Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant waarin hij was veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing en meerdere overtredingen van de Opiumwet.
Tijdens de pro-formazitting op 10 maart 2026 werd de zaak niet inhoudelijk behandeld. Vervolgens liet de raadsman van verdachte weten dat verdachte niet wenste te persisteren in het hoger beroep en zich neerlegde bij het vonnis van de rechtbank. Omdat de behandeling van de zaak al was aangevangen, was intrekking van het hoger beroep formeel niet meer mogelijk.
Het hof oordeelde dat het belang van verdachte en andere rechtens te beschermen belangen niet gediend waren met een inhoudelijke behandeling en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Daarnaast verklaarde de rechtbank de inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd. De bijzondere voorwaarden van het voorwaardelijke deel van de straf betroffen onder meer een meldplicht bij de reclassering en deelname aan gedragsinterventies.