Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1258

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
20-003249-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21b MeststoffenwetArt. 408 SvArt. 450 SvArt. 6.4 Verordening op de advocatuurArt. 7.4 Verordening op de advocatuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens te late indiening en niet-verschoonbare termijnoverschrijding

De verdachte werd door de economische politierechter veroordeeld voor overtreding van een voorschrift van de Meststoffenwet en stelde hiertegen hoger beroep in. Het hof onderzocht of het hoger beroep ontvankelijk was, waarbij de advocaat-generaal stelde dat het hoger beroep te laat was ingesteld en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.

De verdediging voerde aan dat een e-mail van de raadsman binnen de termijn was verzonden en dat de raadsman van rechtswege gemachtigd was, waardoor het hoger beroep tijdig zou zijn ingesteld. Het hof stelde vast dat het hoger beroep pas op 6 december 2024 was ingesteld, ruim na de wettelijke termijn van veertien dagen na het vonnis van 15 juli 2024.

Verder ontbrak het aan een geldige machtiging van de raadsman om het hoger beroep in te stellen, en de raadsman had het gebrek niet binnen een redelijke termijn hersteld. Ook was er geen voorziening getroffen voor waarneming tijdens zijn ziekenhuisopname en revalidatie. Het hof oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens te late indiening en niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003249-24
Uitspraak : 15 mei 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 juli 2024, in de strafzaak met parketnummer 82-341806-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b eerste lid van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan’ (feit 1 en feit 2) veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 7.500,00, subsidiair 72 dagen hechtenis.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, nu het hoger beroep niet binnen veertien dagen na de uitspraak van de economische politierechter is ingesteld en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is gebleken.
De verdediging heeft – zo begrijpt het hof – verzocht om de verdachte ontvankelijk te achten in het hoger beroep. Daartoe is kort gezegd naar voren gebracht dat – in verband met een ziekenhuisopname van de raadsman – de secretaresse van de raadsman op 29 juli 2024 – en aldus binnen de termijn voor het instellen van het hoger beroep – een e-mailbericht naar de rechtbank heeft gestuurd om hoger beroep aan te tekenen. Hierop is ook een bericht van de rechtbank ontvangen dat het e-mailbericht in behandeling zou worden genomen. Gelet hierop en op het feit dat een raadsman van rechtswege door de verdachte is gemachtigd, was de verdediging in de veronderstelling dat het hoger beroep (tijdig) was ingesteld. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat als hij in persoon hoger beroep instelt bij de griffie van een gerecht, hij nooit hoeft te verklaren dat hij bepaaldelijk gemachtigd is.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof het navolgende gebleken.
Het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, is op 15 juli 2024 op tegenspraak gewezen. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verdachte op voornoemde terechtzitting aanwezig is geweest en dat hij werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. [advocaat] , advocaat te [plaats] .
Op 29 juli 2024 te 12:11 uur heeft de secretaresse van mr. [advocaat] – vanwege een ziekenhuisopname van de raadsman – naar de rechtbank een e-mailbericht gestuurd. In dat bericht is – voor zover hier belang – het volgende opgenomen:
‘Mr. [advocaat] geeft hierbij de volmacht om namens cliënt, [verdachte] , appèl aan te tekenen tegen de veroordeling van 15 juli 2024 alsmede tegen de voordeelsontneming van die datum.’ De rechtbank heeft per (automatisch) e-mailbericht d.d. 29 juli 2024 te 12:13 uur te kennen gegeven dat zij het e-mailbericht hebben ontvangen en dit in behandeling nemen. Op 30 juli 2024 heeft de rechtbank inhoudelijk op het e-mailbericht van de secretaresse van mr. [advocaat] gereageerd, waarbij naar voren is gebracht: ‘
Uit de mail en de bijlage blijkt niet dat mr. [advocaat] door cliënt is gemachtigd tot het instellen van het hoger beroep. Graag ontvangen wij deze nog zodat het hoger beroep ingesteld kan worden.
Uit de inhoud van de gedingstukken blijkt dat de raadsman vervolgens op 29 oktober 2024 telefonisch contact heeft opgenomen met de rechtbank om te vragen naar het ingestelde beroep, waarop een medewerker van de rechtbank aan de raadsman te kennen heeft gegeven dat er geen hoger beroep was ingesteld. Naar aanleiding van dit contact heeft de raadsman vervolgens op 30 oktober 2024 een e-mailbericht naar de rechtbank gestuurd, waarbij als bijlage voornoemd e-mailbericht van de secretaresse van de raadsman d.d. 29 juli 2024 te 12:11 uur is gevoegd. Voorts heeft de raadsman in zijn e-mailbericht naar voren gebracht dat hij op 21 juli 2024 werd opgenomen in het ziekenhuis in verband met een pneumokokkeninfectie, dat hij daar twaalf dagen heeft verbleven en dat hij daarna nog voor een periode van vier weken opgenomen is geweest in een revalidatievoorziening. Gelet op het (automatische) bericht van de rechtbank van 29 juli 2024 ging de raadsman ervan uit dat het hoger beroep was ingesteld. Bij e-mailbericht van 30 oktober 2024 heeft de rechtbank medegedeeld dat het hoger beroep niet is ingesteld, omdat zij in afwachting was op een reactie van het e-mailbericht van de rechtbank van 30 juli 2024 en dat zij naar aanleiding van dit laatstgenoemde e-mailbericht geen reactie heeft mogen ontvangen.
