Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1562

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
20-001857-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 310 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor diefstal met oplegging voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor diefstal tot een gevangenisstraf van 3 weken en kreeg daarnaast een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand gedeeltelijk ten uitvoer gelegd. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter wegens onvoldoende motivering en deed opnieuw recht. Het achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 6 april 2025 in Geldrop parfums van een bedrijf had weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen. De verdachte bekende dit en er waren geen omstandigheden die strafbaarheid uitsloten.

Bij de strafoplegging hield het hof rekening met het recidivekarakter van de verdachte, zijn verslavingsproblematiek en de positieve ontwikkelingen door deelname aan een medisch begeleid programma. Daarom legde het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken op met een proeftijd van 3 jaar.

De eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf werd deels ten uitvoer gelegd, maar het hof wijzigde dit in een taakstraf van 60 uur en 2 weken hechtenis, waarbij de hechtenis bij niet nakomen vervangen wordt door de taakstraf. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht volgens de geldende maatstaf.

Het arrest werd op 12 juni 2026 uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 60 uur ter vervanging van gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001857-25
Uitspraak : 12 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 1 juli 2025, parketnummer 01-104759-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-085803-24, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, in de zaak met parketnummer 01-085803-24, toegewezen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 dagen, waarvan 20 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, in de zaak met parketnummer 01-085803-24, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze vordering zal toewijzen en de gevangenisstraf zal omzetten naar een taakstraf voor de duur van 60 uren.
De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, in de zaak met parketnummer 01-085803-24, heeft de verdediging primair bepleit dat het hof de vordering zal afwijzen en subsidiair dat het hof de gevangenisstraf zal omzetten naar een taakstraf.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 april 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, een of meerdere parfums, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om deze/het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 april 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, meerdere parfums die aan [bedrijf] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en er geen vrijspraak is bepleit.
Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2025074222, gesloten d.d. 8 april 2025, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 22). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.
Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 8 april 2026;
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 april 2025 (p. 17-20), inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] ;
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 6 april 2025 (p. 6-8), inhoudende de verklaring van aangeefster [aangever] namens [bedrijf] , gevestigd [adres 2] .
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal. Dergelijk handelen veroorzaakt overlast en ergernis aan de gedupeerden. De verdachte heeft voor die gevolgen kennelijk geen oog gehad en zich slechts laten leiden door eigen financieel gewin. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 april 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk veroordeeld is voor vermogensdelicten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzittingen in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof onder andere acht geslagen op de brief van [arts] , senior verpleegkundige MAZ van Novadic Kentron d.d. 15 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte op 14 januari 2025 door zijn huisarts is verwezen in verband met een opioïdenafhankelijkheid. Op 24 oktober 2025 is hij gestart met een methadononderhoudsdosering. Deze behandeling bleek niet afdoende om abstinent te kunnen worden van heroïnegebruik en de verdachte heeft aangegeven graag aan het medische heroïneprogramma deel te willen nemen wat vervolgens op 31 december 2025 is gestart. Sinds 31 december 2025 komt de verdachte dagelijks twee keer per dag naar de Medische Ambulante Zorg (MAZ) voor zijn behandeling. Hij is coöperatief, vriendelijk in contact en komt zijn afspraken na.
Tevens heeft het hof acht geslagen op het e-mailbericht van [naam] , behandelaar Verslavingszorg van Novadic Kentron , d.d. 8 mei 2026. Hieruit volgt aanvullend dat door deelname aan voornoemd programma sprake is van toegenomen stabiliteit in het dagelijks functioneren van de verdachte en dat het middelengebruik sterk gestabiliseerd is sinds hij structureel deelneemt aan de behandeling. De behandeling bestaat, naast de twee dagelijkse vaste contactmomenten, uit ambulante begeleiding door een verantwoordelijk behandelaar en een persoonlijk begeleider. Het behandeltraject vindt plaats onder supervisie van een verslavingsarts, die toezicht houdt op zowel de medische behandeling als de ambulante begeleiding. Sinds de verdachte beter is aangesloten bij het behandelprogramma, is tevens sprake van verbetering in de familiaire relaties en de algehele sociale stabiliteit. Hij is woonachtig in een eigen woning, welke destijds via Stichting Door is verkregen. Naast de begeleiding en behandeling vanuit Novadic Kentron ontvangt de verdachte tevens begeleiding vanuit WIJeindhoven . Dit betreft een nazorgtraject dat is voortgekomen uit de eerdere begeleiding vanuit NEOS en Stichting Door , die betrokken zijn geweest bij het realiseren van de huidige woonsituatie van de verdachte. Deze begeleiding richt zich op nazorg en het ondersteunen van cliënt in de overgang naar meer zelfstandigheid.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij drie dagdelen per week werkt bij ‘Ervaring die Staat’ in Eindhoven. In aanvulling daarop heeft de raadsman van de verdachte naar voren gebracht dat het doel is dat aan het einde van dit jaar de medicinale drugs is afgebouwd en hij vijf dagdelen per week beschikbaar is om te werken.
Alles afwegende acht het hof het op dit moment niet wenselijk de actuele positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte te doorkruisen met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals opgelegd door de politierechter. Het hof acht de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend en geboden. Daarnaast is het hof van oordeel dat een proeftijd voor de duur van 3 jaren aangewezen is en het hof zal daartoe dan ook beslissen.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering tot tenuitvoerlegging
De officier van justitie te Oost-Brabant heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 21 mei 2024 onder parketnummer 01-085803-24. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, is het hof van oordeel dat gedeeltelijke tenuitvoerlegging van genoemde voorwaardelijke straf, te weten voor de duur van 2 weken, op zijn plaats is. Echter op grond van hetgeen omtrent de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, zal het hof in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de voorwaardelijke gevangenisstraf, de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten voor het hierna te vermelden aantal uren. Het hof heeft bij het bepalen van de duur van die taakstraf gelet op de LOVS-tabel ‘omzetting vrijheidsstraf in taakstraf (TUL)’.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Gelast in plaats van een bevel tot de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 21 mei 2024, gewezen onder parketnummer 01-085803-24, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, de tenuitvoerlegging van een
taakstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door
2 (twee) weken hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de ten uit voer te leggen taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 12 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.