ECLI:NL:GHSHE:2026:1518

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
20-001129-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 9a SrArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep opzettelijk aanwezig hebben van GHB zonder strafoplegging

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Breda, waarin verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 31 dagen, waarvan 30 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet.

Het hof bevestigde de schuldverklaring, maar vernietigde de opgelegde straf en besloot opnieuw recht te doen. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van eerdere onherroepelijke veroordelingen voor soortgelijke feiten, en de recente ontwikkelingen zoals opname in een zorginstelling en het staken van middelengebruik, vond het hof dat strafoplegging geen redelijk doel meer dient.

Het hof gaf toepassing aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (rechterlijk pardon) en legde geen straf of maatregel op. De eerdere straf werd daarmee vernietigd, en het vonnis werd voor het overige bevestigd.

Uitkomst: Verdachte schuldig verklaard maar geen straf of maatregel opgelegd vanwege toepassing van rechterlijk pardon.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001129-25
Uitspraak : 26 mei 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 april 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-043246-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en, opnieuw rechtdoende, toepassing zal geven aan het rechterlijk pardon, zoals neergelegd in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De verdediging heeft zich achter de vordering van de advocaat-generaal geschaard.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf. In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel
Het hof heeft bij de bepaling van de afdoeningsmodaliteit en/of de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid GHB. Voor verdovende middelen in het algemeen – en voor harddrugs in het bijzonder – geldt dat zij verslavend en schadelijk voor de gezondheid zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel. Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft de verdachte bijgedragen aan de hiervoor bedoelde nadelige gevolgen.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder onherroepelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Hieruit volgt tevens dat door het gerechtshof Den Haag d.d. 21 november 2024 in de zaak met parketnummer [parketnummer] bij een voorwaardelijke straf met een proeftijd van 2 jaren diverse dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden zijn gesteld. Deze proeftijd is onlangs bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, d.d. 19 maart 2026 met één jaar verlengd.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan is gebleken ter terechtzitting in hoger beroep. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 14 april 2025. Hieruit volgt dat de reclassering het middelengebruik en de verslaving van de verdachte, zijn psychosociaal functioneren en het ontbreken aan huisvesting ten grondslag ziet liggen aan het delictgedrag. Gezien de impulsiviteit en de wisselende motivatie van de verdachte wordt de haalbaarheid van vrijwillige hulpverlening laag geacht. De reclassering adviseert de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met daaraan als bijzondere voorwaarden verbonden een meldplicht bij de reclassering en opname in een zorginstelling. Uit het reclasseringsadvies voortijdige negatieve beëindiging toezicht d.d. 16 december 2025 volgt dat de reclassering een beslissing adviseert waardoor het reclasseringstoezicht voortijdig negatief wordt beëindigd, vanwege het overtreden van de voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden voor gedragsverandering en risicobeperking.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat er nieuwe ontwikkelingen zijn. De verdachte is begin dit jaar op strafrechtelijke titel bij woonlocatie [woonplaats] geplaatst op de [afdeling] , recent is hij intern overgeplaatst naar een woongroep van twintig tot dertig personen en het is de bedoeling dat hij uiteindelijk naar een kleinere woongroep voor beschermd wonen met 16 uur per dag toezicht of ondersteuning zal gaan. De verdachte gebruikt geen verdovende middelen meer, hij heeft dagbesteding en een uitkering is aangevraagd, aldus de raadsman van de verdachte. De politierechter in de rechtbank Rotterdam heeft deze ontwikkelingen betrokken bij het vonnis van 19 maart 2026.
Al het voorgaande afwegende en in het bijzonder gelet op de recente ontwikkelingen wat betreft de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de lopende proeftijd met bijzondere voorwaarden is het hof – met de advocaat-generaal en de verdediging – van oordeel dat met strafoplegging ter zake van het door de verdachte begane strafbare feit, thans geen redelijk doel (meer) is gediend. Het hof zal derhalve toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepalen dat geen straf of maatregel aan de verdachte wordt opgelegd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. R.G.A. Beaujean, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 26 mei 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.