Vanaf de linkerzijde in het beeld komt een donkerkleurige Ford Focus het beeld in rijden. Dit voertuig rijdt op dat moment in eerste instantie in de richting van het slachtoffer, die nog steeds nabij de scooter staat. Zichtbaar is dat de bestuurder van de Ford Focus op het moment dat hij ter hoogte van het slachtoffer rijdt een abrupte stuurbeweging maakt en verder rijdt richting de parkeerplaats aan het Takspui. Ter hoogte van de inrit van deze parkeerplaats keert de bestuurder van de Ford Focus en rijdt hij opnieuw richting het slachtoffer, dat op dat moment op zijn scooter
(p. 71)
stapt.
De bestuurder van de Ford Focus rijdt gericht in de richting van het slachtoffer, waarbij hij het voertuig het trottoir op stuurt richting het slachtoffer. Het slachtoffer rijdt hierop op zijn scooter weg van de Ford Focus, en steekt de weg over. Op het moment dat het slachtoffer dit doet, rijdt de Ford Focus nog steeds achter hem aan, waarna de bestuurder van de Ford Focus het slachtoffer, zittend op zijn scooter, van achter aanrijdt. Hierbij komt het slachtoffer ten val, en rijdt de bestuurder van de Ford Focus het voertuig het trottoir, en daarna het gras op, om hierna weer terug te sturen richting de weg. Hierna rijdt de Ford Focus het beeld uit.
Evenals de rechtbank acht het hof de verklaring van aangever [benadeelde partij] dat hij de verdachte heeft herkend als de bestuurder van de Ford Focus met kenteken [kenteken] die betrokken was bij het bewezenverklaarde, wel betrouwbaar. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat [benadeelde partij] kort (binnen een half uur) na de aanrijding direct en uit eigen beweging heeft verklaard dat de verdachte de bestuurder was van de Ford Focus in kwestie en dat hij hem kent van vroeger uit de wijk. [benadeelde partij] is hierna nog tweemaal gehoord – bij de politie en bij de raadsheer-commissaris – en heeft daarbij opnieuw de naam van de verdachte genoemd als degene die ten tijde van het bewezenverklaarde de Ford Focus bestuurde. Het hof stelt vast dat, hoewel aangever op de verschillende momenten dat hij is gehoord zijn verklaring heeft aangevuld met nieuwe informatie, de kern en strekking van zijn verklaring telkens hetzelfde waren. Daar komt bij dat de verklaring die [benadeelde partij] direct na de aanrijding heeft afgelegd, onder meer over de blauwe Peugeot die eveneens op de plaats delict aanwezig zou zijn geweest, overeenkomt met de inhoud van de 112-melding door getuige [getuige] en daarin steun vindt. De verklaring van [benadeelde partij] wordt bovendien ondersteund door de verklaring van de eigenaar van de Ford Focus met kenteken [kenteken] , zijnde getuige [getuige 2] . Hij verklaarde op 14 april 2023 dat de Ford Focus met kenteken [kenteken] zowel op dat moment als in ruim het halve jaar voordien in gebruik was bij de verdachte. Zoals volgt uit de navolgende overwegingen onder ‘De bruikbaarheid van de verklaring van getuige [getuige 2] d.d. 14 april 2023 in het licht van artikel 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces’, is het hof van oordeel dat deze verklaring van getuige [getuige 2] , waaruit kan worden afgeleid dat zijn Ford Focus met kenteken [kenteken] op 10 april 2023 in gebruik was bij de verdachte, voor het bewijs kan worden gebezigd.
Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [benadeelde partij] stelt het hof op grond van de uitwerking van de camerabeelden in het dossier, die het hof in raadkamer nogmaals heeft bekeken, voorts vast dat [benadeelde partij] zich voorafgaand aan de aanrijding op zeer korte afstand van de Ford Focus bevond, stilstond en in de richting van de voorbijrijdende Ford Focus keek, zodat het aannemelijk is dat hij goed zicht heeft gehad op de bestuurder van de auto. Daar komt bij dat [benadeelde partij] tegenover de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij de Ford Focus met kenteken [kenteken] bij het stoplicht voor de McDonald’s reeds opmerkte, omdat deze hem rakelings en met hoge snelheid voorbij reed, waarop [benadeelde partij] was gestopt om te kijken wie er in de auto zat en toen de verdachte herkende.
de reden dat het ondervragingsrecht met betrekking tot de belastende getuige niet kon worden uitgeoefend, waarbij, in het geval van een onbereikbare getuige, de inspanningen van de autoriteiten om een ondervragingsgelegenheid te realiseren, een rol spelen;
het gewicht van de verklaring van die getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en
het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Allereerst stelt het hof vast dat de reden dat de verdediging de getuige [getuige 2] niet (behoorlijk en effectief) heeft kunnen ondervragen, gelegen is in het feit dat de getuige na verschillende pogingen tot contact in de periode van 5 november 2024 tot en met 1 juni 2025, onder meer via de politie, de onderverhuurders van de woning van de getuige en de raadsman van de verdachte, voor politie en justitie onbereikbaar bleek. Aanvankelijk zou de getuige in Nederland verblijven, maar heeft hij aan geen van de oproepingen om te worden gehoord gevolg gegeven. Vervolgens zou hij in het buitenland hebben verbleven en is ongewis gebleven of en wanneer de getuige (weer) in Nederland zou verblijven. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 juni 2025 concludeert de raadsheer-commissaris dat het bij deze stand van zaken onaannemelijk is dat de getuige [getuige 2] binnen aanvaardbare termijn een verklaring zal kunnen afleggen. Op grond van voornoemd proces-verbaal van bevindingen is het hof van oordeel dat via het kabinet raadsheer-commissaris alle redelijkerwijs te vergen inspanningen zijn verricht om een (behoorlijke en effectieve) ondervragingsgelegenheid te realiseren, zodat het ontbreken daarvan niet aan het hof/de Nederlandse autoriteiten kan worden toegerekend. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat er in deze zaak een goede reden bestaat waarom het ondervragingsrecht van de verdediging met betrekking tot de belastende getuige [getuige 2] niet kon worden uitgeoefend.
Ten tweede is het hof, anders dan de verdediging stelt, van oordeel dat de bewezenverklaring van het aan de verdachte tenlastegelegde feit niet uitsluitend of in beslissende mate is gestoeld op de verklaring van de getuige [getuige 2] van 14 april 2023, inhoudende dat de Ford Focus met kenteken [kenteken] op dat moment en het half jaar voordien in gebruik was bij de verdachte en dat de verdachte ook daadwerkelijk met deze auto reed. Deze verklaring van [getuige 2] , die door de verdediging wordt betwist, wordt immers ondersteund door de (hiervoor als betrouwbaar aangemerkte) verklaringen van aangever [benadeelde partij] , inhoudende dat hij de verdachte heeft herkend als de bestuurder van de Ford Focus met kenteken [kenteken] ten tijde van het bewezenverklaarde op 10 april 2023. De verdediging is in de gelegenheid gesteld en geweest om aangever [benadeelde partij] in de fase van hoger beroep te horen. Zo heeft [benadeelde partij] op 7 januari 2025 op alle vragen van de verdediging ten overstaan van de raadsheer-commissaris als getuige antwoord gegeven. Maar dat niet alleen. Daar komt namelijk bij dat de verklaring van [getuige 2] van 14 april 2023 in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Zo wordt zijn verklaring dat de verdachte al ruim een halfjaar gebruikmaakte van de Ford Focus met kenteken [kenteken] ondersteund door de processen-verbaal van bevindingen van respectievelijk 13 april 2023 (pagina’s 23 en 24 van het politiedossier) en 14 april 2023 (pagina’s 48 en 49 van het politiedossier), waaruit volgt dat de verdachte op 27 september 2021, 27 mei 2022 en 4 februari 2023 door de politie als de bestuurder van voornoemde Ford Focus is staande gehouden en/of gecontroleerd. Overigens, ook de verdachte zelf heeft ten overstaan van de rechter, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, verklaard dat hij de auto wel eens heeft gebruikt, zij het dat hij heeft ontkend dat dit op de pleegdatum zo was.
Het hof heeft ook geen reden om aan de juistheid van de verklaring van [getuige 2] te twijfelen. Daarbij heeft het hof niet alleen in aanmerking genomen dat deze verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en overige stukken in het politiedossier, zoals hiervoor is overwogen. Ook acht het hof het van belang dat de getuige, die tijdens het verhoor (nog) niet op de hoogte was van het tenlastegelegde, op de aan hem gestelde deels open vragen – “Wie rijdt er nu in de in de auto, voorzien van het kenteken [kenteken] ?”, “Waar is de auto nu?”, “Heeft hij nog steeds de beschikking over de auto” en “Wie rijdt er daadwerkelijk met de auto?” – direct en zonder voorbehoud alleen de naam van de verdachte noemde. Dat [getuige 2] later, op 12 mei 2023, aanvullend verklaarde dat naast [verdachte] ook twee à drie andere jongens gebruik zouden maken van die Ford Focus – jongens waarvan hij desgevraagd de namen niet wilde noemen – doet niets af aan zijn eerste verklaring. De tweede verklaring van [getuige 2] sluit immers evenmin uit dat het de verdachte is geweest die ten tijde van het onderhavige incident op 10 april 2023 de Ford Focus bestuurde.
De verdachte zelf heeft op zijn beurt verklaard dat hij de Ford Focus weliswaar wel eens heeft gebruikt, maar niet op 10 april 2023. Namen van kale collega’s of jongens die naast hem de Ford Focus toentertijd zouden (kunnen) gebruiken, heeft de verdachte – net als [getuige 2] – niet gegeven. De verdachte verwijt de politie dat geen onderzoek is gedaan naar zijn collega’s en naar de haardracht van zijn collega’s; volgens de verdachte lijkt hij op zijn collega’s, omdat hij kaal is. Wat daarvan ook zij, het hof stelt vast dat, toen het horen van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris niet mogelijk bleek, de verdachte geen namen heeft genoemd van zijn collega’s die van de Ford Focus gebruik zouden hebben (kunnen) maken. Nader onderzoek heeft mitsdien dan ook niet plaatsgevonden.
Met de onder i. en ii. weergegeven overwegingen brengt het hof tot uitdrukking dat de bewijsvoering voldoende steunbewijs bevat voor de verklaring van [getuige 2] d.d. 14 april 2023 en dat in die bewijsvoering voldoende compenserende factoren besloten liggen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid doordat zij steun geven aan de betrouwbaarheid van deze verklaring van [getuige 2] .
Het hof overweegt dat de aanrijding van [benadeelde partij] op 10 april 2023, zoals [benadeelde partij] heeft verklaard, niet op zichzelf leek te staan. Immers, niet alleen uit de verklaringen van [benadeelde partij] , maar ook uit de melding van de ter plekke aanwezige ooggetuige [getuige] , volgt dat [benadeelde partij] korte tijd na de aanrijding door de Ford Focus, achterna leek te worden gezeten door een Peugeot. Ook de bestuurder van die Peugeot zou door [benadeelde partij] zijn herkend en volgens [benadeelde partij] kende ook de verdachte deze bestuurder. Hoewel die bestuurder niet in het onderhavige politieonderzoek is gehoord, bleek wel van een relatie tussen de desbetreffende Peugeot en de verdachte. Immers, in de fotogalerij van de roze Samsung telefoon die onder de verdachte in beslag is genomen, trof de politie een afbeelding aan van een Peugeot met een kenteken dat overeenstemt met het bij de 112-melding op 10 april 2023 doorgegeven kenteken, behorende bij die Peugeot (pagina’s 25 en 26 van het politiedossier). Uit het voorgaande leidt het hof af dat men, waaronder de verdachte, in de middag van 10 april 2023 gericht op zoek leek te zijn naar [benadeelde partij] . De verklaring van de verdachte dat hij geen idee had wie [benadeelde partij] was, acht het hof dan ook volstrekt ongeloofwaardig. Wat evenwel de precieze aanleiding tot het bewezenverklaarde is geweest, laat het hof verder in het midden, nu dat bij gebrek aan overige informatie dienaangaande aan de bewezenverklaring bijdraagt, noch afbreuk doet.
