Uitspraak
[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),
5.De beschikking van 2 oktober 2025
- de raad verzocht om een onderzoek in te stellen en rapport en advies uit te brengen naar – kort gezegd – welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is en of hulpverlening, en zo ja, welke vorm van hulpverlening voor partijen noodzakelijk is om het contact tussen de vader en [minderjarige] zo onbelast mogelijk te laten verlopen;
- voor de duur van het raadsonderzoek een
- bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan de
- iedere verdere beslissing over de
6.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
- de moeder, bijgestaan door mr. Van den Heuvel;
- de vader, bijgestaan door mr. Broekman-de Feijter;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
definitievezorgregeling aan te houden totdat de hulpverlening aantoonbaar vorderingen maakt en de MASIC-screening is afgerond;
7.De verdere beoordeling
- de moeder verboden zich met [minderjarige] buiten de gemeenten [gemeente 1] , [gemeente 2] of [gemeente 3] te vestigen en de moeder geboden binnen twee maanden na het vonnis met [minderjarige] terug te keren naar de gemeente [gemeente 1] , althans [gemeente 2] of [gemeente 3] , zulks op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom van € 50,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 3.000,-;
- de moeder verboden om [minderjarige] in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) in te schrijven op een ander adres dan het adres van de woning te [plaats 2] , gemeente [gemeente 1] , althans buiten de gemeenten [gemeente 1] , [gemeente 2] of [gemeente 3] , zulks op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom van € 50,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 3.000,-;
- de moeder geboden een eventuele reeds gewijzigde BRP-inschrijving van [minderjarige] ongedaan te maken en haar opnieuw in te schrijven op een adres in de gemeente [gemeente 1] , althans de gemeenten [gemeente 2] of [gemeente 3] , zulks op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom van € 50,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 3.000,-.
voorlopigezorgregeling niet passend. Ook de GI heeft aangegeven dat, doordat er al langere tijd geen (fysiek) contact is geweest tussen [minderjarige] en de vader, een opbouwende begeleide contactregeling passend is. In het raadsonderzoek zijn zorgen ten aanzien van de opvoedomgeving, de opvoedvaardigheden en het persoonlijk functioneren van beide ouders naar voren gekomen. Binnen de ondertoezichtstelling dient eerst meer zicht te komen op de geconstateerde zorgen, voordat er een definitieve zorgregeling kan worden vastgesteld. Dit mag/hoeft niet ten koste te gaan van het contact tussen de vader en [minderjarige] . Het verstrijken van tijd is een grote risicofactor voor contactherstel. Uit het raadsonderzoek zijn geen redenen naar voren gekomen om begeleid contact(herstel) niet op te gaan starten. De fysieke veiligheid van [minderjarige] is daarbij gewaarborgd. Bovendien kan er in de voor- en nabespreking met de ouders nog verder worden gestuurd op welk gedrag passend is in het contact met [minderjarige] . Daarnaast wordt dan ook meer inzichtelijk hoe de vader het doet, vanuit een fysiek veilige omgeving. Uit het onderzoek van de raad zijn geen zorgen naar voren gekomen over het functioneren van [minderjarige] . De draagkracht van [minderjarige] lijkt voldoende. Ook de GI is van mening dat het contact tussen de vader en [minderjarige] , binnen de ondertoezichtstelling, verder opgebouwd kan worden. Hiervoor dient er eerst meer zicht te komen op de (zorgen in de) opvoedingsomgeving bij de vader en bij de moeder, hun persoonlijkheid en de eventuele gevolgen hiervan op (de ontwikkeling van) [minderjarige] . De raad adviseert in de tussentijd om, in het belang van [minderjarige] , een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij er twee keer per week begeleid contact (op donderdag en zondag) tussen [minderjarige] en de vader is. Regelmatig contact op minimaal twee dagen per week is in de eerste vier levensjaren van essentieel belang, zelfs wanneer er nooit of slechts kort sprake was van samenwoning van beide ouders. De invulling (en opbouw) hiervan dient plaats te vinden onder regie van de GI. Ook de verdere op- of uitbouw van contact, mits dit in het belang van [minderjarige] is, is aan de GI om op te pakken binnen de ondertoezichtstelling. De raad adviseert voor wat betreft de definitieve zorgregeling iedere verdere beslissing aan te houden voor de duur van de ondertoezichtstelling.
voorlopigezorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld, waarbij zij recht hebben op onbegeleid contact met elkaar op donderdag en op zondag van 8.45 uur tot 17.00 uur. Het hof heeft aan de nakoming van die regeling een dwangsom verbonden.
voorlopigezorgregeling nimmer is nagekomen. Er hebben nadien kennelijk alleen videobelmomenten tussen de vader en [minderjarige] plaatsgevonden. Fysiek contactherstel is niet van de grond gekomen,. Partijen leggen de schuld hiervan bij de ander neer. In de tussentijd is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Door de tussenkomst van de GI hebben er recentelijk voor het eerst een aantal kortdurende begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] plaatsgevonden. Verder is gebleken dat de vader met zijn huidige partner een kind verwacht en dat hij voornemens is om met die partner (en haar zoon) te gaan samenwonen. Op dit moment is het nog onduidelijk of dat in de woning van de vader of in de woning van diens partner gaat zijn. Tot slot is gebleken dat de rechtbank (in een andere procedure) de moeder inmiddels heeft veroordeeld om voor 1 juli 2026 terug te verhuizen naar een woning in de gemeenten [gemeente 1] , [gemeente 2] of [gemeente 3] , op straffe van verbeurte van een dwangsom. De moeder heeft tijdens de nadere mondelinge behandeling verklaard dat zij voornemens is om tegen die beslissing hoger beroep in te stellen.
beideouders naar voren zijn gekomen, acht het hof het met de raad het noodzakelijk dat er door de GI bij
beideouders opvoedondersteuning zal worden ingezet. Deze nog in te zetten opvoedondersteuning mag – naar het oordeel van het hof – het fysieke contact tussen de vader en [minderjarige] echter niet in de weg staan. Bovendien kan alleen wanneer er ook daadwerkelijk sprake is van fysiek contact tussen [minderjarige] en
beideouders, bij de GI meer zicht komen op de door de raad tijdens het raadsonderzoek geconstateerde zorgen. Het hof laat het daarbij aan de GI over om de intensiteit van de opvoedondersteuning te bepalen, omdat de GI (doordat zij belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling) daar meer zicht op heeft dan het hof. Daarbij geeft het hof ook aan de GI in overweging – wanneer de uitkomsten van de nog in te zetten opvoedondersteuning daartoe aanleiding geven – dat de GI ervoor zorg draagt dat een persoonlijkheidsonderzoek naar één of beide ouders gaat worden verricht. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de verzoeken van de moeder omtrent het gelasten van een MASIC-screening en eventuele nadere (persoonlijkheids)onderzoeken naar de vader, zal afwijzen.
beideouders, kan het hof op dit moment nog geen
definitievezorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vaststellen. Ook partijen, de GI en de raad zijn het erover eens dat de beslissing over de
definitievezorgregeling door het hof dient te worden aangehouden. De door de moeder verzochte opbouwende
voorlopigezorgregeling vindt het hof echter te beperkt. In die regeling zou de huidige zeer beperkte zorgregeling, waarbij [minderjarige] één keer per week gedurende drie uur begeleid contact met de vader heeft, nog drie maanden moeten voortduren. Dit terwijl deze begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] blijkens de als productie 9 overgelegde omgangsverslagen goed verlopen. Dat [minderjarige] volgens de moeder voorafgaand aan het contact met de vader slechter slaapt en dat zij de dagen erna vermoeider en opstandiger is, maakt dat niet anders. Het hof is van oordeel dat een
voorlopigezorgregeling waarbij [minderjarige] en de vader
minimaalrecht hebben op contact met elkaar gedurende twee keer per week (op donderdag en op zondag) gedurende vier uur, op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarbij neemt het hof, evenals de raad, in aanmerking dat het, gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de daarmee samenhangende hechtingsfase waarin zij zich thans bevindt, van belang is dat zij op frequentere basis (meerdere keren per week) contact met de vader heeft. Alleen op die manier is [minderjarige] in staat om ook met de vader een hechtingsrelatie op te bouwen, dan wel voor zover die hechtingsrelatie reeds bestaat, deze hechtingsrelatie verder uit te bouwen. Het hof zal daarbij bepalen dat de GI de regie heeft om te bepalen of de door het hof bepaalde
voorlopigezorgregeling begeleid dan wel onbegeleid dient plaats te vinden en om de locatie van de contactmomenten te bepalen. Daarbij geeft het hof de GI ook de vrijheid – indien het verloop van de
voorlopigezorgregeling en/of de nog in te zetten opvoedondersteuning daartoe aanleiding geven – naar eigen inzicht te komen tot een beperking of een verdere uitbreiding van de hiervoor genoemde
minimale en voorlopigezorgregeling. Het belang van [minderjarige] en haar draagkracht dienen daarbij leidend te zijn.
