Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1233

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/1698 tot en met 24/1703
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 8:75 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening belastingaanslagen en ontnemingsvordering

Verzoeker heeft bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch een verzoek tot herziening ingediend van een eerdere uitspraak uit 2018 over belastingaanslagen en een ontnemingsvordering. De aanslagen betroffen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en zorgverzekeringswet over de jaren 2005 tot en met 2008. De eerdere uitspraak had deels het hoger beroep van verzoeker gegrond verklaard en deels ongegrond.

Verzoeker stelde dat de betaling van de ontnemingsvordering door zijn moeder in 2024 een nieuw feit vormde dat herziening rechtvaardigde. Daarnaast voerde hij meerdere aanvullende gronden aan, waaronder het onthouden van cruciale informatie door de inspecteur, onterechte behandeling van een nadere stuk, en onrechtmatige verrekening van belastingteruggaven door de ontvanger.

Het hof oordeelde dat de betaling in 2024 geen feit was dat zich vóór de eerdere uitspraak had voorgedaan en dat de overige aangevoerde gronden geen nieuwe feiten betroffen die herziening konden rechtvaardigen. Ook verklaarde het hof zich onbevoegd ten aanzien van invorderingskwesties die onder civiele rechter vallen. Het verzoek tot herziening werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bleef in stand.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de eerdere belastinguitspraak wordt afgewezen en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1698 tot en met 24/1703
Uitspraak op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: verzoeker,
om herziening in de zin van artikel 8:119, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van de uitspraak van het hof van 4 oktober 2018, in de zaken met nummers 16/03939 tot en met 16/03944.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de inspecteur) heeft aan verzoeker de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2005, 2006 en 2008 opgelegd en een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2007. Daarnaast heeft de inspecteur aan verzoeker voor de jaren 2006 en 2008 de aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd. Tevens heeft de inspecteur gelijktijdig met het opleggen van de aanslagen en de navorderingsaanslag bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.
1.2.
Verzoeker heeft tegen de (navorderings)aanslagen bezwaar, beroep [1] en hoger beroep aangetekend. Het hof heeft op 4 oktober 2018 uitspraak gedaan in de zaken met nummers 16/03939 tot en met 16/03944 (hierna: de eerdere hofuitspraak). [2] Het hof heeft in die uitspraak het hoger beroep van verzoeker voor zover gericht tegen de aanslagen IB/PVV 2008 en Zvw 2008 en de desbetreffende beschikkingen heffingsrente gegrond verklaard en de aanslagen IB/PVV 2008 en Zvw 2008 en de desbetreffende beschikkingen heffingsrente verminderd. Het hof heeft het hoger beroep voor zover gericht tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV 2005, 2006 en 2007 en Zvw 2006 ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd. Het door verzoeker ingestelde cassatieberoep is ongegrond verklaard. [3]
1.3.
Verzoeker heeft het hof in zijn brief met dagtekening van 6 november 2024 verzocht om herziening van de eerdere hofuitspraak.
1.4.
De inspecteur heeft het verzoek om herziening bestreden.
1.5.
Verzoeker heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen verzoeker en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2.Feiten

2.1.
Verzoeker is bij arrest van 12 maart 2015 door de strafkamer van dit hof veroordeeld voor in ieder geval het opzettelijk telen van hennepplanten in de periode 1 september 2007 tot en met medio maart 2008 en het witwassen van een aanzienlijk totaalbedrag in de periode van 14 december 2001 tot en met 25 juni 2008. De strafkamer van dit hof heeft bij arrest van 12 maart 2015 het door verzoeker behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel bepaald op € 323.699,92 (hierna: het wederrechtelijk verkregen voordeel) en de ontnemingsvordering op € 318.699,92. [4]
2.2.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel is gedeeltelijk in de heffing van de IB/PVV en Zvw van verzoeker over de jaren 2005 tot en met 2008 betrokken.