In het dossier zitten camerabeelden van de aanrijding op 10 april 2023. De verbalisant die deze beelden heeft uitgekeken, heeft in zijn aanvullend proces-verbaal d.d. 21 april 2023 zijn waarnemingen gerelateerd, inhoudende dat de Ford Focus al slingerend en met hoge snelheid gericht op [benadeelde partij] af is gereden. Op grond van die camerabeelden in het dossier waarop volgens de verbalisant te zien is dat de Ford Focus hevig hobbelend het trottoir af rijdt op zeer korte afstand van [benadeelde partij] , waarna [benadeelde partij] wordt aangereden en direct ten val komt en waarna het lijkt alsof de auto met het rechter voorwiel over de scooter heenrijdt, terwijl [benadeelde partij] heeft verklaard dat daadwerkelijk over zijn rechterarm is gereden, kan naar het oordeel van het hof in elk geval worden vastgesteld dat de bestuurder van de Ford Focus met een behoorlijke, niet nader vastgestelde, snelheid op [benadeelde partij] is afgereden en blijven rijden. De (rechtervoorzijde van de) Ford Focus heeft daarbij de scooter waarop [benadeelde partij] reed aan de achterzijde geraakt, waardoor [benadeelde partij] direct viel en waarbij over zijn arm is gereden. De kans dat [benadeelde partij] als gevolg van deze aanrijding niet alleen met zijn arm, maar ook met andere lichaamsdelen onder (de/een band(en) van) de Ford Focus terecht was gekomen en daardoor was komen te overlijden, acht het hof, gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden, aanmerkelijk. Het hof betrekt daarbij dat blijkens de eerste melding de Ford Focus er meteen vandoor ging. Deze gedragingen van de verdachte – het als bestuurder van een honderden kilo’s zware personenauto (doel)gericht afrijden op [benadeelde partij] , die zich op dat moment op een rijdende scooter voor de verdachte bevond, het daaropvolgend aanrijden van [benadeelde partij] zonder te stoppen evenals het doorrijden nadat [benadeelde partij] ten val is gekomen – moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het doden van [benadeelde partij] dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
Datzelfde geldt naar het oordeel van het hof voor de gestelde schade aan de scooter waarop de benadeelde partij op het moment van de aanrijding reed. Die schade bedraagt, op grond van de laatste door de benadeelde partij ingebrachte informatie, € 3.759,00. Uit het politiedossier blijkt dat de scooter als gevolg van de aanrijding fors beschadigd is geraakt.
Het hof stelt vast dat de desbetreffende scooter niet in eigendom toebehoorde aan de benadeelde partij, maar aan [betrokkene] . Deze [betrokkene] heeft schriftelijk verklaard dat hij die scooter aan de benadeelde partij had uitgeleend, dit overeenkomstig de verklaring van de benadeelde partij. Op grond van de in hoger beroep door de benadeelde partij overgelegde stukken stelt het hof vast dat [betrokkene] de benadeelde partij bij brief van 18 december 2025 aansprakelijk heeft gesteld voor (de kosten voor het repareren van) de schade aan zijn scooter ter hoogte van € 3.759,00. Het hof acht de hoogte van deze kosten, mede gelet op de in eerste aanleg door de benadeelde partij overgelegde offerte van € 4.134,51 voor het repareren van de scooter alsmede de foto’s van de beschadigde scooter die in het dossier zitten, aannemelijk. Dat [betrokkene] contant voor de reparatie zou hebben betaald en geen facturen van reparaties heeft overgelegd, doet aan de aannemelijkheid van dat schadebedrag niet af. Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat ook de gestelde schade aan de scooter rechtstreeks door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte aan de benadeelde partij is toegebracht. De verdachte is naar burgerlijk recht eveneens tot vergoeding van deze schade gehouden.
Ten aanzien van de gestelde immateriële schade stelt het hof vast dat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, aanhef en sub b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Uit het dossier, de door de benadeelde partij overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof immers gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen en pijn heeft bekomen, onder meer aan zijn nek, heup, rechterbovenarm, rechterhand en vingers.
Het hof stelt de door de benadeelde partij geleden immateriële schade, die, gelet op de omstandigheden van het geval en de zijdens de benadeelde partij gegeven toelichting, in omvang nog relatief beperkt lijkt te zijn gebleven, naar billijkheid vast op een bedrag van € 3.000,00. Hierbij heeft het hof tevens betrokken de aard en de ernst van de normschending en heeft het hof de schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend in ogenschouw genomen.