ECLI:NL:GHSHE:2026:1228

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
20-001291-24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 311 Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak vernieling en veroordeling medeplegen ladingdiefstal in vereniging

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen en medeplegen van vernieling. In hoger beroep vernietigt het hof het vonnis en spreekt de verdachte vrij van het medeplegen van vernieling, omdat onvoldoende bewijs is voor nauwe en bewuste samenwerking bij de vernielingen.

Het hof acht echter bewezen dat de verdachte samen met anderen een ladingdiefstal heeft gepleegd door zich toegang te verschaffen tot het terrein en goederen weg te nemen via inklimming. De verdachte werd kort na de diefstal op heterdaad aangehouden en kon geen aannemelijke verklaring geven voor zijn aanwezigheid.

Gezien de ernst van het feit, de omvang van de gestolen goederen en eerdere veroordelingen van de verdachte, legt het hof een gevangenisstraf van 3 maanden op, met aftrek van voorarrest. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt afgewezen wegens gebrek aan machtiging.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van vernieling en veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf voor medeplegen ladingdiefstal.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001291-24
Uitspraak : 22 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-292453-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van eendaadse samenloop van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en verbrekingen inklimming’ (feit 1, primair) en ‘medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en bepaald dat deze de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De rechtbank heeft de benadeelde partij daarbij veroordeeld in de proceskosten van de verdachte, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Tevens heeft de verdediging het hof verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 5 november 2023 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid dozen met laptops en/of een hoeveelheid dozen met monitorschermen en/of een doos met een dockingstation, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
2.
hij op of omstreeks 5 november 2023 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer hekwerken, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
en
hij op of omstreeks 5 november 2023 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer hekwerken en/of een veldkast (bediening van de poorten), in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feit 2
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat bewezen zal worden verklaard dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen hekwerken van [benadeelde 2] en hekwerken en een veldkast van [benadeelde 1] heeft vernield. Daartoe heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten die de vernielingen hebben gepleegd.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 2 tenlastegelegde. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en degenen die de vernielingen hebben gepleegd. De verdachte is enkel aangetroffen op een vrij toegankelijke parkeerplaats. Volgens de verdediging blijkt uit niets dat de verdachte enige handeling heeft verricht dat gekwalificeerd kan worden als een vernieling of dat de verdachte daar als medepleger enige rol van betekenis in gehad heeft.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de tenlastegelegde vernielingen het volgende af. Uit de camerabeelden van het bedrijf [benadeelde 1] , zoals beschreven in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] , blijkt dat op 4 november 2023 omstreeks 21:12 uur, twee personen, aangeduid in het proces-verbaal als VE2 en VE5, naar het hekwerk naast de looppoort op het terrein van [benadeelde 1] liepen. VE2 knipte het hekwerk open, waarna VE2 en VE5 onder het opengeknipte hekwerk kropen. Op 5 november 2023 vanaf 00:11 uur waren VE2 en VE5 bij de brandweerpoort en probeerden zij deze open te krijgen. Om 00:22 uur zat VE2 met zijn hand in de besturingskast (veldkast) van deze poort. Om 00:31 uur zat VE5 met zijn handen in deze besturingskast, waarna de poort open schoof en daarna gelijk weer dicht schoof. Hierna stonden VE2 en VE5 nog een tijdje bij deze poort, maar de poort ging niet meer open. Omstreeks 00:55 uur liepen VE2 en VE5 naar het eerder door hen opengeknipte hekwerk en de looppoort naast dit hekwerk. VE2 opende de looppoort, waarna VE2 en VE5 hierdoor liepen en bij de geopende poort bleven staan. VE2 is later herkend als medeverdachte [medeverdachte 2] en VE5 als medeverdachte [medeverdachte 5] . Deze beide vernielingen zijn dus gepleegd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] . Uit het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] (dossierpagina 20), blijkt voorts dat enige tijd na voornoemde vernielingen, twee verdachten een gat in een ander hekwerk (van [benadeelde 2] ) hebben gemaakt op de plek waar de verdachten eerder die nacht over het hek waren geklommen. Het is niet vast komen te staan wie deze verdachten waren.
