ECLI:NL:GHSHE:2026:1407

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
20-002180-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 164 SvArt. 66 SrArt. 38v Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van strafbare belaging ondanks langdurige gedragingen

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft in hoger beroep het vonnis van de politierechter vernietigd en verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde strafbare belaging. De tenlastelegging betrof een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster door gedragingen tussen 31 juli 2023 en 14 oktober 2024.

De verdediging voerde aan dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte voor een strafbare belaging en dat de gedragingen van verdachte, hoewel eigenzinnig, verklaarbaar waren. Het hof stelde vast dat verdachte en aangeefster op korte afstand van elkaar wonen en dat veel ontmoetingen op publieke plaatsen plaatsvonden. Diverse gedragingen, zoals het lopen langs de woning van aangeefster, het parkeren van de auto in de buurt en het sturen van WhatsApp-berichten, werden beoordeeld, maar niet als stelselmatig en ernstig genoeg aangemerkt.

Het hof oordeelde dat de gedragingen niet voldeden aan de vereisten van duur, frequentie en intensiteit om te spreken van strafbare belaging zoals bedoeld in artikel 285b Sr. Ook werd het standpunt van de verdediging dat de klacht niet tijdig was ingediend verworpen. De verdachte werd daarom vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van strafbare belaging.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002180-25
Uitspraak : 29 mei 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats, van 22 augustus 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-162152-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de bewezenverklaarde gedragingen die vallen buiten de door de rechtbank bewezenverklaarde pleegperiode en met uitzondering van de strafmaat. Ten aanzien van de strafmaat heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 26 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 38v Sr worden opgelegd in de vorm van een contact- en locatieverbod voor de duur van 2 jaren. Ingeval het hof deze maatregel niet zou opleggen, vordert de advocaat-generaal dat aan de verdachte een contact- en locatieverbod wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke gevangenisstraf.
De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van het tenlastegelegde feit. Voorts heeft de raadsman vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 juli 2023 tot en met 14 oktober 2024 in [plaatsnaam] en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] door (telkens)
- aan die [slachtoffer] te vertellen dat hij veroordeeld is voor belaging van zijn ex-vrouw en de sleutel van zijn ex-vrouw heeft laten namaken om zo haar woning te betreden, en/of
- veelvuldig (agressieve en/of intimiderende) WhatsApp-berichten en/of e-mailberichten naar die [slachtoffer] te versturen, en/of
- zich veelvuldig nabij de woning van die [slachtoffer] en/of de woning van de vriend van die [slachtoffer] te begeven en/of op te houden, en/of
- zich veelvuldig in de onmiddellijke nabijheid van die [slachtoffer] en/of de dochters van die [slachtoffer] te begeven en/of op te houden tijdens bezoeken van [slachtoffer] en/of haar dochters aan openbare ruimtes, waaronder een park, een supermarkt en/of een sportschool,
(telkens) met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van het tenlastegelegde feit nu door aangeefster geen tijdige en/of volledig gave klacht is ingediend.
De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat belaging zoals strafbaar gesteld in artikel 285b Sr een klachtdelict is en dat op grond van artikel 164 Sv Pro de klacht bestaat uit een aangifte en een verzoek tot vervolging. Er is aangifte gedaan, maar aan het cumulatieve vereiste van een verzoek tot strafvervolging is niet voldaan. Volgens de raadsman ontbreekt de expliciete opgave van de intentie van aangeefster dat er strafvervolging wordt ingesteld jegens de verdachte. Daarnaast is de klacht [
het hof begrijpt: voor zover daarvan sprake is] evident tardief nu de aangifte buiten de driemaandentermijn is ingediend zoals vereist in artikel 66 Sr Pro. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de klachttermijn is aangevangen op 28 september 2023, zijnde de datum van aangeefsters stopbrief aan de verdachte. Aangezien de aangifte dateert van 29 februari 2024 is deze ruim vijf maanden te laat ingediend.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Met de politierechter is het hof van oordeel dat er sprake is van een klacht en dat voldoende duidelijk is dat de intentie van aangeefster gericht is op de strafvervolging van de verdachte. Het hof wijst erop dat aangeefster in haar aangifte heeft gezegd dat ze wil dat het gedrag van de verdachte stopt “of dit nu moet middels strafvervolging of via een andere weg”. Daarnaast bevat het dossier op pagina 20 een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal waaruit de ontvangst van een schriftelijke klacht terzake stalking door de hulpofficier van justitie op 15 mei 2024 blijkt. Uit een ander proces-verbaal op pagina 35 van het dossier blijkt bovendien dat strafvervolging met aangeefster is besproken. Beide processen-verbaal vermelden ook de bedenktijd van acht dagen.
