ECLI:NL:GHSHE:2026:164

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
20-002543-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor openlijk in vereniging geweld plegen, bedreiging en vernieling

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarbij de verdachte is veroordeeld voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, en opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van andermans goed. De feiten vonden plaats op 4 november 2021 te Tilburg, waar de verdachte samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen twee slachtoffers. De politierechter had de verdachte vrijgesproken van de bedreiging, maar veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan een deel voorwaardelijk. In hoger beroep heeft het hof de vrijspraak van de bedreiging bevestigd, maar de veroordeling voor de andere feiten herzien. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, bedreiging en vernieling, en heeft de straf opgelegd met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. De benadeelde partijen hebben vorderingen ingediend voor schadevergoeding, die gedeeltelijk zijn toegewezen. Het hof heeft de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade aan de benadeelde partijen, met de mogelijkheid van gijzeling indien de schadevergoeding niet wordt betaald.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002543-24
Uitspraak : 23 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-243083-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, maar
met postadres te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging. Voorts heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’ (feit 2 primair), ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’ (feit 3) en ‘opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’ (feit 4) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft aan het voorwaardelijke deel van de straf, naast de algemene voorwaarde, de bijzondere voorwaarden verbonden van een meldplicht, ambulante behandeling en begeleiding en meewerken aan middelencontrole. Tevens heeft de politierechter een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft in eerste aanleg ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde een vordering ingesteld ten bedrage van € 825,00, bestaande uit € 425,00 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade. Het hof heeft geconstateerd dat de politierechter abusievelijk geen beslissing heeft genomen op deze vordering, waardoor deze benadeelde partij geen informatie over de procedure in hoger beroep heeft ontvangen en ook niet in de gelegenheid is gesteld om haar vordering in hoger beroep te handhaven. Het hof stelt evenwel vast dat feit 1 een beschermde vrijspraak betreft waardoor dit feit – en de daarop betrekking hebbende vordering – in hoger beroep niet (langer) aan de orde is.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het appel ten aanzien van feit 1 en het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 3. Ten aanzien van feit 2 en feit 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze kan worden toegewezen op gelijke wijze als het hof heeft gedaan in de zaak van de medeverdachte. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat voor de immateriële schade kan worden aangesloten bij de uitspraak van het hof in de zaak van de medeverdachte en voor de materiële schade de kosten voor de schade aan de auto dienen te worden afgewezen en de kosten voor de telefoon primair niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, subsidiair te worden afgewezen en meer subsidiair dient rekening te worden gehouden met gedateerdheid en de schade die er al was.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
2. primair
hij op of omstreeks 4 november 2021 te Tilburg met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [straat] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] , welk geweld bestond uit:
- het vastpakken en/of aan de haren trekken van die [benadeelde partij 2] ; en/of
- het meermalen, in elk geval eenmaal slaan/stompen van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] in haar gezicht in elk geval tegen haar/hun lichaam; en/of
- het meermalen, in elk geval eenmaal schoppen/trappen van die [benadeelde partij 2] op/tegen haar hoofd in elk geval tegen haar lichaam;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 4 november 2021 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door - meermalen, in elk geval eenmaal die [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] te slaan/te stompen in haar gezicht in elk geval haar lichaam; en/of - meermalen, in elk geval eenmaal die [benadeelde partij 2] te schoppen/te trappen van op/tegen haar hoofd in elk geval haar lichaam;
3.
hij op of omstreeks 4 november 2021 te Tilburg [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik schiet jullie allemaal, vandaag nog" en/of "Ik ga jouw kankerdochter doodschieten", in elk geval woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4.
hij op of omstreeks 4 november 2021 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk
- de mobiele telefoon, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; en/of
- (het bijrijdersportier van) de auto, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
2.
hij op 4 november 2021 te Tilburg met een ander, op de openbare weg, [straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] , welk geweld bestond uit:
- het vastpakken en aan de haren trekken van die [benadeelde partij 2] ; en
- het meermalen slaan van die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] tegen hun lichaam; en
- het schoppen van die [benadeelde partij 2] tegen haar lichaam;
3.
hij op 4 november 2021 te Tilburg [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen "ik schiet jullie allemaal, vandaag nog" en "Ik ga jouw kankerdochter doodschieten", in elk geval woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4.
hij op 4 november 2021 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk
- de mobiele telefoon, die aan [benadeelde partij 1] , toebehoorde heeft beschadigd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [1]
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 november 2021 (p. 4-6), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde partij 1] :
Omschrijving aangifte
Feit: Eenvoudige mishandeling
Plaats: [plaats]
Datum/tijdstip: Tussen 4 november 2021 om 14:25 uur en 4 november 2021 om 14:45 uur
Hierbij doe ik aangifte van eenvoudige mishandeling en vernieling.