3.Gronden

Ten aanzien van het herzieningsverzoek
3.1.
Op 24 juni 2024 is door de moeder van verzoeker aan het CJIB een bedrag van € 204.000 betaald waarmee het totale (resterende) bedrag verschuldigd op de ontnemingsvordering is voldaan. Verzoeker stelt dat hij het bedrag aan zijn moeder moet terugbetalen. Verzoeker betoogt dat belastingheffing neutraal dient te zijn en dat het namens hem op de ontnemingsvordering betaalde bedrag bij hem in aftrek dient te worden toegelaten (al dan niet door het alsnog vormen van een voorziening voor de ontnemingsvordering) in de periode 2005 tot en met 2008. Volgens verzoeker is de betaling van de ontnemingsvordering en de daarbij behorende toerekening aan de jaren 2005 tot en met 2008 een nieuw feit in de zin van artikel 8:119, lid 1, Awb. De betaling was immers nog niet gedaan ten tijde van de eerdere hofuitspraak en daarmee was dit feit nog niet bekend ten tijde van die uitspraak. Op grond hiervan verzoekt hij herziening van de eerdere hofuitspraak. In de vóór de zitting ingediende nadere stukken voert verzoeker nog de volgende aanvullende gronden voor zijn verzoek tot herziening aan:
De inspecteur heeft bewust cruciale informatie onthouden aan de rechtbank en het hof in de procedures over de belastingjaren 2005 tot en met 2008.
Het hof heeft bij de eerdere hofuitspraak ten onrechte het nadere stuk van verzoeker van 8 augustus 2018 tardief verklaard.
Verzoeker heeft recht op vergoeding van immateriële schade omdat de inspecteur te laat op zijn bezwaarschriften over de belastingjaren 2005 tot en met 2008 heeft beslist.
Verzoeker heeft recht op vergoeding door de inspecteur van zijn proceskosten en immateriële schade in verband met fiscale procedures over de belastingjaren 2013 tot en met 2017 maar de ontvanger van de belastingdienst (hierna: de Ontvanger) heeft de door de rechter toegekende vergoeding ten onrechte verrekend met zijn belastingschulden over de jaren 2005 tot en met 2008.
Verzoeker krijgt al jaren geen teruggave IB/PVV ondanks zijn aftrekbare kosten voor zijn eigen woning omdat de Ontvanger het bedrag van de jaarlijkse teruggave inkomstenbelasting ten onrechte verrekent met zijn belastingschulden over de jaren 2005 tot en met 2008.
Verzoeker krijgt van de Ontvanger ten onrechte geen volledig overzicht van alle bedragen die vanaf 2009 met zijn belastingschulden zijn verrekend.
3.2.
Het hof stelt het volgende voorop. Alleen in uitzonderlijke gevallen biedt de wet de mogelijkheid om een onherroepelijk geworden uitspraak te herzien. Om een geslaagd herzieningsverzoek te doen moet een verzoek aan een aantal eisen voldoen. Er moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die al vóór die uitspraak hebben plaatsgevonden, maar die verzoeker toen niet kende en ook niet had kunnen kennen. Ook moeten die feiten zo van belang zijn dat als het hof deze feiten toen wel had gekend, het hof misschien een andere beslissing had genomen. [5] Deze regel is bewust zo in de wet opgenomen in het belang van de rechtszekerheid, om te voorkomen dat bijvoorbeeld een belastingaanslag steeds opnieuw ter discussie wordt gesteld.
3.3.
Het hof heeft het herzieningsverzoek van verzoeker getoetst aan de cumulatieve eisen die het hof hiervoor heeft genoemd en is tot het oordeel gekomen dat het verzoek niet tot herziening kan leiden. Het hof zal dit oordeel hierna voor ieder van de door verzoeker aangevoerde gronden toelichten.
Betaling van de ontnemingsvordering
3.4.
De betaling van € 204.000 van de ontnemingsvordering heeft op 24 juni 2024 plaatsgevonden en is dus geen feit dat zich al vóór de eerdere hofuitspraak heeft voorgedaan. Alleen al daarom kan dit feit geen grond voor een geslaagd herzieningsverzoek zijn. Daar komt nog bij dat de betaling op een ontnemingsvordering pas in het jaar van daadwerkelijke betaling in aftrek kan worden gebracht en dat het niet mogelijk is om in een eerder belastingjaar een voorziening in verband met de ontnemingsvordering te vormen [6] .