Met betrekking tot de driemaandentermijn waarbinnen de klachtgerechtigde een klacht moet indienen, overweegt het hof dat voor het bepalen van het aanvangsmoment van de termijn, niet gekeken dient te worden naar het moment dat de belaging een aanvang neemt, maar uiterlijk naar het moment dat de belaging tot een einde is gekomen (Hoge Raad 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:13). Het hof stelt op grond van het dossier vast dat na aangeefsters stopbrief, maar ook na haar aangifte op 29 februari 2024 in het logboek nieuwe voorvallen door aangeefster zijn genoteerd tot aan 20 oktober 2024. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat sprake is van een voortdurend delict. In dat geval is er nog geen concreet moment waarop de termijn voor het indienen van een klacht is aangevangen. Het standpunt van de raadsman dat de driemaandentermijn (niettemin) is aangevangen op de datum van aangeefsters stopbrief vindt geen steun in het recht. Het hof verwerpt het verweer dat de klacht tardief is ingediend.
Het hof is dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit.
Vrijspraak
In hoger beroep is door de raadsman – op gronden zoals vermeld in de pleitnota – vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De verdachte heeft zijn gedrag na de breuk met aangeefster niet veranderd, enkel de perceptie van aangeefster – die aantoonbaar in strijd is met de materiële werkelijkheid – is veranderd. Daarbij heeft de politie de verklaringen van aangeefster, noch die van de verdachte geverifieerd. Van objectieve waarheidsvinding is geen sprake geweest. De verdachte heeft zich genoodzaakt gezien om zijn visie ondersteund door objectief bewijs aan het dossier toe te voegen. De gedragingen van de verdachte – hoewel eigenzinnig en merkwaardig – zijn verklaarbaar. Daarbij komt dat de verdachte en aangeefster op zeer korte afstand van elkaar wonen waardoor het onvermijdelijk is dat ze elkaar tegenkomen.
De advocaat-generaal heeft zich ter zitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het dossier voldoende en wettig bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van belaging te komen. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte eerst via de gebruikelijke communicatiemiddelen aangeefster heeft lastiggevallen en later op een meer geraffineerde wijze. Door het veelvuldig langs de woning van aangeefster te lopen en die woning te begluren, het posteren bij de woning, en het zich bevinden in de buurt of op plaatsen waar aangeefster komt.
Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Aangeefster heeft het volgende verklaard. Zij kent de verdachte sinds 2019. Sinds Covid-19 in 2020 is zij (bijna) dagelijks met de verdachte gaan wandelen en is een puur vriendschappelijke relatie ontstaan. Nadat zij in mei 2023 officieel een relatie kreeg met een andere man en de verdachte daarover vertelde op 31 juli 2023, veranderde de vriendschap. De verdachte vertelde haar op dat moment over zijn veroordeling voor belaging van zijn ex-vrouw, waardoor aangeefster zich direct onveilig voelde. Korte tijd daarna biechtte de verdachte zijn jaloezie op, vertelde dat hij driemaal langs de woning van haar nieuwe vriend was gefietst en dat hij haar online had proberen te volgen. Hierop heeft aangeefster de vriendschap beëindigd. De weken erna zagen zij, haar dochters en haar buren dat de verdachte bij de woning stond te posteren en de woning binnen gluurde. Plotseling kwam aangeefster de verdachte bij de [winkel 1] en de sportschool tegen terwijl aangeefster wist dat de verdachte voordien nooit op die dagen zijn boodschappen deed of sportte. Ook wist aangeefster dat de verdachte zijn boodschappen altijd bij de [winkel 2] deed. Op 5 september 2023 blokkeerde aangeefster de verdachte in haar WhatsApp-account en op 28 september 2023 schreef zij hem een stopbrief. Het gedrag van de verdachte werd daarna erger en creatiever. Overal waar aangeefster was dook de verdachte op.
