ECLI:NL:GHSHE:2026:1578

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.349.729_01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:106 BWArt. 5:37 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep burenrecht over onrechtmatige hinder door camera’s en dwangsommen

In deze civiele zaak tussen Credim c.s. en [geïntimeerde] staat een burenrechtelijk geschil centraal over de erfgrens, het gebruik van beveiligingscamera’s en de oplegging van dwangsommen. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de kadastrale grens de juridische erfgrens is en Credim c.s. verboden om camera’s te richten op het perceel van [geïntimeerde]. Tevens werd een dwangsom opgelegd bij niet-naleving.

In hoger beroep heeft het hof de feiten bevestigd, waaronder het eigendom van de percelen en de plaatsing van camera’s die mogelijk de privacy van [geïntimeerde] schenden. Credim c.s. betwistte dat de camera’s daadwerkelijk het perceel van [geïntimeerde] filmen, maar het hof oordeelde dat de camera’s door softwarematige afscherming slechts gedeeltelijk zijn aangepast en nog steeds de mogelijkheid bieden tot observatie.

Het hof verwierp de stellingen van Credim c.s. over illegale bedrijfsactiviteiten en onrechtmatige hinder door geluid, licht, rook en geur, omdat deze onvoldoende waren onderbouwd. De dwangsom werd verhoogd van €50.000 naar €100.000 vanwege het niet naleven van het vonnis. De overige vorderingen van Credim c.s. werden afgewezen en het bestreden vonnis werd grotendeels bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de kadastrale grens de juridische erfgrens is, oordeelt dat de camera’s onrechtmatig zijn en verhoogt de dwangsom tot €100.000 wegens niet-naleving.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.349.729/01
arrest van 9 juni 2026
in de zaak van

1.de vennootschap naar Belgisch rechtN.V. Credim,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de vennootschap naar Belgisch recht
B.V. Quality Logistiek,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
3.
[appellante sub 3] ,wonende te [woonplaats] ,
4.
[appellant sub 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als Credim, Quality Logistiek, [appellante sub 3] en [appellant sub 4] , dan wel gezamenlijk als Credim c.s. (in vrouwelijk enkelvoud),
advocaat: mr. B.F.H.L. van Campfort te Veldhoven,
tegen

1.[geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2.
[geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] (in mannelijk enkelvoud),
advocaat: mr. S.E.C. Veldhof te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 31 december 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 30 oktober 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen Credim c.s. als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/409767 / HA ZA 23-284)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven, tevens akte vermeerdering van eis met producties;
  • de memorie van antwoord, tevens antwoord op vermeerdering van eis tevens houdende memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;
  • de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
  • de akte overlegging producties van de zijde van Credim c.s. van 20 maart 2026 met producties 10 tot en met 15;
  • de mondelinge behandeling van 1 april 2026, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en Credim c.s. haar eis in principaal hoger beroep heeft verminderd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep
De feiten
3.1.
In r.o. 2.1. tot en met 2.12 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Grief 2 in incidenteel hoger beroep is gericht tegen de feitenvaststelling. [geïntimeerde] voert aan dat onder r.o. 2.2. en in het dictum onder r.o. 5.7. een verkeerd kadastraal nummer is opgenomen van het perceel waarop de woning van [geïntimeerde] staat. Credim c.s. heeft dit bevestigd. Uit de kadastrale eigendomsinformatie blijkt dat de kadastrale aanduiding [A] is. Daar waar in het bestreden vonnis kadastraal perceel [C] staat, moet dit dan ook [A] zijn. Het hof zal hierna uitgaan van perceel met kadastrale aanduiding [A] . Met uitzondering daarvan vormt de feitenvaststelling van de rechtbank ook in hoger beroep het uitgangspunt.
3.1.1.
Credim is sinds 14 juni 2016 eigenaar van het perceel gelegen te [adres A] , kadastraal bekend gemeente [x] , [D] , groot 00.61.80 ha . Dit perceel wordt gebruikt door Quality Logistiek, een onderneming in de internationale transportsector. [appellant sub 4] is bestuurder van Quality Logistiek. Hij en [appellante sub 3] zijn bewoners van de woning op dit perceel.
3.1.2.
[geïntimeerde] is sinds 11 juli 2016 eigenaar van de naastgelegen percelen, [adres B] , kadastraal bekend gemeente [x] sectie [--] nrs. [A] en [E] . Hij woont in de woning op perceel [A] en gebruikt het daarachter gelegen perceel [E] , waarop een loods staat.
3.1.3.
De buurpercelen [D] en [E] waren voorheen gescheiden door een betonnen muur met een hoogte van 2 à 2,5 meter.
3.1.4.
Op 18 mei 2017 is op verzoek van [geïntimeerde] een kadastrale grensmeting verricht. Hieruit blijkt dat de kadastrale erfgrens op een andere plaats ligt dan de grens die door de betonnen muur werd aangegeven.
3.1.5.
Bij brief van 10 juni 2017 heeft [geïntimeerde] aan [appellant sub 4] en [appellante sub 3] onder meer meegedeeld dat hij de erfafscheiding gaat verplaatsen naar de plaats van de officiële kadastergrens.
3.1.6.
In reactie hierop hebben [appellant sub 4] en [appellante sub 3] bij brief van 26 juni 2017 onder meer meegedeeld:
"Onze,deze eigendom is aan gekocht in de staat en de afmetingen hoe deze zich bevinden.Namelijk de afsluiting van het goed.deze staat al zeer lang en er zijn foto’s en metingen in ons bezit van tientalen jaren geleden + en vorige eigenaars.Wil uw ook meedelen.als er aan afsluiting geraakt wordt.wij onmiddellijk een gerechtelijke procedure zullen opstarten.dit is bescherming van recht van eigendom van ons."
3.1.7.
In de zomer van 2018 heeft [geïntimeerde] de betonnen muur tussen de betreffende percelen afgebroken.
3.1.8.
Bij brief van 30 augustus 2018 is namens Credim, [appellant sub 4] en [appellante sub 3] een beroep gedaan op verjaring en is [geïntimeerde] gesommeerd de oorspronkelijke juridische erfgrens ter hoogte van de eerder verwijderde scheidsmuur onvoorwaardelijk te erkennen en derhalve het eigendomsrecht van Credim van het naastgelegen perceel tussen de juridische en kadastrale erfgrens te (blijven) respecteren.