Onthouden van cruciale informatie
3.5.
Verzoeker stelt dat de inspecteur in de fiscale procedures over de jaren 2005 tot en met 2008 bewust heeft verzwegen dat verzoeker een aantal vervoermiddelen in zijn bezit had. Ook als deze stelling van verzoeker juist zou zijn, vormt deze geen grond voor een geslaagd herzieningsverzoek omdat het hierbij niet gaat om feiten die verzoeker zelf vóór de eerdere uitspraak niet kende. Als verzoeker meent dat de beweerdelijk door de inspecteur verzwegen feiten van belang waren voor de beoordeling van de (navorderings)aanslagen over de jaren 2005 tot en met 2008 had het op zijn weg gelegen om die in de procedure die heeft geleid tot de eerdere hofuitspraak naar voren te brengen.
Nader stuk van 8 augustus 2018
3.6.
Verzoeker stelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn nadere stuk te laat heeft ingediend en het daarom ten onrechte niet in zijn overwegingen heeft betrokken. Verzoeker heeft het nader stuk op 8 augustus 2018 per fax aan het hof gezonden en de (tweede) zitting van het hof vond plaats op 23 augustus 2018. Het nader stuk is dus ruim buiten de tiendagentermijn voor de zitting ingediend en had dus in de overwegingen van het hof moeten worden betrokken, aldus verzoeker.
3.7.
In zijn eerdere uitspraak heeft het hof vooraf als volgt overwogen met betrekking tot het nader stuk:
“Vooraf
4.1.
Belanghebbende en de Belastingdienst hadden de afspraak gemaakt dat de bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen IB/PVV en ZVW zouden worden aangehouden totdat in de strafzaak een onherroepelijke beslissing zou zijn gekomen. De Belastingdienst heeft op een gegeven moment deze afspraak opgezegd en de bezwaren verder in behandeling genomen. Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst deze afspraak niet had mogen opzeggen en - als gevolg daarvan - niet had mogen beslissen op de bezwaren en niet had mogen overgaan tot verrekening van openstaande vorderingen en teruggaven met openstaande bedragen aan belasting op de (navorderings)aanslagen.
4.2.
Belanghebbende heeft deze nieuwe stelling voor het eerst ingenomen tijdens het tweede onderzoek ter zitting, terwijl tijdens het eerste onderzoek ter zitting reeds een volledige behandeling van de zaken had plaatsgevonden en de zaken enkel waren aangehouden teneinde de Inspecteur in de gelegenheid te stellen de toerekening van de inkomens aan de verschillende jaren nader te onderbouwen. De beoordeling van deze stelling van belanghebbende vergt een onderzoek van feitelijke aard naar onder andere de feiten en omstandigheden ten aanzien van de gemaakte afspraak en de opzegging daarvan; in de processtukken is daaromtrent niets naar voren gebracht. Naar het oordeel van het Hof had belanghebbende deze stelling eerder kunnen inbrengen. De behandeling van de nieuwe stelling zou aanhouding van de zaak tot gevolg hebben. Een afweging van het belang van belanghebbende bij de behandeling van zijn nieuwe stelling, mede in acht genomen dat het arrest van het Hof in de ontnemingszaak inmiddels onherroepelijk vaststaat, tegenover het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure, leidt tot de conclusie dat de behandeling van die stelling in strijd zou komen met een goede procesorde. Het Hof laat deze nieuwe stelling dan ook als zijnde tardief buiten behandeling. Hetzelfde heeft te gelden voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de zaken moeten worden teruggewezen naar de Inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zijn stelling geen verzoek om (een aanvullende) vergoeding van immateriële schade inhoudt.”
3.8.
