt de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 mede te berusten op de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 december 2025.
Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zullen alle redengevende bewijsmiddelen uitgewerkt worden opgenomen in een aanvulling op dit verkorte arrest, welke aanvulling aan dit arrest zal worden gehecht. De economische politierechter heeft immers in het beroepen vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Aanvulling van de bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit.
Daartoe is primair aangevoerd dat de verdachte van mening is dat zij telkens minder fosfaat heeft geproduceerd dan het in het desbetreffende kalenderjaar geregistreerde fosfaatrecht. Het melkveebedrijf realiseert feitelijk een veel lagere mestproductie dan forfaitair is vastgesteld en dan het geregistreerde fosfaatrecht. De verdediging is van oordeel dat de fosfaatproductie dient te worden berekend aan de hand van de KringloopWijzer, die uitgaat van een feitelijke bedrijfsspecifieke excretie, en niet op grond van de berekenings-systematiek die de NVWA heeft gehanteerd.
Subsidiair is door de verdediging aangevoerd dat, zelfs als van de forfaitaire productie wordt uitgegaan, deze voor de jaren 2019 en 2020 niet juist zijn vastgesteld. De gegevens uit de melkrobots van [bedrijf] zijn onbetrouwbaar, omdat deze niet geijkt zijn, en komen niet overeen met de daadwerkelijke productie. De berekening van de fosfaatproductie in het NVWA-rapport is onjuist en onzorgvuldig tot stand gekomen en kan niet tot bewijs dienen van de overschrijding.
In het verlengde van het voorgaande is de verdediging meer subsidiair van oordeel dat de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. Indien de fosfaatproductie in de tenlastelegging formeel slechts op één manier kan worden berekend, is sprake van een enkel theoretische overschrijding als gevolg van die berekening. Hoewel dan een bewezenverklaring zou kunnen volgen, is feitelijk niet te veel fosfaat geproduceerd. Nu aan het doel van de regelgeving is voldaan, dient de verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
In aanvulling op hetgeen de economische politierechter reeds op pagina’s 6 en 7 van het vonnis heeft overwogen, overweegt het hof nog als volgt.
Forfaitaire berekening van de fosfaatproductie
Zoals volgt uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2025/16, 34 532, nr. 3, paragrafen 4.2 en 4.3.1) bij het wetsvoorstel ter invoering van het fosfaatrechtenstelsel, heeft de wetgever expliciet de keuze gemaakt om in de regelgeving niet de daadwerkelijke fosfaatproductie als uitgangspunt te nemen, maar uit te gaan van een forfaitaire berekening. Daaraan dient elk melkveebedrijf in Nederland zich te houden en dus ook de verdachte. In economisch opzicht is dat ook nodig om eerlijke concurrentie te waarborgen. Nog daargelaten of op grond van de KringloopWijzer tot een juiste berekening van de fosfaatproductie kan worden gekomen, is dit in het kader van de Meststoffenwet geen door de wetgever geaccordeerde rekenmethode. De verdachte dient derhalve op basis van de forfaitaire excretiewaarden uit de Meststoffenwet verantwoording af te leggen binnen het stelsel van fosfaatrechten.
Ten aanzien van het gebruik van de KringloopWijzer wijst het hof nog naar volgende passage uit de hierboven aangehaalde Memorie van Toelichting:
“Om bedrijfsspecifieke verantwoording in het kader van onderhavig wetsvoorstel voor de toekomst mogelijk te maken is in het wetsvoorstel, met het voorgestelde artikel 21b, tweede lid, een voorziening opgenomen die het mogelijk maakt om gebruik te maken van een door de Minister van Economische Zaken aan te wijzen methode en onder bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. De Minister kan een dergelijke methode voor bedrijfsspecifieke verantwoording aanwijzen indien aannemelijk is dat daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de naleving van een verplichting op grond van een voor Nederland verbindend verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
Zoals door de Staatssecretaris van Economische Zaken per brief van 2 juli 2015 aangegeven ligt voor een dergelijke bedrijfsspecifieke verantwoording het gebruik van de KringloopWijzer het meest voor de hand. De KringloopWijzer brengt de mineralenefficiëntie in beeld waardoor op bedrijfsniveau kan worden gestuurd op de benutting van mineralen. (…)
Voorwaarde voor aanwijzing door de Minister is dat de systematiek en rekenregels van de KringloopWijzer onafhankelijk en wetenschappelijk worden getoetst, dat de KringloopWijzer privaat geborgd wordt en dat er duidelijke criteria zijn op basis waarvan vastgesteld kan worden welke bedrijven wel en welke bedrijven niet op een verantwoorde wijze hun mineralenkringloop kunnen verantwoorden met de KringloopWijzer. Over de wijze waarop invulling gegeven gaat worden aan deze voorwaarden vindt intensief overleg plaats tussen het Ministerie van Economische Zaken en de zuivelketen.
Tot het moment waarop de Minister een methode aanwijst op basis waarvan bedrijven met melkvee bedrijfsspecifiek verantwoording af kunnen leggen dienen bedrijven met melkvee op basis van de forfaitaire excretiewaarden uit de Meststoffenwet verantwoording af te leggen binnen het stelsel van fosfaatrechten."
Het hof overweegt dat een dergelijk aanwijzing door de Minister (nog) niet heeft plaatsgevonden.
