ECLI:NL:GHSHE:2026:120

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
20-003307-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in relatie tot leaseprijzen van fosfaatrechten

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant. De zaak betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, specifiek gerelateerd aan leaseprijzen van fosfaatrechten. De economische politierechter had eerder vastgesteld dat de betrokken rechtspersoon een bedrag van € 36.331,62 aan wederrechtelijk verkregen voordeel had en dit bedrag als betalingsverplichting aan de Staat had opgelegd. De betrokkene heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof de vordering van de advocaat-generaal gehoord, die bevestiging van het eerdere vonnis vroeg. De raadsman van de betrokkene voerde aan dat de berekening van het wederrechtelijk voordeel gebaseerd moest worden op lagere gemiddelde leaseprijzen van fosfaatrechten, zoals vermeld in een verklaring van een medewerker van een bedrijf. Het hof heeft echter geoordeeld dat de door de verdediging aangevoerde prijzen geen gemiddelde prijzen zijn, maar prijzen uit specifieke maanden. Het hof heeft besloten om de gemiddelde leaseprijzen te hanteren zoals deze zijn vastgesteld in nota's van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Daarnaast heeft het hof de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg geconstateerd, maar heeft dit niet geleid tot een matiging van de betalingsverplichting. Het hof heeft het vonnis van de economische politierechter bevestigd, waarbij de betalingsverplichting van € 36.331,62 aan de Staat der Nederlanden is gehandhaafd. Het arrest is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier en is op 16 januari 2026 openbaar gemaakt.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003307-23 (OWV)
Uitspraak : 16 januari 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 23 november 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer
82-140797-23 tegen:

[betrokkene] ,

statutair gevestigd te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de economische politierechter het door de betrokken rechtspersoon wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 36.331,62 en is aan de betrokkene een betalingsverplichting aan de Staat opgelegd voor een gelijk bedrag.
Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene door haar raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De raadsman van de betrokkene heeft aangevoerd dat bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel dient te worden uitgegaan van lagere gemiddelde leaseprijzen van fosfaatrechten, namelijk de gemiddelde prijzen zoals deze in een verklaring van [medewerker] van het bedrijf [bedrijf] zijn vermeld, te weten over het jaar 2019 een gemiddelde leaseprijs van € 28,00 en over het jaar 2020 een gemiddelde leaseprijs van
€ 32,00. De raadsman heeft voorts verzocht het te ontnemen bedrag te matigen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust, met aanvulling van de overweging en van de bewijsmiddelen met de ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 12 december 2025 afgelegde verklaring van de vertegenwoordiger van de betrokken rechtspersoon.
Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, zullen alle redengevende bewijsmiddelen uitgewerkt worden opgenomen in een aanvulling op dit verkorte arrest, welke aanvulling aan dit arrest zal worden gehecht. De economische politierechter heeft immers in het beroepen vonnis volstaan met het benoemen van de bewijsmiddelen in de overweging, zonder de inhoud van die bewijsmiddelen weer te geven. Het hof is echter gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Aanvullend op de overweging van de economische politierechter overweegt het hof nog het volgende.
De verdediging heeft aangevoerd dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van lagere gemiddelde leaseprijzen van fosfaatrechten dan de gemiddelde prijzen die zijn gebruikt in het proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (
hierna: NVWA) d.d. 22 september 2021. Ter onderbouwing heeft de verdediging verwezen naar een e-mailbericht d.d. 16 november 2023 afkomstig van [medewerker] van het bedrijf [bedrijf] . Dit bericht luidt als volgt:
“Dag [naam] ,
De huur prijzen voor fosfaat waren:
€ 32,- in juni 2020
€ 28,- in juni 2019
Vriendelijke groet, [medewerker] ”
Nog daargelaten de vraag welke expertise [medewerker] heeft en waarop voornoemde prijzen zijn gebaseerd, constateert het hof dat – anders dan door de verdediging gesteld – de door [medewerker] vermelde prijzen geen gemiddelde prijzen over het jaar 2019 respectievelijk het jaar 2020 zijn. Immers, in dat bericht zouden het de (gemiddelde) prijzen in (telkens) de maand juni betreffen.
Aangezien niet bekend is op welke datum of in welke maand van de jaren 2019 en 2020 de aanvullend nog benodigde fosfaatrechten (in lease) zouden (moeten) zijn aangeschaft, zal het hof bij de berekening van het geschatte wederrechtelijk voordeel uitgaan van de gemiddelde leaseprijzen zoals deze zijn berekend en uitgebreid verantwoord in de nota’s leaseprijzen fosfaatrechten 2019 en 2020 van de NVWA d.d. 1 april 2020 respectievelijk 21 april 2021. In die nota’s zijn aan de hand van de daadwerkelijke prijsontwikkeling van de leaseprijzen fosfaatrecht gedurende de genoemde jaren, de gemiddelde leaseprijzen berekend. Het hof acht de bepaling van de bij de berekening van het geschatte wederrechtelijk voordeel te hanteren gemiddelde leaseprijs van fosfaatrechten, zoals beschreven in deze nota’s, meer adequaat en betrouwbaar dan de leaseprijzen zoals deze enkel in het hiervoor aangehaalde e-mailbericht zijn vermeld.
Tenslotte overweegt het hof nog als volgt ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, welke termijn in eerste aanleg is overschreden (met ruim drie maanden). Nu het hof deze overschrijding van de redelijke termijn al heeft verdisconteerd in het met deze ontnemingszaak samenhangende arrest in de hoofdzaak onder parketnummer 20-003308-23, welk arrest eveneens heden is uitgesproken, zal het hof in de onderhavige ontnemingszaak volstaan met de constatering dat met de overschrijding van de redelijke termijn inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het EVRM.
Tegen deze achtergrond acht het hof geen grond aanwezig om de betalingsverplichting te matigen. Het hof bevestigt mitsdien de in eerste aanleg aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling van een bedrag van € 36.331,62 aan de Staat der Nederlanden ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. M.M. Koevoets en mr. R. de Bree, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,
en op 16 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. De Bree is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.