In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant. De zaak betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, specifiek gerelateerd aan leaseprijzen van fosfaatrechten. De economische politierechter had eerder vastgesteld dat de betrokken rechtspersoon een bedrag van € 36.331,62 aan wederrechtelijk verkregen voordeel had en dit bedrag als betalingsverplichting aan de Staat had opgelegd. De betrokkene heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.
Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof de vordering van de advocaat-generaal gehoord, die bevestiging van het eerdere vonnis vroeg. De raadsman van de betrokkene voerde aan dat de berekening van het wederrechtelijk voordeel gebaseerd moest worden op lagere gemiddelde leaseprijzen van fosfaatrechten, zoals vermeld in een verklaring van een medewerker van een bedrijf. Het hof heeft echter geoordeeld dat de door de verdediging aangevoerde prijzen geen gemiddelde prijzen zijn, maar prijzen uit specifieke maanden. Het hof heeft besloten om de gemiddelde leaseprijzen te hanteren zoals deze zijn vastgesteld in nota's van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Daarnaast heeft het hof de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg geconstateerd, maar heeft dit niet geleid tot een matiging van de betalingsverplichting. Het hof heeft het vonnis van de economische politierechter bevestigd, waarbij de betalingsverplichting van € 36.331,62 aan de Staat der Nederlanden is gehandhaafd. Het arrest is uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier en is op 16 januari 2026 openbaar gemaakt.