In de periode van 31 juli tot en met 14 augustus 2023 was sprake van wederzijds contact tussen de verdachte en aangeefster via WhatsApp, e-mail en spraken zij elkaar mondeling. Op 6 augustus 2023 besloot aangeefster de huissleutel van de verdachte aan hem terug te geven en heeft zij haar huissleutel van hem teruggekregen. Op 14 augustus 2023 heeft aangeefster de verdachte laten weten dat zij geen contact meer met hem wenst.
Aangeefster heeft een logboek bijgehouden waarin zij de voorvallen heeft genoteerd in de periode 31 juli 2023 t/m 14 oktober 2024. Daaruit blijkt dat de voorvallen veelal plaatsvonden bij (of in de nabijheid van) haar woning, in de [winkel 1] , in de sportschool en bij de bushalte.
Op 12 december 2023 heeft de wijkagent [verbalisant] de verdachte thuis bezocht en met hem een zogeheten stopgesprek gevoerd. De verdachte ontkende dat hij iets verkeerds deed. Daarop heeft de wijkagent hem medegedeeld dat hij beter andere weggetjes en andere tijden kon opzoeken, en dat hij vooral de andere kant op moest kijken als hij aangeefster tegenkwam om te voorkomen dat hij in de problemen kwam.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat veel beschuldigingen van aangeefster aantoonbaar onjuist zijn. Ter onderbouwing heeft hij bewijsmateriaal aangedragen. De verdachte heeft aangeefster al bij aanvang van de vriendschap eerlijk verteld over de veroordeling voor belaging van zijn ex-vrouw. Aangeefster wist daarnaast dat hij zijn boodschappen ook voor hun breuk al bij de [winkel 1] deed en dat verdachte sportte in hetzelfde sportcentrum. De verdachte wandelt heel erg veel in verband met zijn gezondheid. Hij kwam zo’n vier keer per dag door haar straat. Elkaar helemaal vermijden is onmogelijk. Na zijn aanhouding is de verdachte geschorst door zijn werkgever en bij een veroordeling volgt ontslag. De verdachte zat bij de bushalte om lege blikjes en flesjes te zoeken en uit eenzaamheid maakte hij graag een praatje met reizigers. In een periode waarin zijn structuur wegviel is de verdachte om zijn rommelig huis te ontlopen in zijn auto gaan zitten. Achteraf vindt de verdachte de plek waar hij dat deed een domme keuze, maar hij dacht er niemand kwaad mee te doen en is er gelijk mee gestopt toen de politie hem daarop aansprak. De verdachte heeft nadat hij zijn gevoelens van jaloezie had opgebiecht aan aangeefster vrijwillig hulp gezocht en is inmiddels twee jaar in behandeling. Een klinisch psycholoog heeft geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een stoornis in het autismespectrum.
Is er sprake van strafbare belaging?
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht is van belang wat de bewijsmiddelen inhouden met betrekking tot de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
In dat verband zal het hof eerst vaststellen vanaf welk moment het voor de verdachte duidelijk moet zijn geweest dat aangeefster geen contact meer met hem wenste. Het hof is, met de politierechter, van oordeel dat dat moment heeft te gelden vanaf 15 augustus 2023. Daarvoor was immers nog sprake van wederzijds contact tussen aangeefster en de verdachte. Dit betekent dat het hof op voorhand een tweetal aan de verdachte tenlastegelegde gedragingen die voor 15 augustus 2023 hebben plaatsgevonden buiten beschouwing zal laten. Dat betreft allereerst de gebeurtenis waarbij de verdachte driemaal langs de woning van de vriend van aangeefster is gefietst. Deze gedraging vond plaats tussen 1 en 5 augustus 2023. Ook het moment waarop de verdachte aan aangeefster heeft verteld dat hij is veroordeeld voor belaging van zijn ex-vrouw valt buiten de relevante periode. Aangeefster heeft in haar aangifte verklaard dat de verdachte haar dit op 31 juli 2023 heeft verteld. Over dit laatste voorval merkt het hof nog op dat de verdachte ter terechtzitting naar voren heeft gebracht dat hij bij aanvang van de vriendschap aan aangeefster open en eerlijk heeft verteld over zijn veroordeling voor belaging van zijn ex-vrouw. De verdachte heeft daartoe screenshots van WhatsApp-berichten overgelegd waaruit het hof afleidt dat aangeefster hiervan in ieder geval op 1 juli 2020 op hoogte was.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de overige tenlastegelegde gedragingen een stelselmatige inbreuk op het persoonlijke leven van aangeefster opleveren. Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de omstandigheden waaronder die blijkens het dossier en het onderzoek ter terechtzitting hebben plaatsgevonden, deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.
