Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
[verdachte] ,
- feit 1 primair: ‘overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl degene die schuldig is aan dit feit, verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid van deze wet’;
- feit 2: ‘overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994’.
Stb.2019, 413) en de jurisprudentie waarin roekeloosheid is aangenomen, voor de vaststelling van roekeloosheid in beginsel wel is vereist. In dat verband heeft de raadsman aangevoerd dat de onder 1 tenlastegelegde omstandigheden dat de verdachte bij het naderen van een of meer (flauwe) bochten zijn snelheid onvoldoende heeft geminderd en/of de snelheid van de door hem bestuurde auto niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de auto onder controle te houden en/of tot stilstand te brengen, samenhangen met de snelheidsovertreding door de verdachte en dus geen zelfstandige schendingen van de verkeersregels opleveren. Tot slot heeft de raadsman, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 15 oktober 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1405), nog aangevoerd dat het bij het bewijs van opzettelijk in ernstige mate overtreden van verkeersregels onder meer aankomt op feiten en omstandigheden die zicht bieden op de “algehele instelling van de verdachte waar het zijn deelname aan het verkeer betreft in het concrete geval”. In dat verband heeft de raadsman erop gewezen dat van een vooropgezet plan van de verdachte om na in de stad te hebben gedronken met de auto naar huis te rijden, geen sprake was. Immers, de verdachte was op 11 december 2022 juist niet van plan om auto te gaan rijden en was daarom met de fiets naar de stad gegaan. Echter, hij heeft, nadat hij na terugkomst uit de stad eerst enkele uren had geslapen, de verkeerde inschatting gemaakt dat hij weer nuchter was en in staat om een auto te besturen. In dat opzicht verschilt de onderhavige zaak van de zaken waarin roekeloosheid door de rechter wel is aangenomen, aldus de raadsman.
Stb.2019, 413) onder meer overwogen dat
“onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175 lid 2 in Pro samenhang met artikel 6 WVW Pro 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a lid 1 WVW 1994 beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft”.” (r.o. 2.7.4)