Betrouwbaarheid productiecijfers
Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat de gegevens uit de melkrobots van [bedrijf] onbetrouwbaar zijn omdat deze niet zijn geijkt, overweegt het hof in de eerste plaats dat de verdachte zelf verantwoordelijk is voor een juiste registratie van de melkproductie. Hoewel uit het door de verdediging overgelegde e-mailbericht d.d. 15 november 2023 van [medewerker] van [bedrijf] volgt dat de verdachte sinds eind 2017 geen serviceovereenkomst bij [bedrijf] meer heeft, is naar het oordeel van het hof op geen enkele manier in het onderhavige onderzoek gebleken dat de melkproductie-gegevens van de kalenderjaren 2019 en 2020 onbetrouwbaar zijn. Sterker nog: de bestuurder [vertegenwoordiger] als vertegenwoordiger van de verdachte, heeft in zijn verhoor op 12 augustus 2021 ten overstaan van de buitengewoon opsporingsambtenaren [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] verklaard dat de (hem in het verhoor gepresenteerde) gegevens betreffende de door de [bedrijf] melkrobots geregistreerde melkproductie over de jaren 2019 en 2020 wel zullen kloppen. Het hof is dan ook van oordeel dat van die gegevens kan en dient te worden uitgegaan.
Daderschap rechtspersoon, opzet en materiële wederrechtelijkheid
Volgens de wetsgeschiedenis en bestendige jurisprudentie kan een rechtspersoon (in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht) worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan kan (onder andere) sprake zijn indien de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon.
Het hof overweegt daartoe dat de verdachte een landbouwer is, op het bedrijf melkvee houdt en derhalve dierlijke meststoffen produceert. Het produceren van dierlijke meststoffen met melkvee past derhalve in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Gelet hierop, kunnen de handelingen, in dit geval het meer produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht, aan de verdachte worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte hierop ook voorwaardelijk opzet gehad. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 december 2025 heeft de vertegenwoordiger van de verdachte verklaard dat hij ten aanzien van de fosfaatproductie “op gevoel” heeft gehandeld, terwijl hij in verhoor bij de NVWA heeft verklaard dat hij wel wist dat “we goed molken, maar niet dat het zó hoog was”. Het hof leidt daaruit af dat de verdachte wel wist dat de melkproductie aan de hoge kant lag maar niettemin heeft nagelaten het verloop van de hoeveelheid geproduceerde melk in verhouding tot het fosfaatrecht waarover de verdachte beschikte, in de gaten te houden. Bovendien verklaarde de vertegenwoordiger ter terechtzitting in hoger beroep dat hij niet heeft geïnformeerd naar de wettelijke verplichtingen die het bedrijf diende na te leven. Door daarvan af te wijken en uit te gaan van de (niet door de Minister als toegelaten rekenmethode aangewezen) KringloopWijzer, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het bedrijf meer fosfaat zou produceren dan het rechten had.
Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft de wetgever bepaald dat op basis van de forfaitaire excretiewaarden uit de Meststoffenwet verantwoording moet worden afgelegd. Ten aanzien van het verweer dat de verdachte mogelijk het op het bedrijf rustende fosfaatrecht feitelijk niet daadwerkelijk zou hebben overschreden indien zou worden uitgegaan van de fosfaatproductie berekend aan de hand van de KringloopWijzer en derhalve geen sprake zou zijn van materiële wederrechtelijkheid, overweegt het hof dat die berekeningsmethode – zo de daaraan ten grondslag liggende gegevens al juist zouden zijn – expliciet door de wetgever is uitgesloten. Derhalve is het hof van oordeel dat er geen grond is voor ontslag van alle rechtsvervolging.
Het hof verwerpt het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen en bevestigt de beslissing van de economische politierechter tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
Op te leggen straf
Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals van één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft zich in de kalenderjaren 2019 en 2020 schuldig gemaakt aan overtreding van de Meststoffenwet door opzettelijk meer dierlijke meststoffen met melkvee te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Dit handelen van de verdachte leidt tot oneerlijke concurrentie ten opzichte van bedrijven die zich wel aan de regels houden. Het hof neemt dit de verdachte kwalijk.
Bij de straftoemeting heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een haar betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 oktober 2025, niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Daarnaast blijkt uit voornoemd uittreksel, alsook ambtshalve bij het hof bekend, dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is in verband met de strafzaak onder parketnummer 20-003312-24, waarin aan de verdachte dezelfde feiten zijn tenlastegelegd, doch in de kalenderjaren 2021 en 2022. Het hof, gelijktijdig uitspraak doende in beide strafzaken, heeft met deze omstandigheid rekening gehouden bij de strafoplegging.
Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige op de aard en hoedanigheid van de rechtspersoon ziende omstandigheden en haar draagkracht, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Alles afwegende, acht het hof oplegging van een geldboete ten bedrage van € 7.500,00, waarvan € 3.500,00 voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof heeft daarbij met de draagkracht van de verdachte rekening gehouden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg (met ruim drie maanden) zal het hof op het onvoorwaardelijk deel van de geldboete (€ 4.000,00) een bedrag van € 250,00 in mindering brengen, zodat zal worden opgelegd een geldboete van € 7.250,00, waarvan € 3.500,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Het hof acht een proeftijd van deze duur noodzakelijk ter voorkoming van recidive. Het hof is van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete, zoals door de verdediging bepleit, geen recht doet aan de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, zodat het hof die afdoeningsmogelijkheid ter zijde schuift.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 21b van de Meststoffenwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 7.250,00 (zevenduizend tweehonderdvijftig euro).
Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot
€ 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. M.M. Koevoets en mr. R. de Bree, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 16 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. De Bree is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.