Uit het procesdossier blijkt niet dat de verdachte heeft deelgenomen aan de vernielingen. Evenmin blijkt van een zodanige intellectuele bijdrage van de verdachte aan dat delict dat kan worden gesproken van medeplegen.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tot het plegen van de vernielingen tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan. Van enige uitvoerende of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het onder feit 2 tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof niet gebleken. Dat de verdachte heeft samengewerkt bij de naderhand gepleegde diefstallen met de personen die de hekwerken ter voorbereiding daarvan wel hebben vernield – en dus ook mede heeft geprofiteerd van die vernielingen omdat de diefstal daardoor mogelijk werd gemaakt – maakt verdachte niet zonder meer ook een medepleger van die vernielingen. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen van de vernielingen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij omstreeks 5 november 2023 te Tilburg tezamen en in vereniging met anderen een hoeveelheid dozen met laptops en een hoeveelheid dozen met monitorschermen en een doos met een dockingstation die aan [benadeelde 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een bijlage bij dit arrest. Deze bijlage wordt aan het arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
Namens de verdediging is vrijspraak bepleit van het onder feit 1 tenlastegelegde. Daartoe is – in de kern – aangevoerd dat de verdachte enkel op een vrij toegankelijk parkeerterrein is aangetroffen en dat uit niets blijkt dat de verdachte een actieve rol had in het tenlastegelegde en al helemaal niet als medepleger. Uit het politiedossier blijkt niet welke handelingen de verdachte zou hebben gepleegd en wat zijn rol bij de diefstal zou zijn geweest. De aanwezigheid van de verdachte op het parkeerterrein vraagt niet om een verklaring. De verdachte is bovendien niet herkend op de camerabeelden. Er werden verschillende wegrennende personen aangehouden op het parkeerterrein, maar de verdachte heeft verklaard niet te hebben gerend.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier stelt het hof – de rechtbank volgend en aanvullend – het volgende vast.
Bij het bedrijf [benadeelde 1] , gelegen aan [adres 2] , is in de nacht van 4 op 5 november 2023 ingebroken. Hierbij zijn goederen gestolen, hekwerken vernield en een veldkast (besturingskast poort) onbruikbaar gemaakt. Bij het naastgelegen bedrijf [benadeelde 2] zijn in diezelfde avond en nacht ook hekwerken vernield.
Ladingdiefstal
Uit de camerabeelden van [benadeelde 2] blijkt dat op 5 november 2023 omstreeks 01:16 uur een persoon die als VE1 is aangeduid in het proces-verbaal op het parkeerterrein van [benadeelde 2] aanwezig was. Omstreeks 01:30 uur kwamen nog twee personen aangelopen, die zich voegden bij VE1. Zij zijn vervolgens alle drie in een, naar later is vastgesteld, grijze Peugeot 206 gestapt met kenteken [kenteken 1] die op naam stond van [medeverdachte 5] . Omstreeks 04:00 uur kwam vanaf de Dongenseweg een, naar later is vastgesteld, blauwe Peugeot 306 met kenteken [kenteken 2] aangereden, die vlak bij de grijze Peugeot 206 parkeerde. Uit dit voertuig stapten drie personen die zich voegden bij de andere drie personen die tot dat moment in de grijze Peugeot 206 hadden gezeten. Vervolgens liep VE1 weg richting de Dongenseweg en de rotonde bij de Gesworenhoekseweg. De andere vijf personen waren over het hek geklommen, het terrein van [benadeelde 2] op. Op de camerabeelden van [benadeelde 1] is te zien dat om 04:11 uur de overige vijf personen, de hiervoor genoemde VE2 en VE5 en