In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling en poging daartoe. Het hof oordeelde dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestond voor zwaar lichamelijk letsel en dat de gedragingen van de verdachte meer verdedigend dan aanvallend waren, waarbij sprake was van een geslaagd beroep op noodweer.
De verdachte werd wel veroordeeld voor eenvoudige belediging, gepleegd tegen twee politieambtenaren tijdens de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De beledigingen betroffen grove en minachtende uitlatingen. Gelet op de ernst van het feit, de eerdere veroordelingen van de verdachte voor soortgelijke delicten en zijn persoonlijke omstandigheden, legde het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf van 10 uren op met een proeftijd van drie jaar.
Het hof nam bij de strafoplegging ook de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte mee, waaronder zijn traject bij een maatschappelijke stichting en het voorkomen van dakloosheid. De straf is bedoeld om enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde te benadrukken en anderzijds recidive te voorkomen.
De uitspraak werd gedaan op 6 mei 2026 door een meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij één raadsheer wegens onbeschikbaarheid niet medeondertekende.