ECLI:NL:GHSHE:2026:131

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
20-003396-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 6:106 BWArt. 6:107 BWArt. 421 lid 3 SvArt. 532 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep opzetaanranding met toewijzing schadevergoeding en taakstraf

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is de verdachte veroordeeld voor opzetaanranding. Het hof bevestigt de bewezenverklaring dat de verdachte het slachtoffer ongewenst heeft aangeraakt, waarbij het hof de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar acht en het alternatieve scenario van de verdediging verwierp.

Het hof oordeelt dat er voldoende steunbewijs is naast de verklaring van het slachtoffer, waaronder getuigenverklaringen en camerabeelden die het gedrag van de verdachte na het incident ondersteunen. Het verzoek tot nader DNA-onderzoek wordt afgewezen vanwege onvoldoende concrete vraagstelling en het ontbreken van een belastende DNA-match draagt niet bij aan bewijs van onschuld.

De strafoplegging bestaat uit een taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaar. De schadevergoeding aan het slachtoffer wordt verhoogd tot € 948,00, bestaande uit € 198,00 materiële en € 750,00 immateriële schade, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel met gijzeling tot 9 dagen bij niet-betaling.

De vordering tot schadevergoeding wordt deels toegewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze in hoger beroep is verhoogd. De verdachte wordt veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.128,00. Het vonnis van de politierechter wordt in zoverre vernietigd en in andere onderdelen bevestigd.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, en een schadevergoeding van € 948,00 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003396-24
Uitspraak : 16 januari 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-253172-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘opzetaanranding’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 600,00, bestaande uit een bedrag van € 100,00 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten slotte is ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en is de verdachte veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van de benadeelde partij, tot dan begroot op € 270,00. De politierechter heeft de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen zoals deze is gevorderd, met uitzondering van de verhoging van de post reiskosten na de behandeling in eerste aanleg, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit en een voorwaardelijk verzoek gedaan voor wat betreft het instellen van een onderzoek naar de vraag of er uitgaande van het scenario van aangeefster voldoende DNA wordt achtergelaten om daaruit een geschikt spoor te krijgen dat onderzocht kan worden. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, subsidiair betoogd dat de vordering dient te worden afgewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd en meer subsidiair aangevoerd dat de vordering dient te worden gematigd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de ten behoeve van [slachtoffer] opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg zullen de daarmee samenhangende overwegingen van de politierechter in zijn geheel worden vervangen op de wijze zoals hierna vermeld.
Voorts zal het hof, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, de bewijsoverweging verbeteren door deze aan te vullen met onderstaande overweging.
Het hof zal eveneens de overweging met betrekking tot de strafmaat vervangen met de onderstaande overweging.
Aanvullende bewijsoverweging
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
De verdediging heeft in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is allereerst bepleit dat de verklaring van aangeefster onvoldoende consistent is om te spreken van een betrouwbare verklaring. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Aangeefster [slachtoffer] heeft aangifte gedaan van aanranding. Daaraan voorafgaand heeft [slachtoffer] met meerdere personen gesproken over hetgeen haar zojuist zou zijn overkomen. Zo sprak zij ter plaatse, direct nadat het bewezenverklaarde handelen plaatsvond, met getuige [getuige 1] en belde zij – nog steeds ter plaatse – kort na het incident met haar moeder hierover, welk gesprek is gehoord door haar stiefvader [getuige 2] . Het hof stelt vast dat aangeefster [slachtoffer] in de kern zowel in haar aangifte als tegen omstanders telkens heeft verklaard dat de verdachte in enige vorm ongewenst haar billen dan wel haar kruis heeft aangeraakt. Dat vindt ook bevestiging in de verklaringen van de gehoorde getuigen. De kernelementen van de aangifte, namelijk dat de verdachte tegen de billen van aangeefster heeft geslagen en met zijn hand langs het kruis van aangeefster heeft bewogen, blijven terugkomen in de verklaringen van de getuigen. Dat [getuige 1] enkel spreekt over het slaan op de kont en [getuige 2] enkel over het aanraken van haar kruis, wil naar het oordeel van het hof niet zeggen dat de verklaring van aangeefster in haar aangifte niet betrouwbaar is. Zij hebben allebei immers over één van de twee handelingen verklaard waarover aangeefster zelf expliciet verklaarde in haar aangifte. Ook blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , de verbalisanten die na het incident ter plaatse kwamen, dat aangeefster hen over beide handelingen heeft verteld. Voorts is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat aangeefster met de woorden “dat de man met zijn hand over de broek van de billen haar kruis had aangeraakt”, “met een hand achterlangs doorduwde tussen mijn benen” en “dat zijn hand over de spijkerbroek naar haar geslachtsdeel zou zijn afgegleden” telkens dezelfde handeling van de verdachte bedoelde. Daarmee heeft zij consistent over de bewezenverklaarde handelingen verklaard. Het hof acht de verklaring van aangeefster op grond van het voorgaande voldoende consistent en betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken.