3.1.9.
Aan de woning en de loods op perceel [D] van Credim hangen camera’s op een hoogte van minimaal drie meter die (mogelijk) zijn gericht op de percelen van [geïntimeerde]
3.1.10.
Bij brief van 18 november 2022 is namens [geïntimeerde] aan onder andere [appellant sub 4] en [appellante sub 3] meegedeeld, kort gezegd:
- dat hij voornemens is een schutting te plaatsen op eigen grond over de volledige lengte van het perceel (ongeveer 10 cm vanaf de erfgrens);
en is hen verzocht c.q. gesommeerd:
- te laten weten of zij voornemens zijn beplanting te verwijderen die zich over de kadastrale grens bevindt;
- maatregelen te nemen om te voorkomen dat de honden van [appellant sub 4] en [appellante sub 3] schade kunnen toebrengen aan de (nieuwe) schutting;
- camera’s die (deels) zijn gericht op het perceel van [geïntimeerde] te draaien of verwijderen.
3.1.11.
Credim c.s. heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.
Ontwikkelingen na het wijzen van het bestreden vonnis op 30 oktober 2024
3.1.12.
Het bestreden vonnis is op 18 november 2024 aan Credim c.s. betekend met bevel daaraan te voldoen.
3.1.13.
Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van constatering van 10 december 2024 om 10.00 uur waarin is opgenomen dat de deurwaarder op verzoek van [appellante sub 3] en [appellant sub 4] naar hun woning is gegaan aan [adres A] , teneinde desgevraagd vast te leggen dat de aan de loods en aan de woning bevestigde camera's zijn verwijderd, althans dat er geen camera's hangen. De deurwaarder heeft genoteerd dat hij ter plaatse heeft geconstateerd dat de camera's kennelijk zijn verwijderd nu hij enkel nog bevestigingsmateriaal zag, waarvan hij foto's heeft gemaakt.
3.1.14.
Medio december 2024 zijn de camera’s weer teruggehangen.
3.1.15.
Op verzoek van [geïntimeerde] is de deurwaarder op 3 maart 2025 naar de woning en de loods aan het adres [adres A] gegaan, alwaar hem de
toegang tot het perceel, de woning en de loods, werd verschaft door [appellante sub 3] . In zijn akte van constatering van diezelfde dag heeft de deurwaarder zijn bevindingen vastgelegd:
"In de woning, dat er in de meterkast een monitor is geplaatst waarop het beeld te zien is van twee camera's. Op de beelden is de achtertuin en de voorzijde van de woning zichtbaar. Van het zichtbeeld van de camera's op de monitor heb ik drie foto's gemaakt, die als foto's 1 tot en met 3 aan deze akte zijn gehecht.
Op de foto's is zichtbaar dat het beeld van de camera in de achtertuin is aangeduid als
'D2', en de beelden in de voortuin als respectievelijk 'Dl', 'D2' en ‘D3'.
Voorts heb ik mij begeven naar de loods op het voormelde perceel waar mij een monitor,
linksvoor binnen de loods, werd getoond, waarop ik heb waargenomen dat er beelden worden getoond van zes camera's, die beelden tonen richting de loods met de 'rug' naar het perceel [adres C] , te weten het naastgelegen perceel.
Van het zichtbeeld van de camera's op de monitor heb ik drie foto's gemaakt, die als foto's 4 tot en met 6 aan de akte zijn gehecht. Op de foto is zichtbaar dat het beeld van de camera's in de loods is gericht op:
1. de oprit, aangeduid als 'Dl';
2. het terrein voor de loods richting het huis, aangeduid als 'D2';
3. het terrein voor de loods richting de oprit, aangeduid als ’D3';
4. het terrein tussen de loods en de woning, aangeduid als 'D4';
5. het terrein tussen de loods en de woning, aangeduid als 'D5', en;
6. het terrein links van de loods, nabij de oprit, aangeduid als 'D6'.
Aansluitend op mijn waarneming in de loods heb ik een rondgang gemaakt om de woning en de loods en heb ik de door mij waargenomen camera's gefotografeerd. Hiervan heb ik dertien foto's gemaakt, welke foto's met de nummers 7 tot en met 19 aan de akte zijn gehecht. Deze foto's geven een goed beeld geven van de situatie op het perceel met betrekking tot de camera's. Naast de hiervoor door mij waargenomen en beschreven camera's, zijn er door mij geen andere camera's waargenomen."
De door de deurwaarder waargenomen camera's en posities daarvan zijn verwerkt in een plattegrond van het perceel, aan de akte gehecht als bijlage 2.
3.1.16.
Bij deurwaardersexploot van 17 maart 2025 heeft [geïntimeerde] aangezegd dat Credim c.s. heeft geweigerd althans nagelaten aan de inhoud van het vonnis te voldoen en zijn de dwangsommen opgeëist tot een bedrag van € 50.000,-.
De procedure bij de rechtbank
3.2.1.
In de onderhavige procedure heeft Credim c.s. in conventie - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gevorderd:
1. te verklaren voor recht dat het stuk grond gelegen tussen enerzijds de op 18 mei 2017 opgemeten kadastrale erfgrens en anderzijds de oorspronkelijke feitelijke erfgrens, afgebakend door de door [geïntimeerde] in de zomer van 2018 gesloopte betonnen muur (verder: het stuk grond) door Credim in eigendom is verworven ingevolge verkrijgende verjaring op grond van de artikelen 3:99, 3:105 en 3:106 BW;
2. te verklaren voor recht dat de juridische erfgrens tussen de percelen gelegen te [postcode] [plaats] , respectievelijk [adres A] en [adres B] de oorspronkelijke feitelijke grens zal zijn, afgebakend door de door [geïntimeerde] in de zomer van 2018 gesloopte betonnen muur over een lengte van 63 meter;
3. [geïntimeerde] te verbieden:
- alle beplanting op het stuk grond te verwijderen,
- een afsluiting te plaatsen op het stuk grond,
- een afsluiting te plaatsen volgens de op 18 mei 2017 opgemeten kadastrale erfgrens,
- zich toegang te verschaffen tot het stuk grond,
alles op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per keer,
4. [geïntimeerde] te veroordelen om de door hem in de zomer van 2018 gesloopte betonnen scheidsmuur te herbouwen in steen of beton op de erfgrens zoals bedoeld onder 2., binnen drie maanden na het wijzen van het vonnis, bij gebreke waarvan Credim c.s. wordt gemachtigd om zelf de scheidsmuur aldaar te bouwen in steen of beton op kosten van [geïntimeerde] ,
5. [geïntimeerde] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
3.2.2.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd in conventie. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.3.
[geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. [appellante sub 3] en [appellant sub 4] te verbieden [geïntimeerde] en zijn kinderen uit te schelden,
2. te verklaren voor recht dat de bij de kadastrale rapportage van 18 mei 2017 vastgestelde erfgrens de juridische erfgrens betreft en dat Credim c.s. deze erfgrens moet respecteren,
3. Credim c.s. te verbieden op of over voornoemde grens heen te bouwen en/of zaken te plaatsen,
4. Credim c.s. te gelasten de door haar geplaatste bomen, overige beplanting en de aan haar toebehorende pomp op of nabij de erfgrens te verwijderen en verwijderd te houden binnen een week na het wijzen van het vonnis,
5. Credim c.s. te gelasten de camera’s aan de woning en loods, dan wel andere gebouwen, te verwijderen binnen een week na het wijzen van het vonnis,
6. Credim c.s. te verbieden nieuwe camera’s te plaatsen die zijn gericht op de percelen van [geïntimeerde] , kadastraal bekend als [x] [A] en [E] ,
7. Credim c.s. te verbieden film- en/of foto-opnames van [geïntimeerde] te maken wanneer [geïntimeerde] zich op het eigen perceel en/of in zijn woning bevindt,
alle voornoemde verboden en geboden op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag/dagdeel, en met veroordeling van Credim c.s. in de proceskosten.
3.2.4.
Credim c.s. heeft verweer gevoerd in reconventie. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.5.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie de vorderingen van Credim c.s. afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank (nummering rechtbank):
5.2.
[appellante sub 3] en [appellant sub 4] verboden om [geïntimeerde] en zijn kinderen uit te schelden,
5.3.
voor recht verklaard dat de bij de kadastrale rapportage van 18 mei 2017 vastgestelde erfgrens de juridische erfgrens betreft en dat Credim c.s. deze erfgrens moet respecteren,
5.4.
Credim c.s. verboden op of over die erfgrens heen te bouwen en/of zaken te plaatsen,
5.5.
Credim c.s. gelast de door haar geplaatste bomen, overige beplanting en de aan haar toebehorende pomp nabij die erfgrens - op het stuk grond dat eigendom is van [geïntimeerde] - alsmede de bomen c.q. beplanting op deze erfgrens te verwijderen en verwijderd te houden binnen een week na betekening van dit vonnis,
5.6.
Quality Logistiek, [appellant sub 4] en [appellante sub 3] gelast de camera’s aan de woning en loods op perceel [D] te verwijderen binnen een week na betekening van dit vonnis,
5.7.
Quality Logistiek, [appellant sub 4] en [appellante sub 3] verboden nieuwe camera’s te plaatsen die zijn gericht op de percelen van [geïntimeerde] , kadastraal bekend als [x] [A] en [E] ,
5.8.
[appellant sub 4] en [appellante sub 3] verboden film- en/of foto-opnames van [geïntimeerde] te maken wanneer [geïntimeerde] zich op het eigen perceel en/of in zijn woning bevindt,
5.9.
Credim c.s. veroordeeld om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan (een van) de hoofdveroordelingen in r.o. 5.2. en 5.4. tot en met 5.8. voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt.
Credim c.s. is in de proceskosten veroordeeld en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Procedure in hoger beroep
3.3.1.
Credim c.s. heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. Tevens heeft Credim c.s. haar eis gewijzigd. Bij de mondelinge behandeling heeft Credim c.s. haar eis verminderd. Zij heeft haar (gewijzigde) derde vordering en de grieven 1 tot en met 4 ingetrokken, met uitzondering van grief 4 voor zover deze ziet op de pomp.
Credim c.s. heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, tot niet ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde]
Zij vordert thans:
1. [geïntimeerde] te gelasten de camera’s boven de toegang van hun loods en andere gebouwen binnen 2 weken na het door het hof te wijzen arrest te verwijderen en verwijderd te houden, zulks onder verbeurte van een dwangsom groot € 500,00 per dag of dagdeel dat in strijd wordt gehandeld met dit verbod.
2. [geïntimeerde] te verbieden nieuwe camera’s en geluidsopname apparatuur te plaatsen die gericht zijn op het perceel van Credim c.s. , een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat in strijd wordt gehandeld met dit verbod.
3. Ingetrokken.
4. [geïntimeerde] te verbieden film- en/of foto opnames van [appellant sub 4] en [appellante sub 3] te maken, een en ander op straffe van een dwangsom € 500,00 per dag of dagdeel dat in strijd
wordt gehandeld van dit verbod.
5. [geïntimeerde] te verbieden onrechtmatige geluidshinder en lichtoverlast, geur- en rookoverlast afkomstig van vuur in de open lucht aan Credim c.s. toe te brengen, althans te gebieden diens bedrijfsmatige activiteiten vanaf zijn perceel te staken en gestaakt te houden, een en ander op straffe van een dwangsom € 500,00 per dag of dagdeel dat in strijd
wordt gehandeld met dit verbod.
6. [geïntimeerde] hoofdelijk des de een betalende de andere zal zijn gekweten te veroordelen tot terugbetaling van alle geïncasseerde dwangsommen,
met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure in beide instanties.
Bezwaar tegen eisvermeerdering
3.3.2.
[geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis (onder punt 1, 2, 4 en 5 hierboven) en de grieven overigens bestreden.
3.3.3.
Volgens [geïntimeerde] is de eisvermeerdering in strijd met de eisen van een goede procesorde. Met de door Credim c.s. beoogde eisvermeerdering in hoger beroep is sprake van een ontoelaatbare uitbreiding van het partijdebat. Niet alleen het feitencomplex en de vordering, maar ook de daarvoor aangevoerde gronden worden daardoor substantieel uitgebreid. [geïntimeerde] meent daardoor onredelijk te worden geschaad in de verdediging, omdat ten aanzien van deze nieuwe feiten en omstandigheden en nieuwe gronden uitsluitend in hoger beroep wordt geoordeeld, zodat hem een feitelijke instantie wordt ontnomen.
