De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling en kreeg een taakstraf opgelegd, met gedeeltelijke toewijzing van een schadevergoeding aan het slachtoffer. In hoger beroep werd het vonnis vernietigd vanwege een procedureel verzuim: de verdachte kreeg niet het recht het laatst te spreken, wat leidt tot nietigheid van het vonnis.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer op 1 januari 2025 te Goes tweemaal hard in het gezicht had gestompt, wat pijn en letsel veroorzaakte. De herkenning van de verdachte door twee verbalisanten werd als betrouwbaar beoordeeld, ondanks het verweer van de verdediging dat dit onvoldoende was.
Gezien het justitiële verleden van de verdachte en de ernst van het feit, legde het hof een gevangenisstraf van 1 maand op. De schadevergoeding aan het slachtoffer werd gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van €1.008,00, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden gelast.