Voorts heeft de verdediging bepleit dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer] geen bevestiging vindt in een andere bron en mitsdien sprake is van unus testis. Daartoe is aangevoerd dat de waargenomen emotie van aangeefster onvoldoende is om als steunbewijs te dienen.
Het hof overweegt als volgt.
Ten eerste stelt het hof vast dat de verdachte heeft verklaard dat hij die avond van 5 augustus 2024 van zijn werk kwam, zijn auto had geparkeerd om even een luchtje te scheppen, de [straat A] was overgestoken, was gaan lopen en vervolgens op de [straat A] tegen iemand, die hem tegemoet kwam, was aangelopen. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij met het linkerdeel van zijn lichaam, niet heel hard de persoon heeft geraakt bij haar bovenarm, tussen de schouder en elleboog. Hij had gehoord dat hij werd uitgescholden en was doorgelopen in de richting Roermond. Later kwam hij weer bij de [straat A] uit en liep terug naar zijn auto.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij aangeefster omstreeks 22:45 uur op de grond van het fietspad zag zitten en hoorde en zag dat zij helemaal overstuur was. [getuige 1] hoorde aangeefster ook zeggen dat ze aangerand was. Hij zag een persoon in witte bovenkleding weglopen en vervolgens rennen, waarna hij korte tijd achter hem is aangefietst.
Aangeefster heeft zelf verklaard dat zij na het incident boos was en moest huilen en dat zij een man had verteld wat er was gebeurd. Op grond van het voorgaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat getuige [getuige 1] kort na het incident waarvan aangeefster aangifte heeft gedaan, heeft waargenomen dat aangeefster ter plaatse op de grond zat te huilen en dat als ‘overstuur’ heeft omschreven.
Daar komt bij dat blijkens de aangifte en de verklaringen van getuige [getuige 1] en [getuige 2] aangeefster – nog steeds ter plaatse – kort na het incident, nadat zij een persoon de [straat A] zag oversteken, deze heeft aangewezen als degene die haar had aangerand. Dat was dezelfde persoon als de persoon die door getuige [getuige 1] was gezien en was nagefietst.
Naar het oordeel van het hof is er naast de verklaring van aangeefster wel degelijk in voldoende mate sprake van steunbewijs zodat het unus testis-verweer wordt verworpen.
De verdediging heeft ten slotte een alternatief scenario bepleit, namelijk dat er een schouderbotsing tussen aangeefster en de verdachte heeft plaatsgevonden, waarna aangeefster naar de verdachte zou hebben geschreeuwd. Het hof acht dit alternatieve scenario niet geloofwaardig gelet op het volgende.