3.3.4.
Het hof acht de vermeerdering van eis toelaatbaar. Het verlies van een instantie is inherent aan het feit dat de wet toestaat dat een eis ook in hoger beroep kan worden vermeerderd. Slechts onder bijkomende omstandigheden kan dit feit het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde. Dergelijke omstandigheden zijn echter niet gesteld of gebleken.
3.3.5.
Ook het bezwaar van [geïntimeerde] dat ziet op ontoelaatbare uitbreiding van het partijdebat wordt verworpen. Het is weliswaar mogelijk dat het toestaan van de wijziging een bemoeilijking van de verdediging zal veroorzaken, maar het hof acht de onderhavige wijziging niet van dien aard dat deze in strijd met de eisen van een goede procesorde geacht moeten worden.
3.3.6.
Recht zal derhalve worden gedaan op de gewijzigde eis.
Beoordeling in principaal en in incidenteel hoger beroep
Rechtsmacht en toepasselijk recht3.4. Deze zaak heeft internationale aspecten, nu Credim en Quality Logistiek gevestigd zijn in België. De rechter moet, ook in hoger beroep, ambtshalve beoordelen of hij rechtsmacht heeft, ongeacht of tegen het oordeel van de eerste rechter daaromtrent een grief is gericht. Het geschil betreft een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van Pro de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 (Brussel I bis-Vo), zodat de rechtsmacht aan de hand van deze verordening moet worden beoordeeld. Aangezien [geïntimeerde] woonplaats heeft in Nederland, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 Brussel Pro I bis-Vo bevoegd om van de vorderingen van Credim c.s. kennis te nemen.
3.5.
Uit het bestreden vonnis volgt dat de rechtbank (klaarblijkelijk) Nederlands recht heeft toegepast. Omdat geen van partijen daartegen een grief heeft gericht, is de appelrechter gebonden aan dit oordeel van de rechter in eerste instantie. Dat betekent dat het hof, net als de rechtbank, op de vorderingen in dit geschil Nederlands recht zal toepassen.
Plan van behandeling
3.6.
Nu Credim c.s. haar vorderingen die zien op de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de feitelijke erfgrens heeft laten vallen en ook haar grieven 1 tot en met 4 heeft ingetrokken, maakt het grensgeschil geen deel meer uit van het te beoordelen geschil tussen partijen, met uitzondering van de vordering die ziet op verwijdering van de daar aanwezige pomp. Dat onderdeel zal het hof nu als eerste behandelen (onderdeel van grief 4).
Daarna zal het hof grief van 5 van Credim c.s. bespreken en vervolgens haar vermeerderde eis (toegelicht onder haar grieven 7 en 8). Het hof komt tot slot toe aan de vorderingen van beide partijen die zien op de dwangsommen.
Kadastrale grens is juridische erfgrens en de pomp
3.7.
Credim c.s. heeft geen grieven gericht tegen
- de verklaring voor recht dat de bij de kadastrale rapportage van 18 mei 2017 vastgestelde erfgrens de juridische erfgrens betreft en dat Credim c.s. deze erfgrens moet respecteren en
- het aan Credim c.s. opgelegde verbod op of over die erfgrens heen te bouwen en/of zaken te plaatsen
- het gebod aan Credim c.s. om de door haar geplaatste bomen en overige beplanting nabij de erfgrens - op het stuk grond dat eigendom is van [geïntimeerde] - alsmede de bomen c.q. beplanting op deze erfgrens te verwijderen en verwijderd te houden binnen een week na betekening van dit vonnis.
3.8.
De rechtbank heeft Credim c.s. gelast de aan haar toebehorende pomp nabij die erfgrens - op het stuk grond dat eigendom is van [geïntimeerde] - te verwijderen en verwijderd te houden binnen een week na betekening van het vonnis. Credim c.s. betoogt in grief 4 dat deze pomp niet van haar is maar van de gemeente [B] . Indien [geïntimeerde] de pomp wil verwijderen of op een andere plek wenst te zien zal hij zich tot de gemeente [B] moeten wenden, aldus Credim c.s.
3.9.
Het hof stelt vast dat de pomp (bij het in acht nemen van de vastgestelde erfgrens) op het perceel van [geïntimeerde] staat. Bij de mondelinge behandeling heeft Credim c.s. toegelicht dat haar rechtsvoorgangers het door hen bewoonde huis hebben gebouwd en de pomp hebben geplaatst ten behoeve van hun afvalwater. Haar stelling dat deze pomp eigendom is van de gemeente [B] heeft zij evenwel, tegenover de betwisting daarvan door [geïntimeerde] , niet onderbouwd. Zij heeft van die stelling ook geen nader bewijs aangeboden. Het hof gaat dan ook aan die stelling voorbij en verwerpt de grief van Credim c.s. op dit punt. Credim c.s. dient er dus voor zorg te dragen dat de pomp wordt verwijderd van het terrein van [geïntimeerde]
Camera’s gericht op percelen van [geïntimeerde] (grief 5)
3.10.
Met grief 5 betoogt Credim c.s. dat de rechtbank ten onrechte onder 4.9 van haar vonnis heeft overwogen dat de camera’s aan de woning en de loods in ieder geval de mogelijkheid bieden van stelselmatige observatie, waardoor reeds sprake is van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerde] Voorts betwist zij dat uit de overgelegde stukken blijkt dat het perceel van [geïntimeerde] daadwerkelijk wordt geregistreerd door een van de camera’s aan de woning, zodat de vordering tot verwijdering van de camera’s aan de woning en loods ten onrechte is toegewezen.
3.11.
In r.o. 4.8. van het bestreden vonnis heeft de rechtbank het beoordelingskader geschetst. Het hof verenigt zich met deze overweging van de rechtbank aldaar en maakt deze tot de zijne. Het gaat in dezen dan om de vraag of Quality Logistiek, [appellante sub 3] en [appellant sub 4] met het gebruik van hun beveiligingscamera’s een onrechtmatige inbreuk maken op het recht van [geïntimeerde] op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
3.12.
Ter zitting is namens Credim c.s. verklaard dat de camera’s vanwege het vonnis zijn verwijderd. Volgens Credim c.s. staat in het vonnis niet dat de camera’s niet opnieuw mochten worden opgehangen, maar enkel dat deze het perceel van [geïntimeerde] niet mogen filmen. Een week later heeft zij de camera’s weer laten ophangen en zijn deze door het beveiligingsbedrijf goed afgesteld, aldus Credim c.s. Credim c.s. heeft ter onderbouwing als productie 12 bij akte beelden van het zicht van de beveiligingscamera’s in het geding gebracht. Zij voert aan dat daarop duidelijk zichtbaar is dat de beveiligingscamera's van Quality Logistiek, [appellante sub 3] en [appellant sub 4] niet op het perceel van [geïntimeerde] kunnen filmen. Dit heeft zij gerealiseerd door het beeld dat de beveiligingscamera’s weergeven zodanig te programmeren dat alles achter blauwe lijnen wordt afgedekt met zwarte vlakken. Ter zitting is namens Credim c.s. bevestigd dat de tuin van de buren niet zichtbaar is “omdat er zwarte blokken” in het beeld zijn geplaatst.
Naar het oordeel van het hof staat hiermee vast dat, zoals ook de rechtbank overwoog, de camera’s in ieder geval de mogelijkheid bieden van stelselmatige observatie van het perceel van [geïntimeerde] Credim c.s. moesten immers delen van de beelden die de camera’s maakt, softwarematig afdekken om tot dit resultaat te komen.
3.13.
Gesteld noch gebleken is verder dat de betreffende camera’s, na verwijdering naar aanleiding van het vonnis, door Quality Logistiek, [appellante sub 3] en [appellant sub 4] op een andere plek zijn teruggehangen. Ze zijn (enkel) door het beveiligingsbedrijf na terughangen (volgens Credim c.s. “goed”) afgesteld. Volgens hen blijkt uit de door hen bij akte in het geding gebrachte producties dat de installateur nauwkeurig heeft bepaald waar het perceel van Credim c.s. eindigt en waar de percelen van [geïntimeerde] beginnen. Dat is zichtbaar gemaakt met blauwe lijnen en achter die lijnen is het beeld zwart.
3.14.
Het hof acht aannemelijk dat de camera’s, zowel voor als na het verwijderen en herplaatsen daarvan, de mogelijkheid hebben van observatie van het buurperceel. Dit volgt uit de positionering van (een deel van) de camera’s (zoals ook blijkt uit de plattegrond die als bijlage 2 is gehecht aan het proces-verbaal van de deurwaarder van 3 maart 2025) en het gegeven dat deze, na het terughangen daarvan, slechts door het gebruik van instellingen van software zodanig zijn aangepast dat zij thans (door het zwartmaken) het buurperceel niet filmen. De stelling van Credim c.s. dat de camera’s enkel het eigen terrein filmen en geenszins de mogelijkheid bieden tot het filmen van eigendommen van [geïntimeerde] wordt dan ook verworpen.
3.15.
Credim c.s. heeft nog aangevoerd dat de stand van de camera enkel handmatig kan worden aangepast (niet op afstand) en dat het instellen van de camera’s (de toepassing van de zwarte vlakken) wordt verricht door het camerabedrijf met behulp van laptops. Credim c.s. heeft voorts bevestigd dat de software ervoor zorgt dat hetgeen wordt opgenomen met de camera’s (deels) niet meer te zien is doordat dit met die software wordt zwart gemaakt.
3.16.
Voor zover Credim c.s. hiermee betoogt dat zij de positionering van de zwarte blokken niet zelf kan wijzigen of ongedaan kan maken heeft [geïntimeerde] dit betwist. Enige (technische) onderbouwing van die stelling van Credim c.s. ontbreekt bovendien. Bij de gedingstukken bevinden zich wel verklaringen over camera’s (de “hardware”) die een zichthoek zouden hebben van ongeveer 90 graden en geen "PTZ functie" (Pan Tilt Zoom: draaien, kantelen, inzoomen), maar op welke camera’s deze verklaringen precies zien en waar welk type is gepositioneerd, heeft Credim c.s. niet inzichtelijk gemaakt. Over de wijze van toepassing van de software blijkt uit de overgelegde verklaringen niets. Daar komt nog bij dat, zoals [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd, zo al aangenomen kan worden dat Quality Logistiek, [appellante sub 3] en [appellant sub 4] de software niet zelf kunnen bedienen en niet zelf de blauwe lijnen en zwarte blokken kunnen aanpassen, zij toch in ieder geval het betreffende bedrijf kunnen vragen dat voor hen te doen.
3.17.
Naar het oordeel van het hof mag [geïntimeerde] van Quality Logistiek, [appellante sub 3] en [appellant sub 4] andere maatregelen verwachten om te voorkomen dat een inbreuk op zijn privacy kan worden gemaakt. Die maatregelen bestaan hierin dat Quality Logistiek, [appellante sub 3] en [appellant sub 4] camera’s niet op een gedeelte van het perceel van [geïntimeerde] richten, maar uitsluitend op hun eigen perceel. Dat de betreffende camera’s niet zodanig gepositioneerd kunnen worden dat het perceel van [geïntimeerde] ook zonder de zwarte blokken niet in beeld komt, heeft Credim c.s. naar het oordeel van het hof gesteld noch onderbouwd. Weliswaar heeft Credim c.s. aangevoerd dat het belangrijk is dat de camera hoog hangt zodat de bovenkant van de voertuigen op het terrein is te zien, maar de camera’s kunnen dan even goed, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, op een paal worden bevestigd, met de “rug” naar de erfgrens, zodat de camera’s juist naar de oprit en loods “toestralen” in plaats van richting het perceel van [geïntimeerde]
3.18.
De conclusie luidt dat de richting en plaats van de camera’s die zijn gericht op het perceel van [geïntimeerde] , gezien alle feiten en omstandigheden in dit concrete geval, ook al zijn deze met software voorzien van zwarte blokken, niet voldoen aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Het gewenste doel (beveiliging van het eigen terrein) kan immers ook met minder vergaande middelen (gericht op het eigendom en niet op dat van de buren) worden bereikt. Met de camera’s wordt dan ook onrechtmatig inbreuk gemaakt op de privacy van [geïntimeerde] De niet nader onderbouwde stelling van Credim c.s. dat Securitas de camera’s volgens de “wettelijke voorschriften” heeft geïnstalleerd en afgesteld doet aan de onrechtmatigheid niet af. Datzelfde geldt voor de vaststellingen van de deurwaarder op 10 december 2024 en 3 maart 2025. Uit de eigen stellingen van Credim c.s. en uit de bij productie 12 in het geding gebrachte foto’s blijkt immers dat (enkel) dankzij software het wel gefilmde perceel van [geïntimeerde] niet zichtbaar is. Dat is in de concrete omstandigheden van dit geval en gegeven de voornoemde eisen van proportionaliteit en subsidiariteit onvoldoende.
3.19.
Credim c.s. heeft in haar grief nog betoogd dat niet alle camera’s dienen te worden verwijderd, doch enkel de camera’s die zijn gericht op de percelen van [geïntimeerde]
Het hof stelt het volgende voorop. De rechter moet het dictum van een uitspraak uitleggen tegen de achtergrond van het partijdebat en met inachtneming van de overwegingen die tot dat dictum hebben geleid (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2016:369). Bij de uitleg van een veroordeling moet het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen, zodanig dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (zie bijvoorbeeld HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3085).
Het hof is van oordeel dat er in het licht van het partijdebat en de overwegingen in het bestreden vonnis geen redelijke twijfel over kan bestaan dat de in rov. 5.6. van het bestreden vonnis aan Quality Logistiek, [appellant sub 4] en [appellante sub 3] opgelegde last om de camera's aan de woning en loods op perceel [D] te verwijderen, uitsluitend betrekking heeft op de camera's die gericht zijn op het perceel van [geïntimeerde]
Dit brengt mee dat de grief faalt en rov. 5.6. zal worden bekrachtigd.
Onrechtmatige overlast (illegale) bedrijfsmatige activiteiten (grief 7), overlast van licht en geluid
3.20.
Artikel 5:37 BW Pro bepaalt dat een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die onrechtmatig is aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen. De vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW Pro is blijkens vaste rechtspraak van de Hoge Raad afhankelijk van de aard, ernst en duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Het hof zal hierna per door Credim c.s. gesteld onderdeel beoordelen of er sprake is van onrechtmatige hinder.
3.21.
Credim c.s. heeft betoogd dat [geïntimeerde] in strijd met het bestemmingsplan illegale bedrijfsactiviteiten verricht waarmee geluidshinder en overlast van licht wordt veroorzaakt. [geïntimeerde] heeft daartegen aangevoerd dat hij, na handhavend optreden door de gemeente, het door hem gevoerde bedrijf Zeeuwse Houtpallets ongeveer twee jaar geleden heeft verhuisd naar een bedrijventerrein te [y] . Van illegale bedrijfsactiviteiten is geen sprake. In de loods op het terrein aan [straat A] is het hem toegestaan vijftig vierkante meter bedrijfsmatig te gebruiken; [geïntimeerde] slaat in die loods haarden op. Bij de mondelinge behandeling heeft [geïntimeerde] toegelicht dat, hoewel het hem is toegestaan op zijn perceel containers te lossen, hij de containers om gedoe met [appellant sub 4] en [appellante sub 3] te voorkomen, laat lossen op zijn bedrijfsterrein te [y] . De aldaar geloste haarden vervoert hij zelf met een kar naar [straat A] alwaar deze met een (elektrische) heftruck van en naar de loods worden verplaatst. Bij verkoop (via de webshop) van een haard wordt deze door hem weer vervoerd naar het bedrijfsterrein te [y] waar deze door de koper wordt opgehaald.
3.22.
Naar het oordeel van het hof heeft Credim c.s. haar stelling dat er sprake is van illegale bedrijfsactiviteiten waardoor sprake is van onrechtmatige hinder onvoldoende onderbouwd. De foto’s die Credim c.s. ter onderbouwing van de gestelde illegale activiteiten in de avonduren heeft overgelegd maken niet inzichtelijk dat illegale werkzaamheden plaatsvinden. De foto’s lijken (in ieder geval deels) niet in de nachtelijke uren te zijn gemaakt terwijl [geïntimeerde] , zo staat onweersproken vast, op zijn terrein enige bedrijfsmatige activiteiten mag ontplooien. De stelling van Credim c.s. dat [geïntimeerde] (al dan niet) door illegale bedrijfsactiviteiten overlast veroorzaakt door licht is evenmin voldoende onderbouwd. De twee foto’s (productie 4 bij memorie van grieven) die Credim c.s. heeft overgelegd laten zien dat er een lamp is bevestigd aan de loods van [geïntimeerde] die schijnt op het perceel van [geïntimeerde] Op welke wijze dit tot ontoelaatbare hinder leidt is gesteld noch gebleken.
3.23.
Credim c.s. heeft voorts betoogd dat daar waar het [geïntimeerde] niet is toegestaan vanaf zijn erf bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, alle met deze activiteiten gepaard gaande hinder onrechtmatig is. Ter onderbouwing van de stelling dat geluidsnormen worden overschreden heeft Credim c.s. een geluidsrapportage in het geding gebracht, gedateerd 25 februari 2025. De rapportage ziet op de beoordeling van geluidsniveaus als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten (op- en overslag van de op het internet aangeboden materialen van Zeeuwse houtpallets) aan het adres [adres B] .
Het akoestisch toetspunt is gelegen op de gevel van het woonhuis (van [appellant sub 4] en [appellante sub 3] ) waar de maatgevende maximale geluidsniveaus worden veroorzaakt, aldus het rapport.
3.24.
Met het enkel in het geding brengen van het rapport van onderzoeksbureau Adromi hebben [appellant sub 4] en [appellante sub 3] naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat zij geluidsoverlast ondervinden, dat er sprake is van hinder, dan wel (enige) aantasting hebben van hun woongenot. Niet iedere vorm van ervaren hinder of overlast is immers onrechtmatig. Het rapport beschrijft hoeveel decibel bepaalde, door Credim c.s. genoemde (bedrijfs)activiteiten (rijgeluid van elektrische heftruck, klepperen van heftrucklepels over betonplaten, starten en optrekken van voertuigen enz.) bij metingen in vergelijkbare akoestische situaties voortbrengen en legt deze naast de normen uit de “Bruidsschat” (een publiekrechtelijke norm, die volgens het rapport van toepassing is op bedrijfsmatige milieubelastende activiteiten). Het rapport concludeert daaruit dat het bedrijf van [geïntimeerde] de grenswaarde voor de avond- en nachtperiode uit de Bruidsschat van 65 en 60 dB(A) met respectievelijk 5 en 10 dB(A) overschrijdt. Het rapport vermeldt: "Ter plaatse zijn geen metingen verricht omdat het bedrijf geen medewerking wil verlenen."
Het hof is van oordeel dat het rapport niet kan dienen ter onderbouwing van de stelling dat er sprake is van onrechtmatige geluidshinder. Het onderzoeksbureau is afgegaan op de door Credim c.s. verstrekte informatie en heeft niet zelf geconstateerd welke activiteiten op welke tijdstippen en met welke frequentie er door Zeeuwse Houtpallets worden verricht en er zijn geen concrete geluidsmetingen ter plaatse verricht. Dat in de woning van [appellant sub 4] en [appellante sub 3] sprake is van een objectief vast te stellen onacceptabel c.q. ontoelaatbaar geluidsniveau of anderszins sprake is van onrechtmatige hinder als gevolg van het gestelde transport bij Zeeuwse Houtpellets hebben zij dan ook niet onderbouwd. Dat sprake is van geluidshinder die op een andere manier in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid is evenmin gebleken.
Geur- en rookoverlast
3.25.
Credim c.s. heeft de gestelde geur- en rookoverlast onderbouwd met een foto, gedateerd 7 september 2024, waarop [geïntimeerde sub 2] zichtbaar is alsmede rook. [geïntimeerde] heeft weersproken dat hier sprake is van onrechtmatige hinder. Hij heeft aangevoerd dat die dag is gebarbecued ter gelegenheid van de verjaardag van de kinderen. De barbecue is bovendien zo ver mogelijk verwijderd van het perceel en woonhuis van [appellant sub 4] en [appellante sub 3] , zo stelt hij.
3.26.
Naar het oordeel van het hof hebben [appellant sub 4] en [appellante sub 3] met het enkel overleggen van één foto hun stelling dat sprake is van onrechtmatige geur- en rookoverlast onvoldoende onderbouwd, gelet op de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] Het gebruik van een barbecue kan leiden tot rookvorming en naar het oordeel van het hof behoort dit, zo dit al leidt tot overlast, tot de overlast die buren van elkaar hebben te dulden. [appellant sub 4] en [appellante sub 3] hebben niet gesteld en onderbouwd dat er sprake is van een zodanige abnormale frequentie van het gebruik van de barbecue dat dat onrechtmatige hinder oplevert.
3.27.
Op grond van het voorgaande is het hof, alle feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beziend, van oordeel dat de gestelde overlast niet van dien aard is dat deze onrechtmatig is zoals bedoeld in artikel 5:37 BW Pro. Het gevorderde verbod (sub 5. onder r.o. 3.3.1. hiervoor) op onrechtmatige geluidshinder en lichtoverlast, geur- en rookoverlast, en het gebod tot het staken en gestaakt te houden van de bedrijfsmatige activiteiten van het perceel van [geïntimeerde] zal dan ook, bij gebreke van een rechtsgrond daartoe, worden afgewezen.
Verbod op camera’s, geluidsopname apparatuur en film- en/of foto opnames van [appellant sub 4] en [appellante sub 3] (grief 8)
3.28.
De nog onbesproken vorderingen van Credim c.s. strekken tot het verwijderen van aanwezige camera’s boven de toegang van de loods van [geïntimeerde] en andere gebouwen (1.), tot het verbieden van het plaatsen van nieuwe camera’s en geluidsopname apparatuur, gericht op hun perceel (2.) en het verbod film- en/of foto opnames van [appellant sub 4] en [appellante sub 3] te maken (4.), alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.29.
Ter onderbouwing van haar vorderingen heeft Credim c.s. aangevoerd dat boven de ingang van de loods (vlak onder de overlastgevende lamp) een camera hangt die uitzicht geeft op het perceel van Credim c.s. , althans uitzicht op dat perceel kan geven. Credim c.s. grondt haar vorderingen op het vermoeden dat er gefilmd wordt. [geïntimeerde] heeft betwist dat met de camera aan de loods een stelselmatige inbreuk wordt gemaakt op rechten van [appellant sub 4] en [appellante sub 3] .
3.30.
Het hof stelt vast dat Credim c.s. in dit kader geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld, anders dan het benoemen van de suggestie dat de lamp boven de ingang van de loods aangaat bij beweging op het erf van Credim c.s. zodat de bewegingsdetectie van de lamp en derhalve naar Credim c.s. vermoedt ook de camera, op het perceel van Credim c.s. gericht staat. Credim c.s. heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] , haar stellingen onvoldoende onderbouwd. De hierboven onder 3.22. reeds benoemde twee foto’s (productie 4 bij memorie van grieven) zijn daartoe in ieder geval onvoldoende.
3.31.
Ook de stelling dat [appellant sub 4] en [appellante sub 3] en hun erf continu door [geïntimeerde] gefotografeerd en gefilmd worden is, mede gezien de betwisting daarvan door [geïntimeerde] onvoldoende (feitelijk) onderbouwd. De als productie 8 overgelegde foto leidt niet tot een ander oordeel. Met het maken van deze foto door [geïntimeerde sub 2] (van [appellant sub 4] , die [geïntimeerde sub 2] op zijn beurt fotografeert) wenste hij, zo heeft hij verklaard, vast te leggen dat [appellant sub 4] op dat moment r.o. 5.8. van het bestreden vonnis overtrad: [appellant sub 4] maakte immers een foto van [geïntimeerde sub 2] en dat was hem op grond van het vonnis verboden. Een onrechtmatige stelselmatige inbreuk op de privacy van [appellant sub 4] en [appellante sub 3] kan daaruit in ieder geval niet worden afgeleid. Datzelfde geldt voor de gestelde geluidsopnames. Een grondslag voor een verbod tot het plaatsen van geluidsopname-apparatuur is met het overleggen van de foto’s uit oktober 2023 niet gegeven. Het hof zal de vorderingen sub 1., 2. en 4. (zie onder r.o. 3.3.1. hierboven) van Credim c.s. derhalve afwijzen.
Dwangsommen (grief 6 in principaal hoger beroep en grief 1 in incidenteel hoger beroep)
3.32.
