ECLI:NL:GHSHE:2026:1437

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
24/1908
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Wet WOZArt. 8:75 AwbArt. 7:15 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging proceskostenvergoeding onder toepassing artikel 30a Wet WOZ in hoger beroep

Belanghebbende, huurder van een zorgcentrum, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en de daarop gebaseerde OZB-aanslag. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de WOZ-beschikking en de aanslag, en veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van proceskosten, waarbij artikel 30a Wet WOZ werd toegepast om de vergoeding te matigen.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat artikel 30a Wet WOZ onzorgvuldig tot stand is gekomen en in strijd is met hogere regelgeving zoals het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod. Het hof oordeelde dat deze wet niet in strijd is met hogere regelgeving en dat de matiging van de proceskostenvergoeding terecht is toegepast, mede gelet op het doel van artikel 30a om misbruik door beroepsmatige rechtsbijstand te voorkomen.

Het hof wees ook het beroep op eerdere jurisprudentie af en stelde vast dat geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van het forfait rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Vergoeding van het griffierecht werd niet toegewezen en er werd geen proceskostenveroordeling in hoger beroep opgelegd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de rechtbankuitspraak over de proceskostenvergoeding onder toepassing van artikel 30a Wet WOZ.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1908
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] BV,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 november 2024, nummer SHE 24/1920 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Oost-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) voor het jaar 2023 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is huurder en daarmee gebruiker van de onroerende zaak.
2.2.
Het betreft een zorgcentrum. Het oorspronkelijk bouwjaar van het object, een voormalig klooster, is 1952. Vervolgens zijn diverse aanbouwen gerealiseerd in 1961, 1981 en 1994. In 2014 heeft het object de functie gekregen als verzorgingstehuis. De opstallen omvatten verzorgingsruimtes, woonruimtes, centrale voorzieningen op de begane grond en de eerste verdieping en een vrijstaande berging/schuur.
2.3.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2022 vastgesteld op € 1.452.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak en de aanslag gehandhaafd. De rechtbank heeft de WOZ-beschikking en de aanslag OZB vernietigd, heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten in bezwaar ten bedrage van € 1.248 en in de proceskosten van het beroep - onder toepassing van artikel 30a Wet WOZ - ten bedrage van € 676,88. Verder heeft de rechtbank de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 371 aan belanghebbende te vergoeden.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank de vergoeding van de proceskosten van het beroep juist heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of de rechtbank terecht de proceskostenvergoeding in beroep heeft gematigd op grond van artikel 30a Wet WOZ.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en het vaststellen van de proceskosten in beroep zonder toepassing van artikel 30a Wet WOZ. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Belanghebbende stelt dat de rechtbank in haar uitspraak ten onrechte heeft opgenomen dat ter zitting is betoogd dat er een hogere wegingsfactor moet worden toegepast gelet op de ingewikkeldheid van de zaak. Belanghebbende stelt ter zitting bij de rechtbank te hebben aangevoerd dat artikel 30a Wet WOZ buiten toepassing had moeten worden gelaten bij de berekening van de hoogte van de proceskostenvergoeding in beroep. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom hieraan niet tegemoet is gekomen, aldus belanghebbende.
4.2.
In hoger beroep voert belanghebbende aan dat artikel 30a Wet WOZ buiten toepassing moet worden verklaard omdat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. Door onderscheid te maken tussen alle WOZ- en bpm-zaken en andere belastingzaken, komt voornoemde bepaling in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod. Ook is artikel 30a Wet WOZ volgens belanghebbende in strijd met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, nu deze is gebaseerd op overhaaste conclusies en zeer grove schattingen. Ten slotte wijst belanghebbende op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2024. [1] Hieruit volgt dat artikel 30a Wet WOZ discriminatoir is, nu geen onderscheid wordt gemaakt tussen WOZ-woningzaken en WOZ-niet-woningzaken.
4.3.
Het hof oordeelt als volgt. In het kader van een beroep betreffende een besluit genomen op grond van de Wet WOZ, wordt het bedrag dat strekt tot vergoeding van de proceskosten vermenigvuldigd met 0,25 indien het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd, behoudens bijzondere omstandigheden. De wetgever heeft met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten worden aangemerkt als bijzondere gevallen. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende. [2]
4.4.
Omdat het beroep bij de rechtbank gegrond was, heeft de rechtbank aanleiding gezien de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand berekend op het bedrag van € 2.187,50 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie van belanghebbende, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Omdat het beroep van belanghebbende was gericht tegen een uitspraak op bezwaar van 8 februari 2024 heeft de rechtbank de wettelijke vermenigvuldigingsfactor van 0,25 uit de Wet WOZ voor de proceskostenvergoeding in de beroepsfase toegepast. [3] De vergoeding voor de proceskosten in de beroepsfase is door de rechtbank vastgesteld op het bedrag van € 546,88. Daarnaast heeft de rechtbank een vergoeding van € 130 toegekend voor het bijwonen van de zitting door de taxateur, zodat de totale proceskostenvergoeding € 676,88 bedraagt.
4.5.
De stelling dat artikel 30a Wet WOZ in strijd is met hogere regelgeving, zoals het (Unierechtelijke) doeltreffendheidsbeginsel, gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod, faalt op de gronden als vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. [4] Ook het beroep van belanghebbende op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden faalt. In dit arrest stelt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vast dat ‘de parlementaire stukken blijk geven van cijfers en informatie met betrekking tot die procedures [hof: WOZ- en bpm-procedures]. Gebleken is verder dat door zowel het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum als het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden van de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek is gedaan naar de werkwijze en het verdienmodel van
no cure no pay-bureaus in het kader van procedures tegen een WOZ-beschikking, bpm-aangifte of bpm-naheffingsaanslag.’ Anders dan belanghebbende stelt volgt uit dit arrest niet dat artikel 30a Wet WOZ discriminatoir met betrekking tot WOZ- en bpm-zaken.
4.6.
Tot slot heeft belanghebbende aangevoerd dat sprake is van schending van artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat er met de toegekende vergoeding helemaal geen sprake meer is van een redelijke tegemoetkoming in de kosten. Het hof stelt vast dat op grond van artikel 8:75, lid 1, Awb in samenhang met artikel 7:15, lid 2, Awb kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, kunnen worden vergoed. Volgens artikel 2, lid 1, letter a, Bpb geldt voor de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand een forfait dat is opgenomen in de bijlage bij het Bpb. Artikel 2, lid 3, Bpb bepaalt dat onder bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van een forfaitaire kostenvergoeding. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, zodat de vergoeding voor proceskosten wordt berekend met inachtneming van het forfait.
Tussenconclusie
4.7.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.8.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.9.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
R.J.M. de Fouw J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

2.HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.1 en 3.5.2.
3.Artikel 30a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet WOZ.