[getuige 1] verklaarde dat hij omstreeks 22:45 uur op de [straat A] fietste toen hij een man in een witte blouse te voet tegenkwam. Ongeveer 50 meter verderop trof hij aangeefster op de grond aan en zij vertelde dat zij zojuist was aangerand door de man die [getuige 1] net had gepasseerd. Deze man bleek later de verdachte te zijn. [getuige 1] heeft de verdachte daarna op de fiets gevolgd en verklaarde dat de verdachte begon te rennen. De politie heeft de verdachte naar aanleiding van deze getuigenverklaring tijdens het verhoor d.d. 6 augustus 2024 gevraagd of hij heeft gerend nadat het incident had plaatsgevonden, maar de verdachte ontkende dit. In het procesdossier bevinden zich camerabeelden van [café] . [café] is gevestigd aan de [straat A] en heeft zicht op zowel de [straat A] als de [straat B] . Uit het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] blijkt dat alle camerabeelden in het dossier zien op het tijdstip 22:46:53 uur tot en met 22:47:43 uur op 5 augustus 2024.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof met de raadsman en de advocaat-generaal de camerabeelden bekeken en heeft op de camerabeelden van Channel 4 waargenomen dat een fietser op een fietspad van de [straat A] rijdt en een hem tegemoet lopende man in een wit t-shirt passeert die op het fietspad richting de [straat B] loopt. De voetganger loopt vervolgens linksaf de hoek om en, naar het hof begrijpt, de [straat B] in. Op grond van voornoemde verklaring van [getuige 1] en het tijdstip van de beelden gaat het hof ervan uit dat [getuige 1] de man op de fiets is en de verdachte de voetganger. De verdachte heeft immers bij de politie verklaard dat hij op 5 augustus 2024 rond die tijd op de [straat A] heeft gelopen. Channel 3 van [café] heeft zicht op de [straat A] (rechts verticaal in beeld) en de [straat B] (horizontaal in beeld). Bij aanvang van de camerabeelden is te zien dat een fietser op het fietspad aan de [straat A] richting Weert fietst. Iets (ongeveer 25 seconden) later is een man te zien die in tegengestelde richting op de [straat A] loopt en, zodra hij de hoek om is en op de [straat B] loopt, begint te rennen. Aangezien beide camerabeelden zien op hetzelfde tijdsblok en zich op beide beelden een vergelijkbaar scenario voordoet, neemt het hof aan dat het om dezelfde voetganger en fietser gaat, te weten de verdachte respectievelijk [getuige 1] . Hieruit concludeert het hof dat de verdachte wel degelijk is gaan rennen nadat het incident met aangeefster heeft plaatsgevonden. Zijn verklaring hieromtrent klopt dus niet. Het hof ziet niet in waarom de verdachte zou gaan rennen als enkel een schouderbotsing met aangeefster zou hebben plaatsgevonden, zoals de verdachte zelf verklaarde. Daarnaast acht het hof het niet aannemelijk dat aangeefster zou schreeuwen naar de verdachte en overstuur zou raken naar aanleiding van schoudercontact dat naar eigen zeggen van de verdachte niet heel hard en ter hoogte van aangeefsters bovenarm, tussen schouder en elleboog zou zijn geweest. Het procesdossier bevat niets wat de verklaring van de verdachte ondersteunt. Het hof heeft echter wel steunbewijs voor de verklaring van aangeefster gevonden, zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt. Het hof acht verdachtes verklaring met betrekking tot de wijze waarop het contact zou hebben plaatsgevonden ongeloofwaardig.
Op grond van het voorgaande schuift het hof het alternatieve scenario van de verdachte als niet aannemelijk geworden terzijde.
Het feit dat er naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek naar de broek van aangeefster geen DNA-match met de verdachte kon worden vastgesteld, maakt het voorgaande niet anders.
Op grond van al het hiervoor overwogene verwerpt het hof het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Voorwaardelijk verzoek
Door de raadsman van de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het verrichten van nader onderzoek.
De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het veel waarde hecht aan het ontbreken van een DNA-match, terwijl er wel onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van DNA in een van de broek van aangeefster afgenomen sporenmonster. Dat zou volgens de verdediging iets zeggen over de onschuld van de verdachte. Het ontbreken van een DNA-match dient dan ook te worden meegewogen in de afweging.
Als het daadwerkelijk zo is gegaan zoals aangeefster zegt dat het zou zijn gegaan, zou er volgens de verdediging door de verdachte DNA in overvloed moeten zijn achtergelaten (
het hof begrijpt: op de plek op de broek waarvan het sporenmonster is genomen).
De verdediging verzoekt vervolgens voorwaardelijk, te weten voor het geval het hof die visie niet deelt, dat een DNA-deskundige zich uit zal laten over de vraag of er voldoende DNA achtergelaten wordt om daaruit een geschikt spoor te krijgen, welke onderzocht kan worden.
Het uitgangspunt van de verdediging bij het gedane voorwaardelijke verzoek is dat er uit het forensisch onderzoek van The Maastricht Forensic Institute B.V. (
hierna: TMFI) geen DNA-match naar voren is gekomen en dat dat gegeven dient te worden meegenomen in de afweging (
naar het hof begrijpt: met betrekking tot de bewijsvraag) aangezien dat iets zou zeggen over de onschuld van de verdachte. De veronderstelling in deze redenering, zo begrijpt het hof, is dat verdachtes handelen, wanneer de lezing van aangeefster over verdachtes handelen zou worden gevolgd, in elk geval tot voldoende achtergelaten DNA-materiaal op de broek zou hebben geleid en dat het forensisch onderzoek dan ook tot een DNA-match met de verdachte zou hebben geleid. Het hof begrijpt dat de verdediging met het gedane verzoek deze veronderstelling door middel van een nader rapport van een DNA-deskundige heeft willen onderbouwen.
Het hof stelt vast dat het TMFI-onderzoek weliswaar geen DNA-match met het DNA van de verdachte heeft opgeleverd, zodat dat onderzoek in belastende zin geen aanwijzing heeft opgeleverd tegen de verdachte, maar naar het oordeel van het hof draagt het uitblijven van een belastende DNA-match evenmin bij aan ‘bewijs van onschuld’.
Immers betekent het feit dat naar aanleiding van een onderzoek aan een sporenmonster genomen van een sporendrager, niet is geconcludeerd tot een vaststelling van een DNA-match, niet zonder meer dat er op de sporendrager dan wel in het sporenmonster daadwerkelijk geen DNA-materiaal afkomstig van de verdachte aanwezig is. Een en ander is immers afhankelijk van tal van factoren zoals de kwaliteit van monsterneming, kwaliteit en aard van de sporendrager (in dezen: een beschadigde en bevuilde broek) vanaf welke het monster werd genomen, de kwaliteit van het monstermateriaal zelf, toegepaste methode van onderzoek. Zo is in het onderhavige geval vastgesteld dat er in het sporenmonster een DNA-mengprofiel is aangetroffen, afkomstig van minimaal drie donoren, van wie zeker één man. De additionele DNA-kenmerken waren echter niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek, terwijl ook bij aanvullend Y-chromosomaal DNA-onderzoek de conclusie was dat het onvolledige DNA-mengprofiel niet geschikt was voor vergelijkend DNA-onderzoek. Daarmee is nog niet gezegd dat elk DNA-materiaal van de verdachte in het monster of op de sporendrager (broek) afwezig was.
