In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte, een rechtspersoon, was eerder veroordeeld tot een geldboete van € 7.500,00 wegens overtredingen van de Meststoffenwet, specifiek voor het opzettelijk overschrijden van het fosfaatrecht in de kalenderjaren 2019 en 2020. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Het hof heeft de zaak onderzocht op basis van de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg, waarbij het hof kennis heeft genomen van de vordering van de advocaat-generaal en de argumenten van de verdediging. De advocaat-generaal vorderde vernietiging van het eerdere vonnis en veroordeling van de verdachte tot betaling van een geldboete, terwijl de verdediging pleitte voor vrijspraak of een voorwaardelijke straf. Het hof heeft de argumenten van de verdediging verworpen en bevestigd dat de verdachte opzettelijk meer fosfaat heeft geproduceerd dan toegestaan. Het hof heeft de geldboete vastgesteld op € 7.250,00, waarvan € 3.500,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De beslissing is gebaseerd op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht en de Meststoffenwet, en het hof heeft rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte en de ernst van de feiten. Het hof heeft de eerdere beslissing van de economische politierechter bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging.