ECLI:NL:GHSHE:2026:1599

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
200.356.312_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en opvoedondersteuning bij geschil over contact minderjarige

In deze zaak staat de zorg- en contactregeling tussen de ouders van een minderjarige centraal. Het hof heeft op 2 oktober 2025 een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de vader recht heeft op onbegeleid contact met de minderjarige op donderdag en zondag. De moeder is echter in gebreke gebleven deze regeling na te komen, waardoor het contact fysiek niet van de grond is gekomen.

De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling (GI) hebben onderzoek gedaan en geadviseerd over de zorgregeling en opvoedondersteuning. Er zijn zorgen over de opvoedcapaciteiten en het persoonlijk functioneren van beide ouders, maar het contact tussen vader en kind moet worden opgebouwd onder begeleiding. De moeder verzocht om een MASIC-screening en nadere onderzoeken naar de vader, wat het hof afwijst wegens gebrek aan aanleiding en juridische grondslag.

Het hof stelt een minimalere voorlopige zorgregeling vast met twee keer per week begeleid contact, waarbij de GI de regie heeft over de begeleiding en locatie. De moeder krijgt een dwangsom van €250 per dag bij niet-naleving, met een maximum van €5.000. De zaak wordt aangehouden tot 18 december 2026, waarbij de GI wordt verzocht te rapporteren over het verloop van de regeling en opvoedondersteuning.

Uitkomst: Het hof stelt een voorlopige zorgregeling met begeleid contact vast, wijst MASIC-screening en reiskostenverdeling af, handhaaft dwangsom en houdt de zaak aan tot december 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 18 juni 2026
Zaaknummer: 200.356.312/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/428420 / FA RK 24-5165
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: voorheen mr. V.C. Serrarens, thans mr. R.A. van den Heuvel,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente 1] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter.
Deze zaak gaat over
[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),
geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende in deze zaak dient te worden aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming west, regio Zeeland,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

5.De beschikking van 2 oktober 2025

5.1.
Bij de beschikking van 2 oktober 2025 heeft het hof, voor zover nog van belang:
  • de raad verzocht om een onderzoek in te stellen en rapport en advies uit te brengen naar – kort gezegd – welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is en of hulpverlening, en zo ja, welke vorm van hulpverlening voor partijen noodzakelijk is om het contact tussen de vader en [minderjarige] zo onbelast mogelijk te laten verlopen;
  • voor de duur van het raadsonderzoek een
  • bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan de
  • iedere verdere beslissing over de

6.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.
De mondelinge behandeling in hoger beroep is voortgezet op 7 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Van den Heuvel;
  • de vader, bijgestaan door mr. Broekman-de Feijter;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
6.2.
Het hof heeft na de beschikking van 2 oktober 2025 kennisgenomen van:
- het rapport van de raad d.d. 9 februari 2026;
- het V8-formulier ingediend door de advocaat van de vader op 23 februari 2026;
- het V5-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 26 februari 2026;
- het V8-formulier ingediend door de advocaat van de vader op 2 maart 2026;
- het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 9 maart 2026;
- het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 12 maart 2026;
- het V5-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 9 april 2026;
- de door de advocaat van de moeder op verzoek van het hof overgelegde beschikkingen van de rechtbank van 28 november 2025 en 27 februari 2026 en het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van 11 december 2025, allen ingekomen ter griffie op 28 april 2026;
- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vader op 29 april 2026;
- de briefrapportage van de GI d.d. 1 mei 2026.
6.3.
Verder heeft de advocaat van de moeder op 24 april 2026 nog een V6-formulier met bijlagen (een brief aan het hof met daarbij producties 1 tot en met 14) ingediend. Op 26 april 2026 heeft de advocaat van de moeder een verbeterde versie van genoemde brief ingediend.
De advocaat van de vader heeft tijdens de mondelinge behandeling hiertegen bezwaar gemaakt. Zij meent dat de moeder in die brief een extra schriftelijke ronde neemt en dat is in strijd met de twee-conclusie-regel. Bovendien zijn de daarbij overgelegde producties door het hof reeds tijdens de vorige mondelinge behandeling grotendeels afgewezen.
6.3.1.
De advocaat van de moeder stelt zich op het standpunt dat zij haar verzoeken in hoger beroep mag wijzigen, dat de inhoud van genoemde brief een toelichting is op die gewijzigde verzoeken en dat zij hierin tevens een nadere reactie op het raadsrapport geeft. Ook heeft er een rechterwissel plaatsgevonden waardoor de advocaat van de moeder haar standpunt ten overstaan van de nieuwe raadsheren naar voren mag brengen. Tot slot is er voor de vader geen sprake van nieuwe informatie. Een aantal producties is reeds in een andere procedure bij de rechtbank (omtrent de vervangende toestemming tot verhuizing) ingediend.
6.3.2.
Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling in hoger beroep het hof beslist dat genoemde begeleidende brief van de advocaat van de moeder niet in strijd is met de twee-conclusie-regel en geen strijd met de goede procesorde oplevert. De advocaat van de moeder mag haar verzoeken in hoger beroep wijzigen c.q. aanvullen en hier een toelichting op geven. Ook mag zij nadere producties overleggen en hier een schriftelijke toelichting op geven. Daarbij komt dat in onderhavige zaak een rechterswissel heeft plaatsgevonden zodat de advocaat van de moeder ten overstaan van de nieuwe zittingscombinatie haar standpunt (opnieuw) naar voren mag brengen. Dit brengt met zich dat het hof genoemde brief en de overgelegde producties zal toevoegen aan het procesdossier in hoger beroep, met uitzondering van productie 4. Productie 4 betreft – naar het oordeel van het hof – een eigen relaas van de moeder. Het is aan de advocaat van de moeder om schriftelijk de stellingen van de moeder in deze procedure naar voren te brengen. Productie 4 blijft buiten beschouwing.
6.4.
De moeder verzoekt in hoger beroep, na wijziging en aanvulling van haar eerdere verzoeken in hoger beroep (bij V6-formulier van 24 april 2026), bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het de vastgestelde zorgregeling betreft en, opnieuw rechtdoende:
I. een MASIC-screening te gelasten naar de persoonlijkheids- en opvoedproblematiek van de vader, waaronder psychodiagnostisch onderzoek, veiligheidscontrole van de woning en evaluatie van de opvoedcapaciteiten van de vader, en de zaak in afwachting van de uitkomsten van dit onderzoek aan te houden;
II. te bepalen dat genoemde MASIC-screening wordt uitgevoerd door [instantie] te [plaats 1] , dan wel door het ROTS-programma te [plaats 1] , of door een door het hof te bepalen instantie;
III. te bepalen dat de contactopbouw tussen de vader en [minderjarige] gefaseerd plaatsvindt over een periode van twaalf maanden, conform het hierna beschreven vijf-fasen-plan, onder begeleiding van een gespecialiseerde instelling:
Fase 1 - Stabilisatie (maand 1 t/m 3)
Iedere woensdag van 10:00 - 13:00 uur.
De contactmomenten blijven ongewijzigd in duur. Hierbij vindt nog begeleiding plaats. Evaluatie na drie maanden via de GI, waarbij de resultaten uit de nog op te starten onderzoeken worden betrokken.
Fase 2 - Eerste uitbreiding in duur (maand 4 t/m 6)
Iedere woensdag van 10:00 - 14:30 uur.
Eventueel met een uitbreiding naar lichte verzorgingsmomenten (eten, rustmoment). Hierbij vindt nog begeleiding plaats. Evaluatie na zes maanden. Dit kan dan op een locatie van [instantie] of op een andere locatie. Buiten is wat de moeder betreft niet altijd haalbaar.
Fase 3 - Uitbreiding in uren (maand 7 t/m 9)
Iedere woensdag van 10:00 - 16:00 uur.
Overdracht: de ene keer halverwege, gevolgd door een contact bij de vader en dan contact in de omgeving van de moeder. Deze cyclus wordt zo herhaald. Hierbij vindt nog begeleiding plaats. Evaluatie na negen maanden.
Fase 4 - Uitbreiding naar een volledige dag + avond (maand 10 t/m 11)
Iedere woensdag van 10:00 - 14:30 uur en één keer per twee weken op zaterdag van 10:00 - 18:00 uur. De voorwaarde voor deze uitbreiding is een positieve evaluatie en een veilige thuissituatie. Hierbij is begeleiding nog van toepassing. De moeder meent dat het van belang is dat de vader zich dan ook aantoonbaar inzet ten aanzien van zijn persoonlijkheidsproblematiek. Ook hier geldt de hiervoor genoemde cyclus in de locatie waar het contact plaatsvindt.
Fase 5 - Eerste overnachting (maand 12)
Het contactmoment op de woensdag vervalt. In plaats daarvan geldt een weekendregeling waarbij [minderjarige] en de vader één keer per twee weken contact hebben van zaterdag 10:00 uur tot zondag 10:00 uur, waarbij dezelfde voorwaarden als hierboven genoemd gelden. De moeder brengt [minderjarige] op zaterdag naar de vader en op zondag brengt de vader [minderjarige] terug naar de moeder. Deze regeling is alleen mogelijk indien begeleiding niet meer nodig is;
IV. de beslissing op de
definitievezorgregeling aan te houden totdat de hulpverlening aantoonbaar vorderingen maakt en de MASIC-screening is afgerond;
V. te bepalen dat de reiskosten ter uitvoering van de zorgregeling worden gedragen door de vader, althans dat deze kosten worden verdeeld op een wijze die het hof juist acht;
VI. te bepalen dat de verzoeken in het incidenteel hoger beroep van de vader worden afgewezen;
VII. kosten rechtens.

7.De verdere beoordeling

De ontwikkelingen na de beschikking van het hof van 2 oktober 2025
7.1.
Bij beschikking van 28 november 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden, met ingang van 28 november 2025 tot 28 februari 2026.
7.2.
Bij vonnis in kort geding van 11 december 2025 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg:
  • de moeder verboden zich met [minderjarige] buiten de gemeenten [gemeente 1] , [gemeente 2] of [gemeente 3] te vestigen en de moeder geboden binnen twee maanden na het vonnis met [minderjarige] terug te keren naar de gemeente [gemeente 1] , althans [gemeente 2] of [gemeente 3] , zulks op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom van € 50,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 3.000,-;
  • de moeder verboden om [minderjarige] in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) in te schrijven op een ander adres dan het adres van de woning te [plaats 2] , gemeente [gemeente 1] , althans buiten de gemeenten [gemeente 1] , [gemeente 2] of [gemeente 3] , zulks op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom van € 50,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 3.000,-;
  • de moeder geboden een eventuele reeds gewijzigde BRP-inschrijving van [minderjarige] ongedaan te maken en haar opnieuw in te schrijven op een adres in de gemeente [gemeente 1] , althans de gemeenten [gemeente 2] of [gemeente 3] , zulks op straffe van een door de moeder aan de vader te betalen dwangsom van € 50,- voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, tot een maximum van € 3.000,-.
7.3.
Bij beschikking van 27 februari 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, [minderjarige] definitief onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 27 februari 2026 tot 27 februari 2027.
7.4.
Bij beschikking van 10 april 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, de moeder bevolen om met [minderjarige] uiterlijk op 1 juli 2026 terug te verhuizen naar een woning in de gemeenten [gemeente 1] , [gemeente 2] of [gemeente 3] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij dit bevel overtreedt met een maximum van € 10.000,-.
Het advies van de raad in het rapport van 9 februari 2026
7.5.
De raad heeft in genoemd rapport – samengevat – geconstateerd dat de vader en [minderjarige] vanaf 5 juli 2025 geen (fysiek) contact meer met elkaar hebben gehad. Ook binnen de voorlopige ondertoezichtstelling is het contact(herstel) tussen hen (nog) niet van de grond gekomen. De vader is van mening dat de moeder consequent haar medewerking hieraan weigert te verlenen. De moeder betwist dat. Zij vindt het juist heel belangrijk dat er contact is tussen de vader en [minderjarige] . Dit contact moet echter wel veilig zijn en aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Vanwege de zorgen die de moeder over de vader heeft, vindt de moeder de door het hof vastgestelde
voorlopigezorgregeling niet passend. Ook de GI heeft aangegeven dat, doordat er al langere tijd geen (fysiek) contact is geweest tussen [minderjarige] en de vader, een opbouwende begeleide contactregeling passend is. In het raadsonderzoek zijn zorgen ten aanzien van de opvoedomgeving, de opvoedvaardigheden en het persoonlijk functioneren van beide ouders naar voren gekomen. Binnen de ondertoezichtstelling dient eerst meer zicht te komen op de geconstateerde zorgen, voordat er een definitieve zorgregeling kan worden vastgesteld. Dit mag/hoeft niet ten koste te gaan van het contact tussen de vader en [minderjarige] . Het verstrijken van tijd is een grote risicofactor voor contactherstel. Uit het raadsonderzoek zijn geen redenen naar voren gekomen om begeleid contact(herstel) niet op te gaan starten. De fysieke veiligheid van [minderjarige] is daarbij gewaarborgd. Bovendien kan er in de voor- en nabespreking met de ouders nog verder worden gestuurd op welk gedrag passend is in het contact met [minderjarige] . Daarnaast wordt dan ook meer inzichtelijk hoe de vader het doet, vanuit een fysiek veilige omgeving. Uit het onderzoek van de raad zijn geen zorgen naar voren gekomen over het functioneren van [minderjarige] . De draagkracht van [minderjarige] lijkt voldoende. Ook de GI is van mening dat het contact tussen de vader en [minderjarige] , binnen de ondertoezichtstelling, verder opgebouwd kan worden. Hiervoor dient er eerst meer zicht te komen op de (zorgen in de) opvoedingsomgeving bij de vader en bij de moeder, hun persoonlijkheid en de eventuele gevolgen hiervan op (de ontwikkeling van) [minderjarige] . De raad adviseert in de tussentijd om, in het belang van [minderjarige] , een voorlopige zorgregeling vast te stellen waarbij er twee keer per week begeleid contact (op donderdag en zondag) tussen [minderjarige] en de vader is. Regelmatig contact op minimaal twee dagen per week is in de eerste vier levensjaren van essentieel belang, zelfs wanneer er nooit of slechts kort sprake was van samenwoning van beide ouders. De invulling (en opbouw) hiervan dient plaats te vinden onder regie van de GI. Ook de verdere op- of uitbouw van contact, mits dit in het belang van [minderjarige] is, is aan de GI om op te pakken binnen de ondertoezichtstelling. De raad adviseert voor wat betreft de definitieve zorgregeling iedere verdere beslissing aan te houden voor de duur van de ondertoezichtstelling.
7.6.
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op het rapport van de raad te reageren.
De nadere standpunten
7.7.
Het (nadere) standpunt van de moeder luidt – samengevat – als volgt.
Op een aantal punten is het rapport van de raad onvolledig, feitelijk onjuist of onvoldoende evenwichtig. Ook zijn er onderdelen in het rapport die de positie van de moeder nadrukkelijk ondersteunen. De moeder kan instemmen met de door de raad geadviseerde begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] met een stapsgewijze opbouw, met de aanhouding van de beslissing omtrent de definitieve zorgregeling totdat de hulpverlening aantoonbare vorderingen heeft gemaakt en met een MASIC-screening. De moeder verzoekt het hof om een MASIC-screening te gelasten. Er heeft nog geen onderzoek naar het verleden tussen partijen plaatsgevonden. Er is onderzoek nodig naar wat er zich tussen partijen heeft afgespeeld, naar de dynamiek tussen partijen en wat dat betekent voor het contact tussen de vader en [minderjarige] . In de jurisprudentie zijn dergelijke verzoeken eerder toegewezen met als juridische grondslag het deskundigenonderzoek. Indien het binnen de MASIC-screening niet mogelijk is om onderzoek te doen naar de persoonlijkheid van de vader, dan dient hiervoor een separaat deskundigenonderzoek te worden gelast. De moeder heeft gedurende de relatie van partijen, maar ook daarna, controlerend, intimiderend en escalerend gedrag vanuit de vader ervaren. De uitkomsten van de MASIC-screening en het eventuele separate deskundigenonderzoek zijn van essentieel belang voor het bepalen van een definitieve zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] . Indien vast komt te staan dat sprake is (geweest) van intieme terreur, dan is dat een contra-indicatie voor de verdere uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige] en voor solo parallel ouderschap. Ook dient er duidelijkheid te komen over de diagnose en wietverslaving van de vader en dient inzichtelijk te worden gemaakt of de leef- en woonsituatie van de vader veilig is voor [minderjarige] .
De moeder betwist dat er sinds de geboorte van [minderjarige] geen structureel contact tussen de vader en [minderjarige] heeft plaatsgevonden. Dit contact heeft van augustus 2023 tot begin juli 2025 één tot twee keer per week plaatsgevonden. De constatering van de raad dat het contactherstel binnen de voorlopige ondertoezichtstelling niet van de grond is gekomen, is onvolledig en mist causale context. De moeder had aan het contact basale veiligheidseisen gesteld. De vader weigerde echter contact met [minderjarige] onder die voorwaarden. Sinds juli 2025 was er eerst nog sprake van contact middels videobellen. Deze videobelmomenten zijn vervolgens stopgezet omdat de vader twee weken lang geen contact opnam na 5 oktober 2025. De moeder heeft nadien nog meerdere opbouwvoorstellen aan de vader gedaan, maar deze zijn allemaal door de vader geweigerd. Ook hebben praktische belemmeringen (de reisafstand en de wisselende opstelling van de GI) een rol gespeeld bij het niet van de grond komen van het fysieke contactherstel. Het in het raadsrapport geschetste beeld dat de stagnatie in het contact primair aan de moeder te wijten is, is derhalve onjuist en doet geen recht aan de feitelijke gang van zaken.
Inmiddels heeft er een aantal begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] plaatsgevonden. De moeder merkt dat [minderjarige] voorafgaand aan het contact met de vader slechter slaapt en dat zij de dagen erna vermoeider en opstandiger is. De verdere uitbreiding van het contact moet behapbaar zijn voor [minderjarige] . De moeder mist hierin de regie van de GI. Het is onduidelijk welke stappen er door de GI in de uitbreiding van het contact worden genomen en onder welke voorwaarden.
De moeder wil dat de vader de reiskosten ter uitvoering van de zorgregeling althans een gedeelte hiervan draagt. Zij heeft die kosten jarenlang alleen gedragen. Verder is er sprake van een aanzienlijk inkomensverschil tussen partijen en betaalt de vader al enkele jaren niet op structurele basis kinderalimentatie voor [minderjarige] . Bovendien zijn die reiskosten niet verdisconteerd in de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie.
De moeder kan niet instemmen met intensieve opvoedondersteuning. De raad baseert de noodzaak hiervan uitsluitend op het verhaal van de vader. Uit het onderzoek zijn geen concrete signalen van onveiligheid in de opvoedingsomgeving van de moeder naar voren gekomen. [minderjarige] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. Ook de vader heeft eerder diverse keren verklaard dat hij geen zorgen heeft over de opvoedkwaliteiten van de moeder.
7.8.
Het (nadere) standpunt van de vader luidt – samengevat – als volgt.
De vader stemt in met het advies van de raad van 9 februari 2026. De vader is bereid om in het kader van de ondertoezichtstelling mee te werken aan de geadviseerde begeleide zorgregeling van minimaal twee keer per week onder regie van de GI. Ook kan de vader instemmen met de inzet van intensieve opvoedondersteuning, waarbij hij er vanuit gaat dat die ook bij de moeder zal worden ingezet. Het verzoek van de moeder om een onderzoek te laten verrichten naar de persoonlijkheid van de vader moet worden afgewezen. De vader betwist dat er bij hem sprake is van een diagnose. Ook heeft de vader een totaal ander beeld van het verloop van de relatie van partijen en de beëindiging ervan. De vader heeft de moeder nooit bedreigd. Wel was er sprake van een bepaalde dynamiek tussen partijen. Indien het hof het noodzakelijk vindt dat een MASIC-screening wordt gelast, dan verzet de vader zich daar niet uitdrukkelijk tegen. De vader twijfelt wel over het nut van dit instrument. Uit de literatuur volgt niet eenduidig of een MASIC-screening antwoord gaat geven op de vraag of er daadwerkelijk intieme terreur tussen partijen heeft plaatsgevonden. Verder mag de MASIC-screening er niet toe leiden dat de begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] worden stopgezet.
Inmiddels heeft er een aantal begeleide contactmomenten plaatsgevonden en die zijn goed verlopen. Daarbij ziet de vader ook groei in het contact tussen hem en [minderjarige] . De stappen in de door de moeder verzochte opbouwende zorgregeling zijn te klein. De regie van de opbouw moet bij de GI komen te liggen. De GI kan dan ook rekening houden met de recente ontwikkelingen. De vader en zijn partner verwachten in [maand] een baby. Zij zijn voornemens om te gaan samenwonen, maar het is nog onduidelijk of dit in het huis van de vader of in het huis van zijn partner zal zijn. Ook heeft de vader inmiddels een nieuwe hond.
De moeder dient de reiskosten ter uitvoering van de zorgregeling zelf te dragen. Zij heeft die kosten zelf veroorzaakt door zonder toestemming van de vader met [minderjarige] te verhuizen. Ook heeft de moeder de reiskosten niet onderbouwd. Bovendien is er geen sprake van een substantieel inkomensverschil tussen partijen. Indien aan de zijde van de moeder ook rekening wordt gehouden met ontvangen toeslagen, dan is het inkomen van partijen ongeveer gelijk. De vader verzoekt het hof nog geen eindbeschikking af te geven, maar de beslissing op de definitieve zorgregeling aan te houden. De opbouw zal anders stagneren.
7.9.
De GI heeft in het briefrapport, zoals aangevuld tijdens de nadere mondelinge behandeling in hoger beroep – samengevat – het volgende aangevoerd.
De GI heeft verschillende pogingen gedaan om de moeder te bewegen tot het naleven van de door het hof vastgestelde voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] . Dit is niet gelukt. Tijdens een mondelinge behandeling bij de rechtbank op 27 februari 2026 heeft de GI samen met de ouders afspraken gemaakt over het contact tussen de vader en [minderjarige] . Er is daarbij afgesproken dat er voor de duur van vier weken een wekelijks begeleid bezoek op een neutrale plaats zou gaan plaatsvinden. Deze contacten hebben plaatsgevonden en zijn goed verlopen. Zowel [minderjarige] als de vader genieten van deze contactmomenten. Het contact tussen hen ziet er natuurlijk uit. De GI had tijdens die contactmomenten geen zorgen over de opvoedcapaciteiten van de vader. Ook de overdracht van [minderjarige] tussen de ouders verloopt goed. De GI wil graag een volgende stap zetten in de uitbreiding van het contact tussen [minderjarige] en de vader. De GI wil uiteindelijk toewerken naar de door het hof vastgestelde voorlopige zorgregeling. Een volgende stap is om de contacten bij de vader thuis te laten plaatsvinden en de begeleiding af te bouwen. De moeder heeft echter nog onvoldoende vertrouwen in de vader om deze volgende stap te kunnen zetten. Zij wil dat er eerst meer onderzoek wordt gedaan naar de bij de vader vastgestelde diagnose en de gebeurtenissen tussen partijen in het verleden. Het afnemen van een MASIC-screening heeft bij de GI echter geen prioriteit. De GI heeft geen goede ervaringen met eerder uitgevoerde MASIC-screeningen. Dat wil niet zeggen dat de GI geen rekening houdt met het verleden tussen partijen. Er zijn voldoende andere trajecten om het verleden tussen deze ouders aan te pakken. Het uitbreiden van het contact tussen de vader en [minderjarige] heeft echter nu prioriteit bij de GI.
De GI heeft besloten om de huidige contacten tussen de vader en [minderjarige] ongewijzigd te houden tot de uitspraak van het hof. De GI wil dat het hof in die uitspraak aangeeft wat de uiteindelijke zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] dient te zijn, waar – onder de regie van de GI – naar toe gewerkt moet worden.
7.10.
De raad heeft aanvullend op genoemd rapport tijdens de nadere mondelinge behandeling in hoger beroep – samengevat – nog het volgende naar voren gebracht.
Er wordt door de moeder teveel gewicht aan een MASIC-screening toegekend. Een MASIC-screening kan helpend zijn om in de huidige situatie om te gaan met omstandigheden die zich in het verleden tussen de ouders hebben voorgedaan. Deze informatie kan ook worden gehaald uit hoe de begeleide contacten nu verlopen, de huidige verstandhouding tussen de ouders en uit nader feitenonderzoek door de GI. Een MASIC-screening dient daarom geen voorwaarde te zijn om verder te komen in de contactopbouw tussen de vader en [minderjarige] .
De raad adviseert nog steeds om de beslissing over de definitieve zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] aan te houden. Er is nog een aantal factoren dat onzeker is, zoals het hoger beroep van de moeder tegen de afwijzing van haar verzoek om vervangende toestemming tot verhuizing. Gelet op de opbouw van de hechtingsrelatie tussen de vader en [minderjarige] dienen de begeleide contactmomenten frequenter te gaan plaatsvinden. Ook moet terstond worden toegewerkt naar contactmomenten bij de vader thuis. Dit is ook van belang voor de bij de vader in te zetten opvoedondersteuning. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met alle factoren, zoals de reisafstand.
De motivering van de beslissing
7.11.
Het hof overweegt het volgende.
Huidige stand van zaken
7.11.1.
Het hof heeft in de beschikking van 2 oktober 2025, voor de duur van het raadsonderzoek, een
voorlopigezorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld, waarbij zij recht hebben op onbegeleid contact met elkaar op donderdag en op zondag van 8.45 uur tot 17.00 uur. Het hof heeft aan de nakoming van die regeling een dwangsom verbonden.
7.11.2.
Uit de stukken en het besprokene tijdens de nadere mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de moeder genoemde
voorlopigezorgregeling nimmer is nagekomen. Er hebben nadien kennelijk alleen videobelmomenten tussen de vader en [minderjarige] plaatsgevonden. Fysiek contactherstel is niet van de grond gekomen,. Partijen leggen de schuld hiervan bij de ander neer. In de tussentijd is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Door de tussenkomst van de GI hebben er recentelijk voor het eerst een aantal kortdurende begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] plaatsgevonden. Verder is gebleken dat de vader met zijn huidige partner een kind verwacht en dat hij voornemens is om met die partner (en haar zoon) te gaan samenwonen. Op dit moment is het nog onduidelijk of dat in de woning van de vader of in de woning van diens partner gaat zijn. Tot slot is gebleken dat de rechtbank (in een andere procedure) de moeder inmiddels heeft veroordeeld om voor 1 juli 2026 terug te verhuizen naar een woning in de gemeenten [gemeente 1] , [gemeente 2] of [gemeente 3] , op straffe van verbeurte van een dwangsom. De moeder heeft tijdens de nadere mondelinge behandeling verklaard dat zij voornemens is om tegen die beslissing hoger beroep in te stellen.
7.11.3.
De moeder heeft onder meer op grond van de hiervoor genoemde ontwikkelingen na de beschikking van het hof van 2 oktober 2025 aanleiding gezien om haar verzoeken in hoger beroep te wijzigen. Dit betekent dat de door de moeder bij V6-formulier van 24 april 2026 gewijzigde verzoeken thans ter beoordeling aan het hof voorliggen.
Het hof zal hieronder daartoe overgaan.
Verzoek MASIC-screening en nadere onderzoeken
7.11.4.
Het hof ziet op grond van de stukken en het besprokene tijdens de nadere mondelinge behandeling in hoger beroep op dit moment geen aanleiding om een MASIC-screening te gelasten, nog daargelaten of er een juridische grondslag bestaat op grond waarvan het hof dat kan doen.
Gelet op het feit dat in het raadsonderzoek zorgen ten aanzien van de opvoedomgeving, de opvoedvaardigheden en het persoonlijk functioneren van
beideouders naar voren zijn gekomen, acht het hof het met de raad het noodzakelijk dat er door de GI bij
beideouders opvoedondersteuning zal worden ingezet. Deze nog in te zetten opvoedondersteuning mag – naar het oordeel van het hof – het fysieke contact tussen de vader en [minderjarige] echter niet in de weg staan. Bovendien kan alleen wanneer er ook daadwerkelijk sprake is van fysiek contact tussen [minderjarige] en
beideouders, bij de GI meer zicht komen op de door de raad tijdens het raadsonderzoek geconstateerde zorgen. Het hof laat het daarbij aan de GI over om de intensiteit van de opvoedondersteuning te bepalen, omdat de GI (doordat zij belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling) daar meer zicht op heeft dan het hof. Daarbij geeft het hof ook aan de GI in overweging – wanneer de uitkomsten van de nog in te zetten opvoedondersteuning daartoe aanleiding geven – dat de GI ervoor zorg draagt dat een persoonlijkheidsonderzoek naar één of beide ouders gaat worden verricht. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de verzoeken van de moeder omtrent het gelasten van een MASIC-screening en eventuele nadere (persoonlijkheids)onderzoeken naar de vader, zal afwijzen.
Voorlopige zorgregeling
7.11.5.
Gelet op de hiervoor onder rechtsoverweging 7.12.2. genoemde ontwikkelingen na de bestreden beschikking en de nog in te zetten opvoedondersteuning bij
beideouders, kan het hof op dit moment nog geen
definitievezorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vaststellen. Ook partijen, de GI en de raad zijn het erover eens dat de beslissing over de
definitievezorgregeling door het hof dient te worden aangehouden. De door de moeder verzochte opbouwende
voorlopigezorgregeling vindt het hof echter te beperkt. In die regeling zou de huidige zeer beperkte zorgregeling, waarbij [minderjarige] één keer per week gedurende drie uur begeleid contact met de vader heeft, nog drie maanden moeten voortduren. Dit terwijl deze begeleide contactmomenten tussen de vader en [minderjarige] blijkens de als productie 9 overgelegde omgangsverslagen goed verlopen. Dat [minderjarige] volgens de moeder voorafgaand aan het contact met de vader slechter slaapt en dat zij de dagen erna vermoeider en opstandiger is, maakt dat niet anders. Het hof is van oordeel dat een
voorlopigezorgregeling waarbij [minderjarige] en de vader
minimaalrecht hebben op contact met elkaar gedurende twee keer per week (op donderdag en op zondag) gedurende vier uur, op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarbij neemt het hof, evenals de raad, in aanmerking dat het, gelet op de leeftijd van [minderjarige] en de daarmee samenhangende hechtingsfase waarin zij zich thans bevindt, van belang is dat zij op frequentere basis (meerdere keren per week) contact met de vader heeft. Alleen op die manier is [minderjarige] in staat om ook met de vader een hechtingsrelatie op te bouwen, dan wel voor zover die hechtingsrelatie reeds bestaat, deze hechtingsrelatie verder uit te bouwen. Het hof zal daarbij bepalen dat de GI de regie heeft om te bepalen of de door het hof bepaalde
voorlopigezorgregeling begeleid dan wel onbegeleid dient plaats te vinden en om de locatie van de contactmomenten te bepalen. Daarbij geeft het hof de GI ook de vrijheid – indien het verloop van de
voorlopigezorgregeling en/of de nog in te zetten opvoedondersteuning daartoe aanleiding geven – naar eigen inzicht te komen tot een beperking of een verdere uitbreiding van de hiervoor genoemde
minimale en voorlopigezorgregeling. Het belang van [minderjarige] en haar draagkracht dienen daarbij leidend te zijn.
Reiskosten uitvoering van de voorlopige zorgregeling
7.11.6.
Voor zover de moeder in haar gewijzigde verzoek in hoger beroep het hof nog heeft verzocht te bepalen dat de reiskosten ter uitvoering van de (
voorlopige)zorgregeling door de vader moeten worden gedragen, althans dat deze kosten moeten worden verdeeld op een wijze die het hof juist acht, zal het hof dit verzoek afwijzen. De moeder heeft in haar gewijzigde verzoek in hoger beroep en tijdens de nadere mondelinge behandeling in hoger beroep dit verzoek – naar het oordeel van het hof – onvoldoende met stukken onderbouwd en onvoldoende nader gespecificeerd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vader de door de moeder genoemde argumenten voor het dragen van deze reiskosten heeft weersproken. Zo heeft de vader de stelling van de moeder dat sprake is van een aanzienlijk inkomensverschil tussen partijen betwist. Evenmin heeft de moeder inzichtelijk gemaakt hoeveel de reiskosten ter uitvoering van de (
voorlopige)zorgregeling bedragen. Het had derhalve op de weg van de moeder gelegen om haar stellingen ten aanzien van dit verzoek nader en met onderliggende stukken te onderbouwen. Daarbij komt dat de moeder – zonder toestemming van de vader – met [minderjarige] is verhuisd en dat zij daardoor zelf de daarmee gepaard gaande reiskosten heeft veroorzaakt. Bij beschikking van 10 april 2026 heeft de rechtbank de moeder bevolen om met [minderjarige] uiterlijk op 1 juli 2026 terug te verhuizen naar een woning in de gemeenten [gemeente 1] , [gemeente 2] of [gemeente 3] . Tijdens de nadere mondelinge behandeling in hoger beroep was de moeder desondanks nog steeds in [woonplaats] woonachtig. Niet valt in te zien waarom de reiskosten ter uitvoering van de
(voorlopige)zorgregeling in die situatie volledig voor rekening van de vader dienen te komen, temeer nu iedere nadere onderbouwing en specificatie van dat verzoek ontbreekt.
Dwangsom
7.11.7.
Het hof heeft aan de in de beschikking van 2 oktober 2025 vastgestelde
voorlopigezorgregeling een dwangsom verbonden, als prikkel voor de moeder om die regeling na te komen. Nu de moeder, ondanks deze dwangsom, de door het hof vastgestelde
voorlopigezorgregeling niet is nagekomen én zij eerder rechtelijke beslissingen niet is nagekomen, ziet het hof aanleiding om de eerder vastgestelde dwangsom te handhaven. Dit betekent concreet dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan de onder rechtsoverweging 7.11.5. vastgestelde
voorlopigezorgregeling, met een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 5.000,-.
Aanhouding van de zaak en verder verloop van de zaak
7.11.8.
Het hof verzoekt de GI, gelet op het voorgaande, om
uiterlijk 4 december 2026het hof schriftelijk te rapporteren over het verloop van de door het hof vastgestelde
voorlopigezorgregeling tussen de vader en [minderjarige] en de resultaten van de nog bij beide ouders in te zetten opvoedondersteuning.
Partijen en de raad worden vervolgens door het hof nog in de gelegenheid gesteld om,
uiterlijk binnen twee weken, schriftelijk te reageren op de rapportage van de GI.
Het hof zal de verdere behandeling van de zaak voor de duur van zes maanden aanhouden, derhalve tot
18 december 2026 pro forma.
De slotsom
7.12.
Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna onder 8 vermeld.

8.De beslissing

Het hof:
stelt een minimale
voorlopigeregeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen met betrekking tot [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , vast zoals onder rechtsoverweging 7.11.5. van deze beschikking is weergegeven;
bepaalt dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro) per dag dat zij in gebreke blijft uitvoering te geven aan de onder rechtsoverweging 7.12.5. vastgestelde
voorlopigezorgregeling, met een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro);
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het verzoek van de moeder tot het gelasten van een MASIC-screening en eventuele nadere (persoonlijkheids)onderzoeken naar de vader, af;
wijst het verzoek van de moeder om te bepalen dat de reiskosten ter uitvoering van de (
voorlopige) zorgregeling door de vader moeten worden gedragen, af;
verzoekt de GI om
uiterlijk 4 december 2026het hof schriftelijk te rapporteren over het verloop van de door het hof vastgestelde
voorlopigezorgregeling en de resultaten van de nog bij beide ouders in te zetten opvoedondersteuning;
stelt partijen en de raad in de gelegenheid om
uiterlijk binnen twee wekenschriftelijk te reageren op genoemde rapportage van de GI;
houdt iedere verdere beslissing over de (definitieve) regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan tot
18 december 2026 PRO FORMA.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.C. van Leeuwen, A.M. Bossink en E.P. de Beij en is in het openbaar uitgesproken door mr. A.M. Bossink op 18 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.