Het verzoek van de verdediging om een DNA-deskundige te laten rapporteren over “de vraag of er voldoende DNA achtergelaten wordt om daaruit een geschikt spoor te krijgen, dat kan worden onderzocht” wordt afgewezen nu de vraagstelling te algemeen is en de handeling waarover gerapporteerd zou moeten worden en de overige omstandigheden betreffende die handeling te weinig precies dan wel onvoldoende bepaalbaar zijn, om tot een adequate vraagstelling aan een DNA-deskundige te kunnen komen. Bij deze stand van zaken ziet het hof geen noodzakelijkheid om het voorwaardelijke verzoek tot het nader onderzoek toe te wijzen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
Op te leggen sanctie
De raadsman heeft het hof verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte vanwege deze zaak geen VOG heeft kunnen krijgen en dat hij nog studeert in een werk-leertraject.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding. De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] onverhoeds tegen haar billen geslagen en onverhoeds zijn hand tussen haar benen achter langs het kruis van [slachtoffer] bewogen, terwijl de verdachte wist dat [slachtoffer] dit niet wilde. Dit is een bijzonder kwalijk feit, waarmee de verdachte inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer [slachtoffer] . Slachtoffers van dergelijke delicten kunnen daar nog lange tijd nadelige psychische gevolgen van ondervinden. Dat niet alleen: verwerpelijke gedragingen als deze tasten ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan. De verdachte heeft kennelijk zijn eigen (lust)gevoelens voorop gesteld en zich onvoldoende rekenschap gegeven van de gevolgen voor het slachtoffer [slachtoffer] . Dat zij hiervan gevolgen heeft ondervonden wordt bevestigd in hetgeen door en namens haar ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht: het niet meer naar buiten durven in het donker, het hebben van nachtmerries en zelfs het stoppen met haar baan omdat de weg ernaartoe elke keer pijnlijke herinneringen opriep. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ten aanzien van soortgelijke feiten.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. In dat kader is naar voren gebracht dat de verdachte geen VOG heeft kunnen krijgen vanwege deze zaak en dat hij een werk-leertraject volgt.
Alles afwegende acht het hof met de politierechter, een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.521,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering was opgebouwd uit de volgende posten:
  • € 323,00 opgenomen vakantie-uren;
  • € 198,00 reiskosten; en
  • € 1.000,00 immateriële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 600,00, bestaande uit een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 100,00 aan materiële schade (geschatte reiskosten), het geheel te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
In hoger beroep is namens de benadeelde partij op 16 december 2025 door [naam] een gewijzigde vordering tot schadevergoeding ingediend. Daarbij is te kennen gegeven dat niet langer vergoeding van de schadepost ‘opgenomen vakantie-uren’ wordt gevorderd. De schadepost ‘reiskosten’ is daarentegen verhoogd.
De thans voorliggende vordering bevat de volgende schadeposten:
materiële schade
- Reiskosten € 343,00

immateriële schade

- Smartengeld € 1.000,00
Totale gevorderde schade: € 1.343,00.
Indien de post reiskosten niet meer verhoogd kan worden in hoger beroep, heeft [naam] het hof verzocht om het bedrag van de verhoging niet-ontvankelijk te verklaren zodat de benadeelde partij deze kosten bij de burgerlijke rechter kan vorderen.
De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering met betrekking tot de reiskosten dient te worden afgewezen omdat deze schadepost onvoldoende aannemelijk is gemaakt en onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging primair bepleit dat dit deel van de vordering dient te worden afgewezen wegens het ontbreken van een onderbouwing van het gestelde psychische letsel en subsidiair dat dit deel van de vordering sterk dient te worden gematigd.
Materiële schade
In eerste aanleg is namens de benadeelde partij een schadevergoedingsformulier ingediend waarin wordt vermeld dat een bedrag van € 198,00 ter zake van reiskosten wordt gevorderd. In hoger beroep is deze schadepost verhoogd naar € 343,00.
Het hof stelt voorop dat een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij niet kan worden verhoogd in de hoger beroepsfase. Ingevolge artikel 421 lid 3 Sv Pro kan de benadeelde partij zich in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering, voor zover die vordering door de rechtbank niet is toegewezen. Volgens vaste jurisprudentie moet de in deze wetsbepaling opgenomen beperking zo worden uitgelegd dat de benadeelde partij in hoger beroep niet alsnog schadeposten mag opvoeren die in eerste aanleg niet zijn opgevoerd, en evenmin het bedrag van de in eerste aanleg wel opgevoerde schadeposten mag verhogen (vgl. HR 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945 en HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1279).