de als VE3, VE4, en VE6 aangeduide personen, door de looppoort gaan en langs de opleggers op het terrein van [benadeelde 1] lopen. Vanaf 05:47 uur liepen deze vijf personen vanaf de opleggers meermalen met steekwagens en karren met dozen, dan wel handen vol dozen, door de looppoort richting de personeelsparkeerplaats van [benadeelde 1] . Hierna verdwenen zij even uit het zicht en liepen daarna met lege steekwagens, karren en handen terug door de looppoort. Deze dozen werden vervolgens vanaf de personeelsparkeerplaats met steekwagens en karren neergezet bij een doorgang in het hekwerk dat stond tussen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , waarna de dozen vanaf dit hekwerk naar een gebouw verderop werden gebracht. Deze handelingen duurden tot omstreeks 06:29 uur. Om 06:30 uur stond een groepje bij het hekwerk, waarna zij richting het gebouw liepen waar zij de dozen hadden neergezet. Vervolgens liep om 06:31 uur één persoon weg van dit gebouw en om 06:32:03 uur liepen er nog twee personen weg. Om 06:32:24 uur liep er één persoon terug naar het gebouw. Enige tijd later kwam er om 06:52 uur een witte bestelbus, naar later is vastgesteld van het merk en type Volkswagen Crafter met kenteken [kenteken 3] , vanuit de Heraclesstraat aangereden. De bestelbus reed achteruit naar het gebouw en parkeerde daar. Tegelijkertijd kwamen twee personen aangelopen die ook naar het gebouw toeliepen. Hierna liepen er meerdere personen op en neer om de dozen achterin de bestelbus te laden. Om 06:56 uur stapte er één persoon aan de bestuurderskant in de bestelbus, waarna de bus wegreed. Hierna waren er geen personen meer in beeld.
Uit de camerabeelden van [benadeelde 2] blijkt vervolgens dat om 06:57:24 uur de bestelbus het parkeerterrein van [benadeelde 2] opreed en dat er twee personen achter de bestelbus aanliepen. De bestelbus stopte vlakbij de blauwe Peugeot 306. De twee personen die achter de bestelbus liepen, liepen naar deze blauwe Peugeot 306. Om 06:57:48 uur ging het portier aan de bestuurderskant van de bestelbus open en stapte er één persoon uit. Er bleef een tweede persoon in de bus zitten. De persoon die uit de bestelbus was gestapt, liep ook naar de blauwe Peugeot 306 en om 06:58:02 uur stapten de drie personen in deze auto. Op dat moment kwamen er ook twee personen op de fiets het parkeerterrein van [benadeelde 2] op gefietst. Deze fietsers kwamen vanuit dezelfde richting als waar even daarvoor de bestelbus vandaan kwam. Om 06:58:08 uur keerden de twee fietsers om en fietsten zij terug in de richting van waar zij zojuist vandaan kwamen. Om 06:58:13 uur wilde ook de bestelbus wegrijden. Op dat moment kwamen meerdere politieauto's het parkeerterrein opgereden, die zich naar aanleiding van meldingen van de beveiliging al hadden gepositioneerd in de omgeving van de bedrijven. De drie personen die in de blauwe Peugeot 306 zaten, stapten uit en renden weg.
Op het parkeerterrein werden deze drie weggerende personen vervolgens aangehouden en dit betroffen [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 6] . Ook werd de bestuurder van de bestelbus aangehouden en dit bleek [medeverdachte 4] te zijn. Op de Dongenseweg werd [medeverdachte 1] aangehouden. Korte tijd na deze aanhoudingen werd door de beveiliging van [benadeelde 2] gezien dat er twee personen het terrein van [benadeelde 2] op kwamen gelopen en in de grijze Peugeot 206 stapten. Deze twee personen werden ook aangehouden en betroffen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] .
In de witte bestelbus werden 222 dozen met Dell laptops, 9 dozen met monitorschermen en 1 doos met een docking station aangetroffen.
