Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1627

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
20-002686-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte witwassen wegens onvoldoende bewijs herkomst voertuig

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter waarin verdachte was veroordeeld voor witwassen van een Mercedes Benz A45 AMG. De politierechter had verdachte veroordeeld tot een taakstraf en verbeurdverklaring van de auto. Het hof vernietigde dit vonnis en sprak verdachte vrij.

De tenlastelegging betrof het bezit en gebruik van een personenauto waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze uit enig misdrijf afkomstig was. Het openbaar ministerie baseerde het witwasvermoeden op het geringe inkomen van verdachte, de contante betalingen voor de auto en het ontbreken van een concrete legale herkomst van de gelden.

Verdachte gaf een concrete en min of meer verifieerbare verklaring over de herkomst van het geld, gesteund door getuigenverklaringen van zijn moeder en bankafschriften. Het hof oordeelde dat het openbaar ministerie onvoldoende onderzoek had verricht naar deze alternatieve herkomst, terwijl dit wel op haar weg lag.

Daarom kon niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de auto uit een misdrijf afkomstig was. Het hof gelastte de teruggave van de inbeslaggenomen auto aan verdachte en sprak hem vrij van het tenlastegelegde witwassen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van witwassen en de inbeslaggenomen auto wordt aan hem teruggegeven.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002686-25
Uitspraak : 23 juni 2026
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [pleegplaats] , van 21 oktober 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-194827-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als: ‘
witwassen’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto verbeurd verklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de strafoplegging en – te dien aanzien opnieuw rechtdoende – de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Voorts is verzocht tot teruggave van de in beslag genomen auto, dan wel tot retournering van de opbrengst van de auto aan de verdachte.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 november 2023 tot en met 18 september 2024, te [pleegplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een voorwerp (personenauto, merk/type Mercedes Benz AMG A45S, kenteken: [kenteken] ), voorhanden heeft gehad en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit voorwerp, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf of uit enig eigen misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Het hof stelt voorop dat indien bij een verdenking ter zake van witwassen geen concreet brondelict kan worden aangewezen, zoals in deze zaak het geval is, witwassen desalniettemin kan worden bewezen, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het betreffende voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen blijken. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het betreffende voorwerp. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Daarbij kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Als het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van dat onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp, waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Witwasvermoeden
Op 25 oktober 2023 heeft de verdachte bij [bedrijf 1] een Mercedes Benz A45 AMG (hierna ook te noemen: Mercedes Benz) gekocht voor een bedrag van € 77.750,- (pag. 77 van het politiedossier). Uit de gegevens van de belastingdienst is gebleken dat de verdachte over de jaren 2019-2022 een zeer gering inkomen genoot; enkel in 2019 had hij een netto-inkomen van € 5.250,- (pag. 65 van het politiedossier). Op 6 februari 2023 is de verdachte de eenmanszaak [bedrijf 2] gestart; de omzet van deze onderneming bedroeg in 2023 € 71.279,- (pag. 65/66 van het politiedossier). Op 25 oktober 2023 is van de zakelijke banrekening van de verdachte, het hof begrijpt van de bankrekening van [bedrijf 2] , aan [bedrijf 1] een bedrag (een aanbetaling) betaald van € 14.563,- (pag. 113 van het politiedossier). Het saldo van deze zakelijke bankrekening was ultimo 2023 € 7.900,- (pag. 66 van het politiedossier). Uit de politiesystemen is gebleken dat de verdachte op 25 augustus 2023 is gecontroleerd op de luchthaven in Eindhoven. Hij had op dat moment een contant bedrag van € 5.455,- bij zich. Tijdens de controle liet hij een actueel banksaldo van zijn zakelijke bankrekening zien van € 6.540,-. Op zijn privérekening stond geen saldo (pag. 14 van het politiedossier).
Het hof stelt vast dat de verdachte op 25 oktober 2023 een Mercedes Benz heeft gekocht van € 77.750,-. Uit nader onderzoek is gebleken dat naast voormelde bankoverschrijving van € 14.563,- van de zakelijke rekening van de verdachte, in de periode van oktober 2023 tot en met augustus 2025 in totaal een bedrag van € 30.000,- aan [bedrijf 1] contant is betaald (e-mailbericht [bedrijf 1] d.d. 3 oktober 2024, pag. 26 van het politiedossier) en dat het nog te betalen bedrag vooralsnog schuldig is gebleven.
Deze contante betaling van € 30.000,- staat naar het oordeel van het hof niet in verhouding tot de banksaldi van zowel de zakelijke als de privérekening van de verdachte in 2023.