Hoewel het hof uit het dossier en de verklaring van aangeefster ter terechtzitting opmaakt dat aangeefster de momenten waarop zij de verdachte is tegengekomen als onwenselijk en onaangenaam heeft ervaren en daardoor bij haar ook gevoelens van angst zijn ontstaan, is het hof van oordeel dat deze voorvallen naar hun aard, intensiteit en frequentie niet van zodanige ernst zijn geweest dat sprake is geweest van stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Daaromtrent overweegt het hof meer specifiek dat de verdachte over de meeste contactmomenten een verklaring heeft afgelegd die niet onaannemelijk is en op zichzelf niet strijdig is met de inhoud van het dossier. Ook heeft de verdachte diverse stukken ingebracht die zijn verklaring ondersteunen.
Supermarkt en sportschool
Het hof neemt in het bijzonder in aanmerking dat aangeefster en de verdachte dichtbij elkaar wonen op ongeveer 100 meter afstand en dat aangeefster de verdachte veelal op publieke plaatsen is tegengekomen, in het park, in de [winkel 1] en in de sportschool. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij zeer veel wandelt en de dagen en tijdstippen waarop hij naar de [winkel 1] en de Sportschool gaat niet heeft gewijzigd na de beëindiging van de vriendschap met aangeefster. Het hof heeft de verklaring van de verdachte op dit punt kunnen verifiëren aan de hand van de stukken, zoals bankafschriften, een uitdraai van de sportschool en screenshots van WhatsApp-berichten, die hij ter terechtzitting heeft overgelegd. Uit het verhandelde ter terechtzitting komt het hof tot het oordeel dat het niet onaannemelijk is dat aangeefster de verdachte bij deze voorvallen door toeval is tegengekomen, zoals door de verdachte ter zitting naar voren is gebracht.
Bushalte en auto
Het dossier geeft ook blijk van andere gedragingen van de verdachte die aangeefster noteerde in haar logboek. De verdachte zit meermalen bij de bushalte nabij de woning van aangeefster zonder in de bus te stappen. Ook parkeert hij zijn auto op verschillende plekken in de omgeving van aangeefsters woning waarbij hij enkele keren zelf in de auto bleef zitten. Over deze voorvallen overweegt het hof het volgende. Hoewel het hof deze gedragingen van de verdachte opmerkelijk en ongebruikelijk vindt kan niet zonder meer worden gezegd dat die gedragingen de lat van belaging halen. In dat verband overweegt het hof dat de frequentie van deze gedragingen in de tenlastegelegde periode niet zodanig hoog is dat deze stelselmatig zijn. Ook de aard en intensiteit van deze gedragingen acht het hof te gering om bij te dragen aan een stelselmatige inbreuk op het persoonlijke leven van aangeefster. In dat verband betrekt het hof dat de verdachte zijn auto op verschillende plaatsen parkeerde waardoor niet zonder meer een link met aangeefster is te leggen. Het hof is daarnaast gebleken dat de verdachte bij deze voorvallen vaak op plekken zat waar aangeefster niet onvermijdelijk langskwam. Dat neemt niet weg dat aangeefsters dochter de verdachte een aantal keer bij de bushalte is tegengekomen en dat zij als gevolg daarvan bang is geworden. De tenlastelegging is gericht op de belaging van [slachtoffer] , niet op die van haar dochter. Het hof is echter uit het dossier niet gebleken dat de verdachte door deze contactmomenten erop uit was om aangeefster via haar dochter tot iets te dwingen, te dulden of vrees aan te jagen.