Herkenningen verdachten
Het hof stelt vast dat VE1 [medeverdachte 1] is. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij op de uitkijk heeft gestaan en dat hij aan anderen moest melden of er activiteiten rondom of op het terrein waren. Deze verklaring komt overeen met waargenomen gedragingen van verdachte VE1 op de camerabeelden.
Over VE2 tot en met VE6 overweegt het hof als volgt. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] vergeleken met de kleding en signalementen van de aangehouden verdachten. De verbalisant heeft deze verdachten als volgt herkend:
VE2 als zijnde [medeverdachte 2] ;
VE3 als zijnde [medeverdachte 3] ;
VE4 als zijnde [medeverdachte 4] ;
VE5 als zijnde [medeverdachte 5] ;
VE6 als zijnde [medeverdachte 6] .
Onder de zeven aangehouden verdachten op de plaats delict bevond zich ook de verdachte [verdachte] . Hij is door de verbalisant niet herkend op de camerabeelden.
Medeplegen
Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte zich samen met een of meer ander(en) schuldig heeft gemaakt aan de ladingdiefstal.
Het hof stelt voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip (vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; ECLI:NL:HR:2016:1316 en HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:394).
De rechter mag, indien de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. Indien de verdachte kort na een diefstal wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij het strafbare feit duiden, kan sprake zijn van een situatie waarin het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte van belang is voor de beantwoording van de vraag of te zijnen laste medeplegen kan worden bewezen. Dit geldt zowel in een geval waarin met betrekking tot de toedracht van de diefstal wel kan worden vastgesteld dat deze door verenigde personen is begaan, maar niet direct door wie precies, als in een geval waarin met betrekking tot de toedracht van de diefstal niet is vastgesteld dat deze door medeplegers is begaan, maar dat zich wel kenmerkt door de omstandigheid dat de verdachte kort na de diefstal met een ander of anderen wordt aangetroffen in omstandigheden die op betrokkenheid bij de diefstal duiden, terwijl geen contra-indicaties met betrekking tot het medeplegen door de verdachte bestaan (vgl. HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022 en HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:967).
In het licht van bovenstaande vooropstelling stelt het hof op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de inhoud van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit de uitgekeken camerabeelden van [benadeelde 2] blijkt het volgende. Nadat de dozen met goederen door de daders in de witte bestelbus waren geladen, reed de bestelbus het parkeerterrein van [benadeelde 2] weer op. Er liepen twee personen achter de bestelbus en zij liepen op het parkeerterrein richting de blauwe Peugeot. Vervolgens stapte iemand uit de witte bestelbus, terwijl een andere persoon als bestuurder in de bestelbus bleef zitten. De persoon die uit de bestelbus stapte, liep naar de twee personen die achter de bestelbus liepen en zij stapten met zijn drieën in de blauwe Peugeot. Daarna kwam de politie in actie. De drie personen in de blauwe Peugeot stapten daarop uit en renden weg. De verdachte is vervolgens aangehouden op het parkeerterrein, samen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] was de bestuurder van de bestelbus.
