Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1208

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
20-003522-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en vermindering wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen drugshandel

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarin betrokkene was veroordeeld voor medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en hennep/hasjies in de periode van 15 februari 2021 tot en met 29 maart 2021.

De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €683.463,75 en een betalingsverplichting opgelegd met een gijzeling van 1080 dagen bij niet-betaling. Het hof heeft dit vonnis vernietigd omdat het zich niet kon verenigen met de vaststelling van het voordeel.

Het hof heeft het voordeel over de periode van 1 juli 2017 tot en met 29 maart 2021 geschat op €1.366.927,50, maar acht het onaannemelijk dat dit gehele bedrag aan betrokkene en medebetrokkene is toegekomen. Het hof schat dat slechts 25% van dit voordeel aan hen gezamenlijk toekomt en dat dit bedrag gelijk verdeeld moet worden. Hierdoor stelt het hof het voordeel voor betrokkene vast op €170.865,00.

De betalingsverplichting wordt opgelegd voor dit bedrag en de gijzeling bij niet-betaling wordt vastgesteld op 1080 dagen. Het arrest is gewezen door het hof 's-Hertogenbosch op 26 maart 2026.

Uitkomst: Het hof stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €170.865,00 en legt een betalingsverplichting met 1080 dagen gijzeling op.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003522-23 OWV
Uitspraak : 26 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 december 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-088678-21 tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op
€ 683.463,75 en heeft aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor dat bedrag. Tevens heeft de rechtbank het aantal dagen gijzeling dat bij niet betaling kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
De verdediging heeft bepleit dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 22 december 2023 onder parketnummer 02/088678-21 onder meer veroordeeld ter zake van het in de periode van 15 februari 2021 tot en met 29 maart 2021 medeplegen van het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne (feit 1) en van hennep/hasjies (feit 2).
Dit hof heeft bij arrest van heden (parketnummer 20-003521-23) voormelde veroordeling in stand gelaten.
Wettelijke grondslag
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel dat de betrokkene door middel van het begaan van voormelde feiten en andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, te weten de handel in verdovende middelen in de periode voorafgaande aan 15 februari 2021, zijnde vanaf 1 juli 2017 een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten.
Het hof sluit hiermee aan bij de onderzoeksperiode die door de rechtbank is gehanteerd en verwijst voor het bestaan van die aanwijzingen naar hetgeen door de rechtbank daaromtrent is overwogen op pagina 2 onderaan en pagina 3 bovenaan van het vonnis van de rechtbank.
Ook neemt het hof over hetgeen de rechtbank verder omtrent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is overwogen op de pagina’s 2 tot en met 5 van het vonnis.
Met de rechtbank neemt het hof als uitgangspunt dat uit de handel in verdovende middelen in de periode van 1 juli 2017 tot en met 29 maart 2021 in totaal een voordeel is gegenereerd van € 1.366.927,50.
Toerekening
Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal oordeelt het hof het onaannemelijk dat voormeld voordeel enkel aan de betrokkene en de medebetrokkene [medeverdachte] is toegekomen. Hoewel de betrokkene en zijn medebetrokkene op grote schaal in verdovende middelen hebben gehandeld, is onvoldoende aannemelijk geworden dat hun rol dat van het dealen aan gebruikers heeft overstegen. Gelet daarop is het ook niet onaannemelijk dat de betrokkene en zijn medebetrokkene onderdeel hebben uitgemaakt van een groter geheel en dat zij daarin niet de leidinggevende personen waren. Gelet hierop schat het hof dat van voormeld voordeel een kwart (25% ) aan de betrokkene en de medebetrokkene is toegekomen. En dat dit voordeel – bij ontbreken van aanwijzingen voor het tegendeel – ponds-pondsgewijs aan hen is toegekomen.
Dit betekent dat het hof aan de betrokkene van voormeld voordeel een bedrag van (€ 1.366.927,50 x 25% /2=) € 170.865,- zal toerekenen en het voordeel op dat bedrag zal vaststellen.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de betrokkene de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gijzeling
Het hof bepaalt het aantal dagen gijzeling dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:6:25 Wetboek Pro van Strafvordering bij niet betaling kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 170.865,00 (honderdzeventigduizend achthonderdvijfenzestig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 170.865,00 (honderdzeventigduizend achthonderdvijfenzestig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op
1080 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 26 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest te ondertekenen.