Woning
Met betrekking tot het veelvuldig langs de woning van aangeefster lopen door verdachte overweegt het hof het volgende. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij per dag zeer veel kilometers wandelt om zijn gestelde wandeldoelen te halen, dit in verband met zijn gezondheid. Hij wandelt in de ochtend, middag en avond. Ter terechtzitting heeft de verdachte verder verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode wel vier keer per dag door de straat van aangeefster liep. Hoewel het hof niet inziet waarom de verdachte tijdens zijn wandelingen ervoor kiest om door de straat van aangeefster te lopen, temeer nu hem door aangeefster duidelijk is gemaakt dat zij daar last van heeft, is het hof uit het dossier onvoldoende gebleken dat de verdachte zich dan ophoudt in de straat of voor haar woning. Datzelfde geldt voor het naar binnen kijken van de woning. Daarbij betrekt het hof dat uit het proces-verbaal van bevindingen (pagina 47-51), waarin een zevental beelden afkomstig van aangeefsters ring deurbel is beschreven, blijkt dat vijf beelden dateren van januari en februari 2023, toen er nog sprake was van een vriendschap tussen aangeefster en de verdachte. Op de twee resterende twee beelden is volgens de beschrijving te zien dat de verdachte op 14 augustus 2023 aangeefsters vuilcontainer aan de weg zet en op 15 augustus 2023 een witte plastic zak in aangeefsters vuilcontainer stopt. De verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de vriendschap de gewoonte had de vuilcontainer van aangeefster aan de weg en terug te zetten. Het hof overweegt het volgende over deze beelden. Het hof herhaalt dat het heeft vastgesteld dat het moment waarop het voor de verdachte duidelijk moest zijn dat de vriendschap definitief was verbroken vanaf 15 augustus 2023 is. Het beeld van 14 augustus 2023 valt daarbuiten. Maar bovenal is het hof van oordeel dat de beschreven handelingen te gering zijn om aan te merken als een inbreuk op de levenssfeer van aangeefster. Dit gelet op het specifieke moment waarop de beschreven handelingen van de verdachte plaatsvonden kort na de breuk en gezien de aard van die handelingen, de gedragsgewoonte waarover de verdachte heeft verklaard daarbij in ogenschouw nemend.
WhatsApp-berichten
Tot slot overweegt het hof het volgende over de WhatsApp-berichten die de verdachte maandenlang naar aangeefster heeft gestuurd. Bij de aanhouding van de verdachte zijn twee telefoons van hem door de politie in beslag genomen en onderzocht. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat de verdachte maandenlang talrijke WhatsApp-berichten met voornamelijk linkjes naar nieuwsberichten, emoticons en lege berichten naar aangeefster heeft gestuurd. Het overgrote deel van deze WhatsApp-berichten heeft aangeefster echter niet bereikt omdat aangeefster de verdachte vanaf 5 september 2023 had geblokkeerd in haar WhatsApp-account. Aangeefster heeft ook verklaard dat zij na het blokkeren nooit meer contact heeft gehad met de verdachte via WhatsApp. Nu aangeefster geen kennis heeft genomen van deze WhatsApp-berichten en evenmin is gebleken dat aangeefster nadien daarvan op de hoogte is geraakt, is het hof van oordeel dat deze berichten niet bijdragen aan de vraag of sprake is van belaging.
Conclusie
Het hof wil niets afdoen aan de perceptie van aangeefster en de bij haar ontstane gevoelens van onveiligheid door de gedragingen van de verdachte. Het hof meent dat de verdachte hier (meer) rekenschap aan had kunnen en moeten geven. De beoordeling die het hof evenwel vanuit strafrechtelijk oogpunt dient te maken leidt het hof tot het oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet overtuigend kan worden bewezen dat sprake was van een zodanige duur, frequentie en intensiteit van gedragingen dat kan worden gesproken van een strafbaar stelselmatige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 285b Sr.
Aan de vraag of bewezen kan worden dat verdachte handelde met het oogmerk om aangeefster te dwingen iets te doen, dulden of nalaten komt het hof gezien het voorgaande niet toe.
Gelet op het voorgaande kan het handelen van de verdachte niet als belaging worden aangemerkt, zodat hij hiervan zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door:
mr. C.C.H.T. Coert, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. S.V. Pelsser, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.A.C.G. Heijse en mr. E. Vogelvang, griffiers,
en op 29 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. E. Vogelvang is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.