Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1406

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
20-001052-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 3a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken bewijs voor wetenschap en aanwezigheid van hasjiesj in auto

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter is verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van ongeveer 10 kilogram hasjiesj. De politierechter had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, maar het hof vernietigt dit vonnis.

Het hof overwoog dat de algemene ervaringsregel dat de bestuurder van een auto waarin drugs worden aangetroffen wetenschap heeft van die drugs niet zonder meer opgaat. In deze zaak was de auto niet op naam van verdachte, was hij niet de exclusieve gebruiker, en was de hasjiesj in een verborgen ruimte aangetroffen met DNA van zijn broer op een bandage. Verdachte verklaarde de auto zonder toestemming te hebben geleend en ontkende kennis van de drugs.

De advocaat-generaal stelde dat verdachte zich bewust moest zijn geweest van de drugs, mede gelet op de hoeveelheid en de omstandigheden, maar het hof vond dat de contra-indicaties zwaarder wogen. Er was onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte willens en wetens de drugs aanwezig had. Daarom sprak het hof verdachte vrij.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en macht over de hasjiesj in de auto.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001052-25
Uitspraak : 1 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-395238-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
thans uit anderen hoofde verblijvende in [locatie]
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde feit bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
Door de verdediging is integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 3 mei 2023 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 10 kilo, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daaraan is door de advocaat-generaal ten grondslag gelegd dat de verdachte zich er op zijn minst bewust van was dat hij de tien kilogram hasjiesj vervoerde, aangezien de verdachte de bestuurder van de auto was, meerdere gripzakjes hennep bij hem zijn aangetroffen en hij midden in de nacht onderweg was naar een vrouw wiens achternaam hij niet wil vertellen. Bovendien acht de advocaat-generaal het onwaarschijnlijk dat iemand 10 kilogram hasjiesj in een auto legt en vervolgens iemand anders ermee laat rondrijden. Daarnaast zijn er volgens de advocaat-generaal aanwijzingen dat de verdachte zich bezighoudt met handel in verdovende middelen, gelet op de aangetroffen papieren in het huis van de verdachte waarop termen worden genoemd die worden gebruikt in de handel in harddrugs, zoals “liters”, “groen” en “vloeibaar”.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap had over de aanwezigheid van de verdovende middelen, omdat hij de auto zonder toestemming had geleend en er geen DNA van de verdachte is aangetroffen op de drugs of de verborgen ruimte in de auto.
Juridisch kader
Voor de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke overtreding van artikel 3, onder C, van de Opiumwet is op grond van bestendige jurisprudentie vereist dat:
a) de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs en b) dat de drugs zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden.
Voor wat betreft het eerste vereiste geldt dat die wetenschap – het opzet – ook kan worden ingevuld in de vorm van voorwaardelijk opzet, waarbij de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op het aanwezig hebben van de drugs heeft aanvaard.
Voor wat betreft het tweede vereiste geldt voorts dat uit feiten en omstandigheden dient te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren en evenmin hoeft sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat in de jurisprudentie als algemene ervaringsregel wordt geaccepteerd dat de bestuurder, tevens enig inzittende, van een auto waarin verdovende middelen worden aangetroffen, met de aanwezigheid van die verdovende middelen bekend pleegt te zijn (Vgl. HR 25 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9587 (niet gepubliceerd), NJ 1987/493). Er kunnen zich situaties voordoen waarin deze algemene ervaringsregel te meer opgeld doet, bijvoorbeeld in het geval de verdachte tevens eigenaar en exclusieve gebruiker van het voertuig is. Tegelijkertijd laten zich ook situaties denken waarin sprake is van contra-indicaties voor het vasthouden aan die algemene ervaringsregel, bijvoorbeeld in de situatie dat het voertuig door verschillende personen wordt gebruikt of waarin de verdachte ongewild en kort voor het aantreffen van de verdovende middelen met de aanwezigheid daarvan werd geconfronteerd. Bij dit een en ander kan bovendien nog meespelen om wat voor soort verdovende middelen het gaat, waar en onder welke omstandigheden – bijv. hoe de verdovende middelen zijn verpakt – deze in het voertuig zijn aangetroffen, de context waarbinnen deze door de autoriteiten zijn aangetroffen, de procesopstelling van de verdachte en of en zo ja in welke mate er aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van anderen dan de verdachte.