Met betrekking tot het onder feit 1 tenlastegelegde kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de ladingdiefstal door "verenigde personen" is begaan, maar niet precies wat de rol van de verdachte is geweest. Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de verdachte een van de daders van de ladingdiefstal was. De verdachte is namelijk direct na de ladingdiefstal op de parkeerplaats aangehouden, terwijl hij samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] (die later beiden zijn herkend op de camerabeelden van de ladingdiefstal) weg probeerde te rennen op het moment dat de politie ter plaatse kwam. Daarvoor stapte hij samen met hen in de blauwe Peugeot waarmee drie verdachten eerder die nacht ter plaatse kwamen. Hieruit blijkt dat de verdachte gezamenlijk met de medeverdachten handelde. Daarnaast moet na het inladen van de dozen de verdachte wel samen met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] met de witte bestelbus zijn teruggekeerd naar de parkeerplaats, aangezien er vier personen op de camerabeelden zijn gezien en zij ook met zijn vieren op de parkeerplaats zijn aangehouden. In die witte bestelbus zijn later de gestolen goederen aangetroffen.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, die op zichzelf en in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend geacht moeten worden voor het bewijs van het aan de verdachte tenlastegelegde feit, mocht van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verlangd. De verdachte heeft echter geen verklaring over zijn aanwezigheid op het parkeerterrein gegeven. Het hof komt bij gebreke van contra-indicaties derhalve tot het oordeel dat de bijdrage van verdachte aan de bewezenverklaarde ladingdiefstal van voldoende gewicht is om van een nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om, in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 90 dagen, waarvan 49 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 1 jaar.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan ladingdiefstal in een professioneel georganiseerd verband. De verdachte heeft daarmee een grote hoeveelheid goederen met een aanzienlijke waarde gestolen uit de trailers van [benadeelde 1] . Deze vorm van vermogenscriminaliteit brengt enorme schade toe aan onder meer transportbedrijven, de detailhandel en de verzekeraars. Daardoor wordt indirect ook schade toegebracht aan de consument, die uiteindelijk een hogere prijs moet gaan betalen vanwege de doorberekening van de geleden schade in de prijzen. Ook leiden dit soort feiten tot veel overlast bij de betrokken bedrijven en worden zij genoodzaakt steeds verdergaande maatregelen te nemen ter voorkoming van deze vorm van criminaliteit. Daarnaast brengen de gepleegde feiten in de maatschappij gevoelens van onrust en ergernis naar boven. De verdachte heeft met dit alles geen rekening gehouden en heeft kennelijk enkel gehandeld met het oog op eigen financieel gewin. Bij dit handelen heeft hij geen blijk gegeven van respect voor de eigendommen van een ander. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2026, waaruit volgt dat de verdachte, zij het enige tijd geleden, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld, ook ter zake van soortgelijke feiten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden te handelen zoals bewezen is verklaard.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte in dat kader naar voren gebracht dat hij een bijstandsuitkering ontvangt, de zorg draagt voor zijn kinderen en voor zijn zieke moeder, hij vrijwillig onder beschermingsbewind staat en dat hij, na het naderende overlijden van zijn moeder, een taxivergunning wil halen en aan zijn psychische gesteldheid wil werken.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Dit is dezelfde straf als de rechtbank heeft opgelegd voor de feiten 1 en 2. Het hof heeft de verdachte weliswaar vrijgesproken van feit 2, maar acht ladingdiefstal in vereniging gepleegd zo’n ernstig en schadelijk feit dat een gevangenisstraf van deze duur daarvoor zonder meer passend is.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.923,03 aan materiële schade.
De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat het in eerste aanleg ingediende formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ is ondertekend door [betrokkene] als vertegenwoordiger van [bedrijf] Op dat formulier is bij vraag 1C uitdrukkelijk vermeld, dat een uittreksel van de Kamer van Koophandel en een volmacht van de directie/bestuurder, waaruit blijkt dat de ondertekenaar van het formulier de organisatie of het bedrijf mag vertegenwoordigen, moet worden meegestuurd als het slachtoffer een niet-natuurlijk persoon betreft.
Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel dat aan de vordering is toegevoegd, blijkt dat [benadeelde 1] de bestuurder van [bedrijf] is. Uit dit uittreksel noch uit een ander document uit het procesdossier kan het hof afleiden dat de heer [betrokkene] gemachtigd is om namens [bedrijf] een civiele vordering in te dienen in dit strafproces. Nu de vordering van de benadeelde partij niet voldoet aan de vereisten aangezien de machtiging ontbreekt, zal het hof de benadeelde partij wederom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

Verklaart de benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 22 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.P.J. Scheele is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.