Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1251

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
20-001874-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 300 SrArt. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging mishandeling en vernieling met aangepaste straf en schadevergoeding

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter in Zeeland-West-Brabant, waarin de verdachte werd veroordeeld voor mishandeling en vernieling. De politierechter had een gevangenisstraf van 10 weken opgelegd en een schadevergoeding van €450 toegewezen aan het slachtoffer.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis bevestigd met uitzondering van de straf, de beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging en de schadevergoedingsmaatregel. De straf is verminderd tot 8 weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf is afgewezen omdat deze reeds is geëxecuteerd.

Het hof heeft de bewijsmiddelen en herkenningen van de verdachte op camerabeelden zorgvuldig gewogen en acht de bewezenverklaring wettig en overtuigend. De verdachte heeft een justitiële voorgeschiedenis met eerdere mishandelingen en lijdt aan schizofrenie. Gezien de ernst van de feiten en het belang van normhandhaving acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Daarnaast is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd van €450 aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente, met een gijzelingstermijn van maximaal vier dagen voor het geval de betaling uitblijft. De overige onderdelen van het vonnis van de politierechter zijn bevestigd.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 8 weken gevangenisstraf en een schadevergoedingsmaatregel van €450 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001874-24
Uitspraak : 2 april 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 juli 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-038949-23 en 02-086700-23, 02-216680-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers 02-143748-20 en 02-077144-22, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘mishandeling’ (parketnummers 02-038949-23 en 02-086700-23) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd’ (parketnummer 02-216680-23), de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken met aftrek van voorarrest.
Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] integraal toegewezen tot een bedrag van € 450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente alsook met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De politierechter heeft de benadeelde partij [bedrijf] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard.
Tot slot heeft de politierechter de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen (onder parketnummers 02-143748-20 en 02-077144-22), respectievelijk voor de duur van 1 maand en 1 week, toegewezen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 02-143748-20 en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van voorarrest en de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 02-143748-20 zal afwijzen.
Namens de verdachte is vrijspraak van het onder de parketnummers 02-038949-23 en 02-216880-23 tenlastegelegde bepleit. Ten aanzien van alle feiten is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met uitzondering van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 02-143748-20 en de schadevergoedingsmaatregel. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komen de overwegingen van de politierechter ten aanzien van de opgelegde straf, de schadevergoedingsmaatregel en de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 02-143748-20 te vervallen.
Verder zal het hof de gronden waarop het vonnis berust aanvullen en verbeteren. Het hof voegt tot slot artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht toe aan de toepasselijke wettelijke voorschriften.
Verbetering van de bewijsmiddelen
Het hof schrapt het bewijsmiddel “het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op dossierpagina 12 van het hiervoor genoemde eindproces-verbaal”, behorend bij parketnummer 02-038949-23.
Aanvulling bewijsoverweging
De raadsman heeft aangevoerd dat zijn cliënt niet degene is geweest die [slachtoffer 2] heeft mishandeld. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt heeft ontkend de persoon te zijn geweest die [slachtoffer 2] geslagen heeft. Daartegenover staan herkenningen van drie verbalisanten op basis van de camerabeelden. Deze herkenningen zijn volgens de raadsman niet voldoende onderscheidend en duidelijk geverbaliseerd. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte herkend nadat hij kennis heeft genomen van het gehele dossier. Daarnaast heeft deze verbalisant geen specifieke of onderscheidende kenmerken geverbaliseerd. De herkenning van verbalisant [verbalisant 2] bevat algemene kenmerken – zoals de huidskleur, het postuur en het baardje – welke niet onderscheidend genoeg zijn. Verbalisant [verbalisant 3] heeft enkel geverbaliseerd dat de persoon die op de beelden te zien is veel lijkt op de verdachte.
De raadsman heeft aangaande de tenlastegelegde vernielingen aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is van beschadigingen, omdat beeldmateriaal van de mogelijke beschadigingen ontbreekt.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof overweegt dat in beginsel met herkenningen behoedzaam dient te worden omgegaan. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.