Vervolgens heeft de raadsman bij e-mailbericht van 4 november 2024 aan de rechtbank onder meer te kennen gegeven dat hij als advocaat van rechtswege is gemachtigd door cliënt(en) en dat voor het instellen van hoger beroep een machtiging door de cliënt niet nodig is. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman ook naar voren gebracht dat het e-mailbericht van de rechtbank van 30 juli 2024 (waarin naar voren is gebracht dat niet blijkt dat de raadsman door de verdachte is gemachtigd tot het instellen van het hoger beroep) is ontvangen en dat hij – zoals hiervoor beschreven – aan de rechtbank te kennen heeft gegeven dat van hem niet mag worden verlangd dat hij (uitdrukkelijk) verklaart dat hij door cliënt is gemachtigd omdat hij daarover op zijn woord dient te worden geloofd.
De akte instellen hoger beroep is – naar aanleiding van het e-mailbericht van 29 juli 2024 te 12:11 uur – op 6 december 2024 opgemaakt.
Het hof overweegt als volgt.
Indien een vonnis op tegenspraak is gewezen, staat er volgens de wet – artikel 408, eerste lid, aanhef en sub b, van het Wetboek van Strafvordering – voor een verdachte gedurende veertien dagen na de uitspraak hoger beroep open. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg blijkt ook dat de economische politierechter dit heeft medegedeeld.
Artikel 450, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat hoger beroep door tussenkomst van een advocaat kan worden ingesteld, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt – in dit geval de verdachte – bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Blijkens het bepaalde in artikel 450, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan (vervolgens) een schriftelijke bijzondere volmacht worden verleend aan een medewerker ter griffie om hoger beroep in te stellen. Tot het voor de verdachte aanwenden van het hoger beroep wordt echter slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarmee instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. Bovendien geeft de verdachte een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.
Op basis van het vorenstaande stelt het hof vast dat het hoger beroep niet binnen een termijn van veertien na de uitspraak is ingesteld. Het vonnis is immers op 15 juli 2024 uitgesproken, terwijl het hoger beroep pas op 6 december 2024 is ingesteld. Voorts stelt het hof vast dat aan de hiervoor genoemde vereisten zoals opgenomen in artikel 450 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet is voldaan. Voor de beoordeling van de vraag of de verdachte desalniettemin in het hoger beroep kan worden ontvangen, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het tardief instellen van het hoger beroep verschoonbaar is. Deze vraag wordt door het hof ontkennend beantwoord.
Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat de raadsman zelfs niet binnen een redelijke termijn na zijn verblijf in het ziekenhuis en de revalidatievoorziening het gebrek aan de machtiging heeft hersteld, dit terwijl de rechtbank daar eerder nog wel uitdrukkelijk op had gewezen. Zo heeft de raadsman in zijn e-mailbericht van 30 oktober 2024 als bijlage het e-mailbericht van zijn secretaresse van 29 juli 2024 te 12:11 uur gevoegd, maar hij heeft daarbij niet (alsnog) naar voren gebracht dat hij door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd om namens hem het hoger beroep in te stellen. De raadsman heeft dat nadien evenmin gedaan. Ook de gebreken om te voldoen aan de genoemde vereisten zoals opgenomen in het derde lid van artikel 450 van Pro het Wetboek van Strafvordering zijn op geen enkel moment hersteld.
Bovendien is het hof naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de raadsman alleen de praktijk uitoefent en geen voorziening heeft getroffen voor het geval hij onverwachts zijn werkzaamheden niet kan uitoefenen. Het hof wijst erop dat een raadsman met een solopraktijk op grond van het gedragsrecht voor advocaten verplicht is waarneming te waarborgen en de procedure daarvoor schriftelijk vast te leggen (zie artikel 6.4 in verbinding met artikel 7.4, tweede lid, aanhef en sub c, van de Verordening op de advocatuur). Ook heeft de raadsman de verdachte – bijvoorbeeld via zijn secretaresse – niet laten weten dat de verdachte zelf hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter kon instellen. De omstandigheid dat het verzuim om tijdig hoger beroep in stellen is begaan door de raadsman van de verdachte, betreft een gegeven dat voor rekening van de verdachte komt (zie onder andere het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:16).
Gelet op voornoemde omstandigheden – en bij het ontbreken van andere feiten of omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat het tardief in stellen van het hoger beroep verschoonbaar mocht maken – is het hof van oordeel dat het niet verschoonbaar is gebleken dat eerst op 6 december 2024 hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 juli 2024. De verdachte zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,
en op 15 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. W.F. Koolen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.