Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1521

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
20-002837-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SvArt. 138 SvArt. 279 SvArt. 404 SvArt. 406 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in hoger beroep wegens nietigheid betekening dagvaarding

In deze strafzaak heeft de rechtbank de dagvaarding voor de nadere terechtzitting van 6 november nietig verklaard vanwege een niet-juist uitgevoerde betekening. Het Openbaar Ministerie stelde hiertegen hoger beroep in. Het hof heeft onderzocht of de betekening van de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was, waarbij het adres in Dubai als woonplaats van de verdachte centraal stond.

De verdediging voerde aan dat de dagvaarding niet rechtsgeldig was betekend omdat deze niet was toegezonden aan het bij het Openbaar Ministerie bekende adres in Dubai, terwijl het OM stelde dat dit adres achterhaald was. Het hof stelde vast dat er geen feiten waren die het adres in Dubai als woon- of verblijfplaats ontkrachtten en dat de dagvaarding daarom aan dat adres had moeten worden betekend.

Het hof oordeelde echter dat de beslissing van de rechtbank tot nietigverklaring van de oproeping voor de zitting van 6 november geen einduitspraak was waartegen zelfstandig hoger beroep mogelijk is. Hoger beroep is slechts gelijktijdig met de einduitspraak mogelijk. Daarom verklaarde het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De belangen van de verdachte zijn hierdoor niet geschaad.

Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep wegens ongeldige betekening van de dagvaarding.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002837-25
Uitspraak : 12 juni 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 13 november 2025, in de strafzaak met parketnummer 71-288834-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
ingeschreven in de Basisregistratie personen als niet-ingezetene onder vermelding van het adres: [adres 1] ,
volgens opgave van de raadsman verblijvende op het adres: [adres 2] Dubai (VAE) .
Hoger beroep
Bij beslissing waarvan beroep is de dagvaarding van de verdachte nietig verklaard.
De officier van justitie bij het Landelijk Parket heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie heeft nagelaten de dagvaarding in hoger beroep overeenkomstig de wettelijke betekeningsvoorschriften te doen uitreiken op het bij het Openbaar Ministerie bekende adres van de verdachte, te weten het adres [adres 2] Dubai (VAE) . De betekening van de dagvaarding in hoger beroep is daarom niet rechtsgeldig. De verdediging heeft het hof verzocht daarom de dagvaarding in hoger beroep nietig te verklaren.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een rechtsgeldige betekening.
Het hof overweegt het volgende.
Voor wat betreft de betekening van de dagvaarding in hoger beroep volgt uit het dossier dat van de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is.
Overeenkomstig artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, door toezending van de gerechtelijke mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag.
In het dossier bevindt zich een dagvaarding voor de zitting in hoger beroep die is gericht aan een adres dat sinds 5 augustus 2020 in de Basisregistratie personen als betrokkenes adres wordt vermeld, te weten: [adres 1] (Spanje) .
Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 6 en 13 november 2025, volgt dat in eerste aanleg alle procespartijen er echter van uitgingen dat het feitelijke woonadres van de verdachte het adres [adres 2] Dubai (VAE) betrof. Ook in het vonnis van de rechtbank van 13 november 2025 is dit adres, zij het met een kennelijke verschrijving ( [adres 3] in plaats van [adres 2] ), aangemerkt als het actuele woonadres van de verdachte. Naar dat adres is geen dagvaarding voor de zitting in hoger beroep toegezonden.
De vraag is of de dagvaarding in hoger beroep op voormeld adres in Dubai had moeten worden betekend.
Het Openbaar Ministerie heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het adres in Dubai is achterhaald omdat de huurovereenkomst die betrekking heeft op dat adres en is ingegaan op 14 oktober 2024, geëindigd zou zijn op 14 oktober 2025 en er geen enkel aanknopingspunt is dat de verdachte daar nog verblijft.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de verdachte nog steeds op het adres in Dubai verblijft en dat ook niet is gebleken van enig onderzoek door het Openbaar Ministerie waaruit volgt dat dat adres zou zijn achterhaald.
Het hof stelt vast dat, ook gelet op de tekst van de aanzeggingen van het hoger beroep van 13 en 17 november 2025 (met wederom een verschrijving, namelijk [adres 3] in plaats van het op het huurcontract genoemde [adres 2] ), het Openbaar Ministerie ook na afloop van de huurtermijn per 14 oktober 2025 kennelijk is uitgegaan van het adres in Dubai als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte. Van feiten en omstandigheden die maken dat het adres niet meer als zodanig kan worden aangemerkt, is het hof niet gebleken.
Tegen de achtergrond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het adres in Dubai als woon- of verblijfplaats van de verdachte als bedoeld in artikel 36e, derde lid, Sv heeft te gelden en dat de dagvaarding in hoger beroep, alsook de aanzegging van het hoger beroep, aan het adres [adres 2] te Dubai (VAE) had moeten worden toegezonden.
Het hof zal hieraan echter geen consequenties verbinden nu na een rechtsgeldige betekening in hoger beroep slechts één uitkomst kan volgen. Het hof overweegt hierover het volgende.
Voorafgaand aan en ter terechtzitting in hoger beroep is door het hof ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of het Openbaar Ministerie kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat dit niet het geval is en dat het Openbaar Ministerie in het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt het volgende.
De strafzaak is door de rechtbank voor het eerst ter terechtzitting behandeld op 2 april 2025. Dit was een regiezitting. Voor die zitting is een inleidende dagvaarding uitgegaan naar een in de Basisregistratie personen vermeld adres van de verdachte in Spanje. Met deze dagvaarding is de strafzaak in eerste aanleg aanhangig gemaakt. Op de zitting van 2 april 2025 is de raadsman van de verdachte, mr. [naam] , verschenen die toen heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdediging te voeren. De raadsman heeft toen ter terechtzitting geen verweer gevoerd met betrekking tot de betekening van de dagvaarding. Er zijn onderzoekswensen besproken en daarop is door de rechtbank vervolgens beslist.
Na schorsing van het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd is de zaak opnieuw op zitting gebracht. De verdediging heeft ter terechtzitting van de rechtbank op 6 november 2025 gesteld dat de (betekening van de) oproeping voor deze zitting nietig is omdat de betekeningsvoorschriften niet zouden zijn nageleefd. De rechtbank heeft vervolgens op 13 november 2025 beslist dat “de dagvaarding” nietig is.
Nu de zaak op 2 april 2025 al met een dagvaarding aanhangig was gemaakt en uit onder meer het arrest HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken volgt dat nietigverklaring van de dagvaarding achterwege blijft indien ter terechtzitting de raadsman van de aldaar niet aanwezige verdachte is verschenen en deze niet heeft geklaagd over een betekeningsverzuim, terwijl bovendien het door de verdediging op 6 november 2025 gevoerde verweer betrekking had op de betekening van de oproeping voor die terechtzitting van 6 november 2025, kan het niet anders dan dat de rechtbank bedoeld heeft de betekening van de oproeping voor de nadere terechtzitting van 6 november 2025 nietig te verklaren. Het hof verstaat de beslissing van de rechtbank van 13 november 2025, waarvan beroep, dan ook zo dat de rechtbank (de betekening van) de oproeping voor de terechtzitting van 6 november 2025 nietig heeft verklaard.
De vraag is of dit een einduitspraak is als bedoeld in art. 138 Sv Pro waartegen ingevolge art. 404 Sv Pro en 406 Sv hoger beroep mogelijk is.
Bij de beoordeling neemt het hof de volgende wetsbepalingen als uitgangspunt.
Artikel 404, eerste lid, Sv luidt als volgt:
“Tegen de vonnissen betreffende misdrijven, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek ter terechtzitting gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken.”
Artikel 406, eerste lid, Sv luidt als volgt:
“Tegen vonnissen die geen einduitspraken zijn, is het hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten.”
Artikel 138 Sv Pro luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Worden verstaan:
(…)
onder einduitspraken de uitspraken tot schorsing der vervolging of tot verklaring van onbevoegdheid, niet-ontvankelijkheid of nietigheid van dagvaarding, en die welke na afloop van het geheele onderzoek op de terechtzitting over de zaak worden gedaan.”
Naar het oordeel van het hof kan de beslissing van de rechtbank strekkende tot nietigverklaring van (de betekening) van de oproeping voor de nadere terechtzitting van 6 november niet worden aangemerkt als een einduitspraak en is daartegen slechts hoger beroep mogelijk gelijktijdig met de einduitspraak. Het Openbaar Ministerie kan daarom thans niet worden ontvangen in het hoger beroep.
Nu naar het oordeel van het hof in deze zaak geen andere beslissing kan volgen, zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BESLISSING

Het hof:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door:
mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.C. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 12 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Bosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.