Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1622

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
20-002472-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 416 SvArt. 453 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens terugtrekking verdachte

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin hij was veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing en meerdere overtredingen van de Opiumwet.

Tijdens de pro-formazitting op 10 maart 2026 werd de zaak niet inhoudelijk behandeld. Vervolgens liet de raadsman van verdachte weten dat verdachte niet wenste te persisteren in het hoger beroep en zich neerlegde bij het vonnis van de rechtbank. Omdat de behandeling van de zaak al was aangevangen, was intrekking van het hoger beroep formeel niet meer mogelijk.

Het hof oordeelde dat het belang van verdachte en andere rechtens te beschermen belangen niet gediend waren met een inhoudelijke behandeling en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Daarnaast verklaarde de rechtbank de inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd. De bijzondere voorwaarden van het voorwaardelijke deel van de straf betroffen onder meer een meldplicht bij de reclassering en deelname aan gedragsinterventies.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk nadat verdachte zich terugtrok en zich neerlegde bij het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002472-25
Uitspraak : 25 juni 2026

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 september 2025, in de strafzaak met parketnummers 01-346507-24 en 01-004441-25 (ter terechtzitting gevoegd) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
thans verblijvende in P.I. Zuid Oost, locatie Roermond.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is’ (feit 1) en ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ en ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. In het kader van het voorwaardelijke strafdeel zijn de volgende bijzondere voorwaarden gesteld:
  • een meldplicht bij de reclassering;
  • deelname aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa Plus;
  • het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding;
  • medewerking aan schuldhulpverlening;
  • medewerking aan andere voorwaarden het gedrag betreffende.
Tot slot heeft de rechtbank de inbeslaggenomen geldbedragen van € 21,40 (G2330144), € 35,00 (G2330145) en € 310,00 (G2330165) verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Namens de verdachte is bij brief van 1 oktober 2025 hoger beroep ingesteld. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft een aanvang genomen door het uitroepen van de zaak op de terechtzitting van 10 maart 2026, op welke zitting de zaak niet inhoudelijk is behandeld, nu deze het karakter had van een pro-formazitting.
Bij e-mail van 2 juni 2026 heeft mr. E.G.S. Roethof het hof bericht dat de verdachte niet wenst te persisteren in het door hem ingestelde hoger beroep en dat hij zich wenst neer te leggen bij het door de rechtbank gewezen vonnis. Nu de behandeling van de zaak reeds een aanvang had genomen op de hiervoor bedoelde pro-formazitting, is intrekking van het rechtsmiddel, gelet op het bepaalde in artikel 453, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, formeel niet meer mogelijk.
Het hof is, met de advocaat-generaal, echter van oordeel dat het belang van de verdachte, noch enig ander rechtens te beschermen belang, bij deze stand van zaken gediend is met een behandeling ten gronde in hoger beroep en zal derhalve toepassing geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING

Het hof:
verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gewezen door:
mr. G.M. Goes, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 25 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Burgmeijer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.