De rechtbank heeft in haar vonnis van 30 oktober 2024 aan de uitgesproken geboden en verboden een dwangsom verbonden van € 500,- per dag, met een maximum van
€ 50.000,-.
3.33.
In deze zaak is niet de vraag aan de orde of Credim c.s. al dan niet hebben voldaan aan de veroordelingen en/of dwangsommen hebben verbeurd (vordering sub 6. onder r.o. 3.3.1. hierboven). Dat betreft immers een executiekwestie, waar het hof in deze procedure niet over gaat. In dit hoger beroep moet het hof oordelen over de (toewijsbaarheid van de) hoofdvorderingen en de daaraan mogelijk te verbinden dwangsommen.
3.34.
Het betoog van Credim c.s. in grief 6 dat de rechtbank onder r.o. 5.9. van haar vonnis Credim ten onrechte heeft veroordeeld om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 500,00 per dag berust op onjuiste lezing van het vonnis. Enkel de veroordeelde partij (Credim, Quality Logistiek, [appellante sub 3] of [appellant sub 4] ) die zich niet aan de hoofdveroordelingen houdt moet immers een dwangsom betalen. Dat de deurwaarder het kennelijk ook zo heeft verstaan blijkt uit het exploot van 17 maart 2025, waarbij [appellant sub 4] en [appellante sub 3] is aangezegd dat zij niet aan het vonnis hebben voldaan en hen is bevolen de verbeurde dwangsommen te betalen.
3.35.
[geïntimeerde] heeft in grief 1 in incidenteel hoger beroep betoogd dat Credim c.s. het vonnis van de rechtbank naast zich neer heeft gelegd en zij de camera’s onverminderd handhaaft. De dwangsommen zijn volledig verbeurd, zo blijkt uit het exploot van de deurwaarder van 17 maart 2025 en deze financiële prikkel is aldus onvoldoende gebleken, zo stelt [geïntimeerde] Om die reden heeft [geïntimeerde] verhoging van de gemaximeerde dwangsom verzocht, te weten tot € 100.000,-.
3.36.
Het hof stelt voorop dat het opleggen van een dwangsom een discretionaire bevoegdheid van de rechter is. De rechter dient de hoogte van de dwangsom vast te stellen naar de aard en omstandigheden van het geval. Uit het algemene uitgangspunt dat in hoger beroep een nieuwe beoordeling plaatsvindt, volgt dat de appelrechter ten volle - en dus niet terughoudend - de hoogte beoordeelt van een in eerste aanleg opgelegde dwangsom, ook voor zover die ziet op het verleden. De appelrechter die de hoofdveroordeling geheel of gedeeltelijk in stand laat, kan dat doen onder vermindering, vermeerdering of volledige afwijzing van de dwangsom die door de rechter in eerste aanleg aan de hoofdveroordeling was verbonden (HR 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1530).
3.37.
Nu Credim c.s. na het vonnis in gebreke is gebleven te voldoen aan het verwijderen van de camera’s gericht op het perceel van [geïntimeerde] , in zoverre dat zij die camera’s weer heeft opgehangen terwijl deze, zo heeft zij zelf erkend, zijn gericht op het perceel van [geïntimeerde] en zij kennelijk weigert deze camera’s te verplaatsen of verwijderen, ziet het hof aanleiding het maximum van de dwangsom zoals verbonden aan de (te bekrachtigen) veroordelingen in rov. 5.6. en 5.7. van het bestreden vonnis te verhogen tot in totaal € 100.000,-. Aangezien een dwangsom niet kan worden verbeurd vóór de betekening van de uitspraak waarbij zij is vastgesteld (artikel 611a lid 3 Rv), brengt dit mee dat Credim c.s. , in het geval zij niet voldoet aan de veroordelingen in rov. 5.6. en 5.7. van het bestreden vonnis, de verhoging van (€ 500,- per dag tot een maximum van) € 50.000,- pas zal verbeuren vanaf twee weken na betekening van dit arrest, op de wijze zoals hierna weer te geven.
Bewijs
3.38.
Bewijslevering tot slot, in het bijzonder door het horen van getuigen, is niet aan de orde. Voor zover Credim c.s. haar stellingen en weren onvoldoende onderbouwd heeft, komt het hof aan bewijslevering niet toe. Voor het overige acht het hof haar bewijsaanbiedingen niet ter zake dienend.
Slotsom en afwikkeling
3.39.
De twee grieven van [geïntimeerde] in het incidentele hoger beroep slagen. De grieven van Credim c.s. tegen het bestreden vonnis falen. De vorderingen van Credim c.s. (na wijziging van eis) worden afgewezen.
3.40.
Nu Credim c.s. in eerste aanleg als de grotendeels in het ongelijke gestelde partij heeft te gelden, heeft de rechtbank haar terecht veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. In hoger beroep zal Credim c.s. in de proceskosten in principaal hoger beroep worden veroordeeld. Ook de kosten van het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] komen voor rekening van Credim c.s.
De proceskosten in principaal hoger beroep bedragen:
  • aan griffierecht € 349,-
  • aan salaris advocaat € 2.580,- (2 punten x Tarief II)
  • aan nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals hierna vermeld)
Totaal € 3.118,-
De proceskosten in incidenteel hoger beroep bedragen:
- aan salaris advocaat € 645,- (1/2 punt x Tarief II).

4.De uitspraak

Het hof:
bepaalt dat daar waar in het vonnis van 30 oktober 2024 kadastraal perceel [C] staat dient te worden gelezen [A] ;
vernietigt in rov. 5.7. van het vonnis van de rechtbank van 30 oktober 2024 het aan rov. 5.6. en 5.7. verbonden maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 50.000,-;
en, opnieuw recht doende,
bepaalt dat aan de veroordeling van Quality Logistiek, [appellant sub 4] en [appellante sub 3] om aan [geïntimeerde] een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordelingen in 5.6. en 5.7. van het bestreden vonnis voldoen, een maximum van € 100.000,- wordt verbonden, zoals hiervoor in rov. 3.37. beslist;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
veroordeelt Credim c.s. in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden begroot op € 3.763,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als Credim c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Credim c.s. € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.T. Quaadvliet, F.C. Alink-Steinberg en W.F.R. Rinzema en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juni 2026.
griffier rolraadsheer