Uit het bovenstaande citaat blijkt dat het hof het nader stuk, anders dan verzoeker stelt, niet als te laat ingediend heeft beschouwd, maar dat het de daarin nieuw ingenomen stellingen buiten beschouwing heeft gelaten vanwege strijd met de goede procesorde. Naar vaste rechtspraak is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of omstandigheid in de zin van artikel 8:119, lid 1, Awb, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen. [7] Als verzoeker meent dat de eerdere uitspraak op dit onderdeel onjuist was had het op zijn weg gelegen om hiertegen in cassatie op te komen en als hij dat heeft gedaan dan is dat geschilpunt met het arrest van de Hoge Raad (zie 1.2) beëindigd. Ook de door verzoeker aangevoerde klacht met betrekking tot de behandeling van zijn nader stuk kan dus geen grond zijn voor een geslaagd herzieningsverzoek.
Immateriële schadevergoeding
3.9.
Verzoeker is in het hoger beroep dat heeft geleid tot de eerdere hofuitspraak niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank over de aan hem toekomende vergoeding voor immateriële schade voor overschrijding van de redelijke termijn bij de afdoening van de bezwaarschriften. De overschrijding van de redelijke termijn was bij verzoeker bekend ten tijde van de procedure die heeft geleid tot de eerdere hofuitspraak en kan alleen al daarom geen grond voor een geslaagd herzieningsverzoek vormen.
Ontvanger
3.10.
Verzoeker heeft een aantal klachten aangevoerd over het doen en nalaten van de Ontvanger (de punten d, e en f zoals genoemd in 3.1). De verrekening van bedragen op belastingaanslagen en daarmee samenhangende handelingen (zoals het verstrekken van een overzicht van de belastingschulden en de verrekende bedragen) betreffen invorderingskwesties waarvoor de Ontvanger bevoegd is en niet de inspecteur. Het hof is als belastingrechter niet bevoegd om te oordelen over deze invorderingskwesties, dat is de civiele rechter. Het hof verklaart zich op dit punt onbevoegd. Overigens betreft het hier geen feiten die, als het hof deze feiten bij het doen van de eerdere uitspraak wel had gekend, tot een ander oordeel hadden geleid. Ook deze klachten kunnen dus geen grond vormen voor een geslaagd herzieningsverzoek.
Overig
3.11.
Ter zitting heeft verzoeker nog aangevoerd dat zijn gemachtigde in de procedure die heeft geleid tot de eerdere hofuitspraak zijn belangen niet goed heeft behartigd. Deze teleurstelling leidt ook niet tot een geslaagd herzieningsverzoek. Deze stelling komt immers neer op een verzoek om een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak. Echter het bijzondere rechtsmiddel van herziening is daarvoor uitdrukkelijk niet bedoeld (zie 3.2 en 3.8).
3.12.
Dat betekent dat verzoeker niet aan de cumulatieve eisen heeft voldaan om een onherroepelijke uitspraak te herzien.
Tussenconclusie
3.13.
De tussenconclusie is dat het hof het verzoek tot herziening zal afwijzen. De eerdere hofuitspraak blijft dus in stand.
Ten aanzien van het griffierecht
3.14.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
3.15.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

4.Beslissing

Het hof wijst het verzoek tot herziening af en verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de invorderingskwesties (zie 3.10).
De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, A.J. Kromhout en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is ondertekend door de griffier en door A.J. Kromhout, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 november 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:7250 en ECLI:NL:RBZWB:2016:7251.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 oktober 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:4112.
3.Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1036. De Hoge Raad heeft zijn oordeel met toepassing van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie niet gemotiveerd.
4.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 12 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1331. De vermindering van het te ontnemen bedrag met € 5.000 hield verband met de lange duur van de strafprocedure.
5.Artikel 8:119, lid 1, Awb.
6.Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299.
7.Zie onder meer Centrale Raad van Beroep 8 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1239, r.o. 4.3.