Dit rechtvaardigt zonder meer een vermoeden dat het voertuig is gefinancierd met gelden afkomstig uit enig misdrijf. Dit betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en een niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Verklaring van de verdachte
De verdachte heeft zich bij zijn eerste verhoor op 18 september 2024 (pag. 154 van het politiedossier) beroepen op zijn zwijgrecht. Op 27 mei 2025 heeft de verdachte alsnog een verklaring bij de politie afgelegd. De verdachte heeft verklaard dat hij van zijn vader ongeveer € 25.000,- contant heeft gekregen en dat hij de Mercedes Benz heeft gefinancierd met ongeveer € 20.000,- van zijn moeder, ongeveer € 7.000,- à € 8.000,- van de gelden van zijn vader en ongeveer € 3.000,- van hemzelf.
Op 25 januari 2025 heeft [getuige] , de moeder van de verdachte, als getuige verklaard dat zij aan haar uitgekeerde verzekeringsgelden van ongeveer € 19.000,- van haar bankrekening heeft opgenomen en bewaard in een spaarpot ten behoeve van haar zoon. Uit de overgelegde bankafschriften van de ten name van de moeder van de verdachte geadministreerde bankrekening blijkt dat zij op 25 oktober 2011 een bedrag van € 6.807,- aan verzekeringsgeld heeft ontvangen (pag. 166 van het politiedossier) en op 11 februari 2015 een bedrag van € 12.095,- aan verzekeringsgeld heeft ontvangen (pag. 172 van het politiedossier). Voorts blijkt uit deze bankafschriften dat vrijwel direct na ontvangst van de uitgekeerde verzekeringsgelden € 15.000,- is opgenomen (op 28 oktober 2011 € 5.000,- (pag. 167) en op 11 februari 2015 € 10.000,- (pag. 172)). Daarnaast zijn van deze rekening regelmatig contante bedragen opgenomen.
Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en een niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van het bedrag van € 19.000,-. Niet alleen de verdachte heeft verklaard dat hij ongeveer € 20.000,- van zijn moeder heeft gekregen, ook de moeder van de verdachte heeft verklaard dat zij de verzekeringsgelden ten behoeve van de zoon (buiten de bankrekening) heeft gespaard en aan hem heeft gegeven.
Dit geldt eveneens voor de verklaring van de verdachte dat hij € 7.000,00 à € 8.000,00 van het geld dat hij van zijn vader heeft gekregen heeft aangewend voor de aanschaf van de Mercedes Benz. Ook de moeder van de verdachte heeft verklaard dat de vader van de verdachte, zijn zoon (financieel) heeft geholpen en hem met alles steunt (pag. 163 en 164 van het politiedossier). De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor bovendien bankafschriften overgelegd waaruit blijkt van vele contante opnames van de, naar de verdachte stelt, en/of rekening van vader en zijn (toenmalige) echtgenote. Door de verdachte is aldus ook voor deze gelden een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven over de herkomst van het geld.
Nader onderzoek door het openbaar ministerie
De raadsman van de verdachte heeft reeds ter terechtzitting in eerste aanleg als ook in hoger beroep gesteld dat nu de verklaring van de verdachte van 27 mei 2025 concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, het aan het openbaar ministerie is om onderzoek te (laten) doen naar de genoemde alternatieve herkomst van het voorwerp, hetgeen is nagelaten. Men had bijvoorbeeld de bankafschriften kunnen nalopen, de vader van de verdachte als getuige kunnen horen en de moeder van de verdachte opnieuw kunnen confronteren met de onderzoeksbevindingen. Het openbaar ministerie heeft zich zowel in eerste aanleg als in het hoger beroep echter op het standpunt gesteld dat de verklaring van de verdachte reeds op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt en nader onderzoek niet noodzakelijk is.
Het hof is gelet op de verklaring van de verdachte van 27 mei 2025 en van de getuige [getuige] van 25 januari 2025 van oordeel dat het op de weg van het openbaar ministerie had gelegen om nader onderzoek te doen naar de verklaringen, bijvoorbeeld door het horen van de vader van de verdachte alsmede zijn ex-vrouw [naam] . Niet is gebleken van omstandigheden waaruit blijkt dat het onderzoek redelijkerwijs niet had kunnen worden verricht. Nu het openbaar ministerie geen nader onderzoek heeft verricht en dit evenmin noodzakelijk acht, zal het hof het openbaar ministerie hiertoe niet alsnog in de gelegenheid stellen. Bij deze stand van zaken acht het hof nader onderzoek niet noodzakelijk.
Uit het vorenstaande volgt dat niet is komen vast te staan dat het ten laste gelegde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, zodat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
Beslag
Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, zal het hof ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp de teruggave van de personenauto (merk Mercedes, goednummer: PL2000-2024089792-G2713123) gelasten aan de verdachte.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Personenauto, [kenteken] , (Omschrijving: PL2000-2024089792-G2713123, zwart, merk: Mercedes)
Aldus gewezen door:
mr. S. Riemens, voorzitter,
mr. J.C. Gillesse en mr. K.J. van Dijk, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.C.E. Joosen, griffier,
en op 23 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.