Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1255

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
20-002939-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 311 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tot gevangenisstraf wegens twee gekwalificeerde diefstallen in woning en auto

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor twee gekwalificeerde diefstallen gepleegd op 10 april 2020 in de gemeente Maasgouw. Het hof acht bewezen dat de verdachte samen met anderen een woning is binnengedrongen en goederen heeft weggenomen, alsmede een auto heeft gestolen met behulp van valse sleutels.

De verdediging voerde aan dat verdachte slechts een auto vervoerde en niet betrokken was bij de diefstallen, en betwistte medeplegen. Het hof oordeelde echter dat getuigenverklaringen en het tijdsverloop tussen de inbraak en het aantreffen van de verdachte in de gestolen auto met goederen wijzen op medeplegen. De verdachte was een van de drie mannen die op de oprit stonden te overleggen, waarbij ten minste één in de woning was geweest.

Het hof hield rekening met het justitiële verleden van de verdachte en de ernst van de feiten, en legde een gevangenisstraf van 105 dagen op, lager dan de oorspronkelijke 4 maanden vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 105 dagen gevangenisstraf voor twee gekwalificeerde diefstallen met medeplegen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002939-23
Uitspraak : 16 april 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 1 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 03-274242-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid’ (feit 1) en ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels’ (feit 2), de verdachte strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Namens de verdachte is vrijspraak van beide feiten bepleit. Ten aanzien van beide feiten heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 april 2020 in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning, gelegen aan [adres 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), autosleutels, een sleutelbos met meerdere sleutels en/of twee portemonnees (met inhoud), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 10 april 2020 in de gemeente Maasgouw tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een auto (BMW 320i), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel te weten een niet aan hem/hen, verdachte en/of zijn mededader(s), in eigendom toebehorende autosleutel.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 10 april 2020 in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met anderen, in een woning, gelegen aan [adres 2] , alwaar verdachte en/of zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), autosleutels, een sleutelbos met meerdere sleutels en (met inhoud) die geheel aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 10 april 2020 in de gemeente Maasgouw tezamen en in vereniging met een ander een auto (BMW 320i) die geheel aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel te weten, een niet aan hen in eigendom toebehorende autosleutel.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte enkel een auto moest vervoeren van de ene plaats naar de andere plaats. De verdachte zou niets te maken hebben met de diefstal van de auto en met de diefstal uit de woning.
Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen, omdat er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
I
De getuige [benadeelde 2] heeft omstreeks 03.42 uur beneden gerinkel van sleutels gehoord. Daarop heeft zij haar partner, aangever, wakker gemaakt. De getuige zag vervolgens drie personen op de oprit staan en heeft de politie gebeld. De aangever heeft ook uit het raam gekeken en zag de drie mannen overleggen. Hij heeft gezien dat twee personen in de auto stapten en wegreden en dat de derde persoon is weggerend. Omstreeks 03.45 uur heeft verbalisant [verbalisant 1] melding gekregen van de woninginbraak. De verbalisant is onmiddellijk ter plaatse gegaan. De verbalisant is de gestolen auto vervolgens tegengekomen en is deze gevolgd. Omstreeks 04.00 uur hebben de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] de melding gekregen dat verbalisant [verbalisant 1] achter de gestolen auto reed. Niet ter discussie staat dat de verdachte één van de personen was die (uiteindelijk) in de auto zat.
Het hof overweegt dat er een kort tijdsbestek zat tussen het vertrek van de beide mannen die door de getuigen zijn gezien en het moment van aantreffen van de verdachte en de medeverdachte in de gestolen auto met daarin de gestolen goederen. Een verbalisant had de gestolen auto al zeer snel in beeld en heeft toen geen personen meer in of uit zien stappen. Verder heeft de verdachte niet geconcretiseerd welke personen de inbraak wel gepleegd zouden hebben en waar de ontmoetingsplek – waar de auto zou zijn overgegeven – was. Daarnaast acht het hof het onaannemelijk dat de – volgens de verdachte – daadwerkelijke daders alle gestolen goederen zouden hebben overgedragen om vervoerd te worden door de verdachte. Het dossier bevat daarnaast geen aanknopingspunten voor het door de verdachte geschetste scenario.
Gelet op het voorgaande acht het hof het alternatieve scenario onaannemelijk en komt het – gelet op het uitblijven contra-indicaties – tot de conclusie dat het de verdachte is geweest die zich met zijn mededaders op de oprit bevond.
Ten aanzien van het medeplegen overweegt het hof dat niet vastgesteld kan worden of de verdachte daadwerkelijk in de woning is geweest. Echter, de aangever heeft gezien dat er drie mannen op de oprit stonden en zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat één van deze drie mannen de verdachte was. De aangever heeft gezien dat deze drie mannen stonden te overleggen. Tenminste één van deze drie mannen moet in de woning zijn geweest. De verdachte is vervolgens in de gestolen auto met de gestolen goederen aangetroffen, vlak na de diefstal. Gelet op voornoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat er sprake is van een bijdrage van voldoende gewicht. Het hof is van oordeel dat er sprake was van inwisselbare rollen, nu de mannen op de oprit gezamenlijk stonden te overleggen, nadat tenminste één van hen in de woning is geweest. Het hof komt tot het oordeel dat er sprake is van medeplegen.
II
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De raadsvrouw heeft het hof verzocht om de verdachte bij een bewezenverklaring geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt in het bijzonder als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij in vereniging een diefstal heeft gepleegd in een woning en in vereniging een auto heeft gestolen. Door te handelen zoals bewezenverklaard heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen. Een woning is bij uitstek de plaats waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Een diefstal uit een woning veroorzaakt dan ook gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers in het bijzonder en in de samenleving in het algemeen. Daarnaast brengen dergelijke feiten voor de benadeelden materiële schade en overlast mee. Daar heeft de verdachte zich niets van aangetrokken en hij heeft kennelijk enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 december 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om te handelen zoals bewezenverklaard.
Verder heeft het hof acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Ten aanzien van de diefstal van een auto is het oriëntatiepunt in het geval van recidive een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Ten aanzien van de diefstal uit de woning is niet duidelijk hoe de toegang tot de woning is verkregen. Het hof zoekt aansluiting bij het oriëntatiepunt voor insluiping van de woning, welke in het geval van recidive een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden is.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen in de regel worden opgelegd en mede vanuit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en Fundamentele Vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.
Het hof stelt vast dat het eerste verhoor dateert van 10 april 2020. Het vonnis van de rechtbank dateert van 1 november 2023. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 18 maanden overschreden.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld op 2 november 2023. Het hof wijst arrest op 16 april 2026. De redelijke termijn is daarmee in hoger beroep met ruim 5 maanden overschreden.
Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg of hoger beroep rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 105 dagen passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
105 (honderdvijf) dagen.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. G.M. Goes en mr. G. Schnitzler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 16 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. A.M.G. Smit en mr. G. Schnitzler zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.