Gelet op het voorgaande zal het hof de benadeelde partij dan ook in dat gedeelte van de vordering, te weten een bedrag van € 145,00, niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering in zoverre bij de burgerlijk rechter kan worden aangebracht.
Naar het oordeel van het hof is voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden dat de benadeelde partij materiële schade in de vorm van reiskosten heeft geleden tot een bedrag van € 198,00, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij heeft haar werkrooster overgelegd waaruit blijkt op welke momenten zij late diensten heeft gewerkt nadat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden. Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij door haar ouders met de auto naar haar werk is gebracht omdat zij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte niet meer in het donker durfde te fietsen. Daardoor is naar het oordeel van het hof sprake van zogenaamde ‘verplaatste schade’ als bedoeld in artikel 6:107 van Pro het Burgerlijk Wetboek en kan benadeelde partij vergoeding van deze schade geleden in de vorm van door derden gemaakte reiskosten vorderen. Het hof wijst de vordering daarom toe tot een bedrag van € 198,00.
Immateriële schade
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.
Het hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Hoewel zijdens de benadeelde partij niet met medische stukken is onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel, is het hof, gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zoals ter terechtzitting in hoger beroep is toegelicht, van oordeel dat sprake is van zodanig voor de hand liggende geestelijke schade door het bewezenverklaarde feit dat het hof een aantasting in de persoon op andere wijze zonder meer aanneemt, die haar aanspraak geeft op immateriële schadevergoeding, zoals bedoeld in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof schat deze immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof wijst het overige deel van de vordering tot immateriële schade af.
Kostenveroordeling
Ingevolge artikel 532 van Pro het Wetboek van Strafvordering dient de rechter in zijn uitspraak te beslissen over de proceskosten. Een redelijke uitleg van dat artikel brengt met zich dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van de proceskosten het zogenoemde liquidatietarief gehanteerd, zoals neergelegd in het ‘liquidatietarief kanton’ of het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’. Deze tarieven zijn geen recht in de zin van artikel 79 van Pro de Wet op de rechtelijke organisatie, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn. Het hof zal de proceskosten begroten volgens het liquidatietarief.
Ten aanzien van de rechtsgang in eerste aanleg dient aansluiting te worden gezocht bij het ‘liquidatietarief kanton per 1 februari 2024’, dat gold ten tijde van het wijzen van het vonnis door de rechtbank. Bij een hoofdsom tot en met € 1.250,00 wordt in de regel € 135,00 per punt salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband twee punten toe:
één punt voor het indienen van de vordering tot schadevergoeding en één punt voor de behandeling van de vordering ter terechtzitting in eerste aanleg. Het hof begroot de proceskosten voor de rechtsgang in eerste aanleg derhalve op een bedrag van € 270,00
(€ 135,00 x 2).
Voor de rechtsgang in hoger beroep is het ‘liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2024’ van toepassing. Daarbij wordt in geval van ‘principaal appèl/hoger beroep van een uitspraak van de kantonrechter op hof’ in geval van een hoofdsom beneden
€ 10.000,00 in de regel € 858,00 per punt salaris toegekend. De benadeelde partij komt één punt toe, namelijk voor de aanwezigheid van de advocaat ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij aldus begroot op € 1.128,00 (€ 270,00 + € 858,00).
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 948,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 948,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 9 (negen) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en de ten behoeve van [slachtoffer] opgelegde schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 948,00 (negenhonderdachtenveertig euro) bestaande uit € 198,00 (honderdachtennegentig euro) als vergoeding van materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op
1.128,00 (duizend honderdachtentwintig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 948,00 (negenhonderdachtenveertig euro) bestaande uit € 198,00 (honderdachtennegentig euro) materiële schadevergoeding en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 9 (negen) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. W.F. Koolen, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 16 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.