Daarnaast overweegt het hof dat herkenning van een persoon op beeld plaatsvindt op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen.
Het hof overweegt ten aanzien van de herkenning van verbalisant [verbalisant 2] dat deze verbalisant geen voorinformatie had, anders dan een verzoek tot herkenning. De verbalisant heeft gerelateerd dat hij bij het zien van de ‘still’ onmiddellijk de verdachte herkende als de persoon op de beelden. De verbalisant heeft de verdachte meermaals in het echt gezien. De laatste keer dat de verbalisant en de verdachte elkaar zagen, was minder dan drie maanden voor de herkenning. Dat contact duurde toen ongeveer vijf minuten. De verbalisant herkende de verdachte aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. De verbalisant heeft daarbij de door de raadsman genoemde kenmerken enkel aangehaald als kenmerken die bijdroegen aan de herkenning. Een herkenning is zoals hiervoor overwogen een ‘holistisch’ proces, dat moeilijk in verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden gebracht kan worden. Gelet op het eerdere contact tussen de verdachte en de verbalisant, waarbij zij elkaar meermaals (en laatstelijk relatief recent voor de herkenning) in levende lijve hebben gezien en de goede kwaliteit van de stills die zijn bekeken, maakt dat het hof geen reden heeft om te twijfelen aan de herkenning door [verbalisant 2] .
Aldus is het hof van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de ter zake opgemaakte en tot het bewijs gebezigde herkenning van de verdachte door de verbalisant. Het hof overweegt dat hetgeen dat door verbalisant [verbalisant 3] is gerelateerd niet als bewijsmiddel is gebezigd. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Het verweer van de raadsman dat niet kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is van beschadigingen, vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Op te leggen straf
De raadsman heeft het hof verzocht om rekening te houden met dat er bij de verdachte sprake is van schizofrenie en dat aan de verdachte in een andere zaak in eerste aanleg een ISD-maatregel is opgelegd. Mocht deze ISD-maatregel in hoger beroep eveneens opgelegd worden, dan acht de raadsman het onwenselijk dat er ook nog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak opgelegd wordt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een tweetal mishandelingen en aan vernielingen. Door te handelen zoals bewezenverklaard heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers van de mishandelingen en hij heeft inbreuk gemaakt op het ongestoorde gebruik van goederen door degenen aan wie die goederen toebehoren. De mishandelingen vonden beide plaats in een winkel zonder noemenswaardige aanleiding. De slachtoffers hebben beiden vrijwel uit het niets een klap op hun hoofd gekregen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit komt naar voren dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor meerdere mishandelingen. Deze veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om te handelen zoals bewezenverklaard. Daarnaast komt hieruit naar voren dat de taakstrafbeperking van toepassing is. Daarnaast heeft het hof geconstateerd dat – in overeenstemming met wat de raadsman naar voren heeft gebracht – de ISD-maatregel nog niet onherroepelijk is.
Het hof heeft acht geslagen op het Reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 15 maart 2024. Hoewel het advies enigszins gedateerd is, komt daaruit naar voren dat de reclassering, buiten een ISD-maatregel, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert. De reclassering schrijft dat de verdachte contact met de reclassering en andere hulpverlenende instanties vermijdt. De reclassering brengt verder naar voren dat zij – zelfs als de verdachte zou verschijnen ter zitting en zou aangeven daarvoor open te staan – de oplegging van bijzondere voorwaarden onuitvoerbaar acht. Verder blijkt uit dit reclasseringsadvies dat in een Pro Justitia consult d.d. 10 augustus 2022 is opgenomen dat dat bij de verdachte sprake is van schizofrenie.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de eerdere onherroepelijke veroordeling van de verdachte aangaande meerdere mishandelingen en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden.
Vordering tenuitvoerlegging onder parketnummer 02-143748-20
De officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Zeeland-West-Brabant, van 26 oktober 2020, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat – omdat op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat deze voorwaardelijke straf reeds geëxecuteerd is – deze afgewezen dient te worden.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 450,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, omdat het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 02-143748-20 en de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) weken;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 02-086700-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 maart 2023;
wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Zeeland-West-Brabant van 8 februari 2023, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 oktober 2020, parketnummer 02-143748-20, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. G. Schnitzler, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 2 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. G. Schnitzler is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.