Het aantreffen van verdovende middelen in een voertuig waarvan de verdachte de bestuurder en enig inzittende is, levert al met al een gerechtvaardigd, doch weerlegbaar, bewijsvermoeden op dat de verdachte weet had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in het voertuig en dat hij daarover kon beschikken. Of dat bewijsvermoeden uiteindelijk tot een bewezenverklaring kan leiden van het opzettelijk aanwezig hebben, zal vervolgens afhangen van de omstandigheden van het geval.
Het hof stelt op basis van het procesdossier de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 3 mei 2023 hebben verbalisanten in Breda een voertuig gecontroleerd dat op dat moment bestuurd werd door de verdachte. De verdachte was niet in het bezit van een rijbewijs en verklaarde dat hij geld had gebracht bij een vriendin in Dordrecht die in geldnood zat. Hij heeft dit aan de hand van berichten op zijn telefoon laten zien. Het voertuig staat op naam van [medeverdachte 1] . In het voertuig werden meerdere hennepzakjes aangetroffen. Het voertuig waarin de verdachte reed, is inbeslaggenomen, omdat dit de vijfde keer was dat de verdachte zonder rijbewijs reed. Het inbeslaggenomen voertuig is later onderzocht en daarbij hebben verbalisanten in de achterbak een verborgen ruimte aangetroffen met daarin tien kilogram hasjiesj. In de verborgen ruimte lag een bandage die is bemonsterd op DNA. Op de bandage is het DNA van de broer van de verdachte aangetroffen. De eigenaar van de auto heeft verklaard dat hij niets afweet van de aangetroffen drugs en dat hij de auto had uitgeleend aan zijn vriend “ [medeverdachte 2] ”. Op grond van de verdenking dat de verdachte zich bezighoudt met handel in verdovende middelen hebben verbalisanten het huis van de verdachte doorzocht. In een kast zijn papieren aangetroffen met termen die gebruikt worden in de handel in verdovende middelen, alsmede adressen en hoeveelheden.
De verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat hij geld had gebracht bij een vrouw in Dordrecht en op de terugweg was toen hij gecontroleerd werd door de politie. De vrouw had het geld snel nodig gehad, waarop hij de auto zonder toestemming van [medeverdachte 1] had geleend. Hij heeft ten tijde van de staandehouding onmiddellijk aan de politie berichten op zijn telefoon laten zien om dit te onderbouwen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep tevens de naam van de vrouw genoemd, wat hij tijdens het politieverhoor nog niet wilde doen. De gripzakjes hennep die hij bij zich had waren voor eigen gebruik, aldus de verdachte. De verdachte heeft vanaf het eerste moment ontkend dat hij wist dat er verdovende middelen in een verborgen ruimte in de auto lagen.
Het hof is van oordeel dat op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden niet zonder meer kan worden vastgehouden aan de algemene ervaringsregel dat de verdachte, als bestuurder en enig inzittende van het voertuig, wetenschap heeft gehad van (de aanmerkelijke kans op) de aanwezigheid van drugs in de auto waarin hij op 3 mei 2023 heeft gereden. De auto stond niet op naam van de verdachte en het staat genoegzaam vast dat de verdachte niet de exclusieve gebruiker is van de auto. Zo heeft de eigenaar van de auto verklaard dat hij zijn auto die dag had uitgeleend aan een ander dan de verdachte en volgt uit het relaas van de politie dat de verdachte eerder ook als bijrijder in de betreffende auto is gecontroleerd. Bovendien is de hasjiesj in een verborgen ruimte in de auto aangetroffen en lag deze dus niet in direct zicht van eventuele inzittenden en in de verborgen ruimte is een bandage aangetroffen met daarop het DNA van de broer van de verdachte. Deze bandage lag bij de verpakkingen hasjiesj. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat deze broer soms ook verblijft in het huis waar de papieren zijn aangetroffen. Verder heeft de verdachte verklaard dat hij de auto zonder toestemming van de eigenaar heeft meegenomen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wegens de hierboven uitgewerkte contra-indicaties niet zonder gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte (ten minste) willens en wetens de aanmerkelijke kans op het aanwezig hebben van drugs heeft aanvaard. Dat de in de auto aangetroffen hasjiesj een aanzienlijke hoeveelheid betreft en een behoorlijke financiële waarde heeft en dat het dus onaannemelijk is dat de eigenaren van de drugs zomaar iemand anders met deze drugs zouden laten rijden, zoals de advocaat-generaal heeft aangevoerd, maakt dat oordeel in dit geval niet anders.
Dientengevolge heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. G.M. Goes en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Meer, griffier,
en op 1 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. P.J.D.J. Muijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.