voorlopige)zorgregeling door de vader moeten worden gedragen, althans dat deze kosten moeten worden verdeeld op een wijze die het hof juist acht, zal het hof dit verzoek afwijzen. De moeder heeft in haar gewijzigde verzoek in hoger beroep en tijdens de nadere mondelinge behandeling in hoger beroep dit verzoek – naar het oordeel van het hof – onvoldoende met stukken onderbouwd en onvoldoende nader gespecificeerd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vader de door de moeder genoemde argumenten voor het dragen van deze reiskosten heeft weersproken. Zo heeft de vader de stelling van de moeder dat sprake is van een aanzienlijk inkomensverschil tussen partijen betwist. Evenmin heeft de moeder inzichtelijk gemaakt hoeveel de reiskosten ter uitvoering van de (
voorlopige)zorgregeling bedragen. Het had derhalve op de weg van de moeder gelegen om haar stellingen ten aanzien van dit verzoek nader en met onderliggende stukken te onderbouwen. Daarbij komt dat de moeder – zonder toestemming van de vader – met [minderjarige] is verhuisd en dat zij daardoor zelf de daarmee gepaard gaande reiskosten heeft veroorzaakt. Bij beschikking van 10 april 2026 heeft de rechtbank de moeder bevolen om met [minderjarige] uiterlijk op 1 juli 2026 terug te verhuizen naar een woning in de gemeenten [gemeente 1] , [gemeente 2] of [gemeente 3] . Tijdens de nadere mondelinge behandeling in hoger beroep was de moeder desondanks nog steeds in [woonplaats] woonachtig. Niet valt in te zien waarom de reiskosten ter uitvoering van de
(voorlopige)zorgregeling in die situatie volledig voor rekening van de vader dienen te komen, temeer nu iedere nadere onderbouwing en specificatie van dat verzoek ontbreekt.
voorlopigezorgregeling een dwangsom verbonden, als prikkel voor de moeder om die regeling na te komen. Nu de moeder, ondanks deze dwangsom, de door het hof vastgestelde
voorlopigezorgregeling niet is nagekomen én zij eerder rechtelijke beslissingen niet is nagekomen, ziet het hof aanleiding om de eerder vastgestelde dwangsom te handhaven. Dit betekent concreet dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan de onder rechtsoverweging 7.11.5. vastgestelde
voorlopigezorgregeling, met een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 5.000,-.
uiterlijk 4 december 2026het hof schriftelijk te rapporteren over het verloop van de door het hof vastgestelde
voorlopigezorgregeling tussen de vader en [minderjarige] en de resultaten van de nog bij beide ouders in te zetten opvoedondersteuning.
uiterlijk binnen twee weken, schriftelijk te reageren op de rapportage van de GI.
18 december 2026 pro forma.
8.De beslissing
voorlopigeregeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen met betrekking tot [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , vast zoals onder rechtsoverweging 7.11.5. van deze beschikking is weergegeven;
voorlopigezorgregeling, met een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro);
voorlopige) zorgregeling door de vader moeten worden gedragen, af;
uiterlijk 4 december 2026het hof schriftelijk te rapporteren over het verloop van de door het hof vastgestelde
voorlopigezorgregeling en de resultaten van de nog bij beide ouders in te zetten opvoedondersteuning;
uiterlijk binnen twee wekenschriftelijk te reageren op genoemde rapportage van de GI;
18 december 2026 PRO FORMA.