Ik zag dat [verdachte] [medeverdachte] een duwtje gaf en ik zag dat [medeverdachte] naar mijn auto liep, naar de kant van de bijrijder. Ik zag dat [medeverdachte] door het open raam recht vol in het gezicht van [benadeelde partij 2] spuugde. Ik ben daarop uitgestapt en ik zag dat [medeverdachte] door het raam [benadeelde partij 2] bij haar haren pakte en aan haar kleren rukte. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Denk je dat je een man bent". Ik ben daarop achter de auto langs naar [medeverdachte] gelopen. Ik zag dat [verdachte] mijn kant op kwam en ik hoorde dat hij zei: "Wat is jouw probleem?" Vrijwel gelijk kreeg ik een klap met vlakke hand met zijn rechterhand tegen mijn linkerwang. Ik voelde dat het pijn deed. Later was het blauw geworden. Ik reageerde en zei dat ik hem eergisteren aan de telefoon had gehad. Hij zou het allemaal oplossen en de kinderen er niet bij betrekken. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Ik heb jou helemaal niet gesproken". Ik hoorde dat hij zei: "Ik schiet jullie allemaal", "bel je vader maar,” en hij riep nog meer namen van bekenden. Ik heb daarop mijn vader gebeld. En even later toen ik mijn vader aan de telefoon had, trok [verdachte] met kracht mijn telefoon uit mijn linkerhand. Ik hoorde dat [verdachte] tegen mijn vader zei: "Ik ga jouw kankerdochter doodschieten." Ik zag dat hij mijn telefoon op de grond kapot gooide. Daarop kwam [verdachte] weer naar mij toegelopen en gaf me weer een klap met vlakke hand tegen mijn linkerwang. Ik voelde weer dat het pijn deed. Dit deed hij tot drie keer toe. Ondertussen heb ik de politie gebeld. Mijn telefoon is kapot.
2.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 november 2021 (p. 7-17), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde partij 2] :
Omschrijving aangifte
Feit: Eenvoudige mishandeling
Plaats delict: [plaats]
Pleegdatum/tijd: Tussen 4 november 2021 om 14:30 uur en 4 november 2021 om 15:00 uur
Ik wil aangifte doen van eenvoudige mishandeling.
Op 4 november 2021 omstreeks 14:35 uur ging ik samen met mijn vriendin onze kinderen ophalen op school, wij zaten in de auto. Ik zag [medeverdachte] en [verdachte] aan komen lopen richting het [plaats] . Ik zag dat hij zich op begon te fokken. Op hetzelfde moment draaide [medeverdachte] richting mij en spuugde mij in mijn gezicht. Ondertussen waren mijn vriendin en [verdachte] in gesprek, maar zij kwam hier niet uit. Ik heb de spuug van [medeverdachte] van mijn gezicht gehaald, toen ze mij vervolgens vastpakte en mij door het raam probeerde te trekken. Ik werd hierna door [medeverdachte] meerdere malen in mijn gezicht geslagen. Nadat ze mij geslagen heeft, liet ze mij los. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Bel iedereen maar die jullie kan helpen.” Ik hoorde hem ook meerdere malen zeggen: 'Ik schiet jullie allemaal vandaag nog.” Mijn vriendin heeft haar vader gebeld om te komen helpen. Ik zag [verdachte] de telefoon van mijn vriendin afpakken. Mijn vriendin heeft hierna ook de politie gebeld. Ik zag dat hij deze telefoon drie keer op de grond gooide. lk zag hem de bijrijdersdeur van mijn auto opentrekken. Op dit moment ging het allemaal heel snel. Ik zag dat hij met zijn rechtervoet uithaalde richting mijn gezicht, waarna ik mij richting hem toe draaide. Ik voelde hierna een hevige pijn aan de linkerkant van mijn gezicht. Meteen hierna voelde ik ook een hevige pijn in zijn linkerzij. Ik zag [verdachte] mijn deur meerdere malen open en dicht gooien, ook zag ik dat hij hierna het raam van de bijrijdersdeur kapot probeerde te slaan. Ik voelde dat iemand mij via de bestuurderskant vastpakte en over de versnellingspook heen trok, ik voelde dat hierbij de oorbel die op mijn linkeroor zat afviel. Ik zag dat [medeverdachte] met haar vuisten uithaalde richting mijn gezicht. Ik voelde aan beide kanten van mijn gezicht meerdere malen een hevige pijn door haar vuisten. Ik ben naar de spoedeisende hulp geweest. Door de zwelling in mijn vingers moesten zij mijn ringen afknippen. Ook ben ik naar de tandarts geweest, omdat er een stukje van mijn voortand af was gebroken.
3.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 november 2021 (p. 18-19), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Ik ben getuige geweest van een mishandeling en vernieling.
Op 4 november 2021 hoorde ik vanuit mijn woonkamer gegil en geschreeuw afkomstig vanaf buiten. Ik liep met mijn telefoon in mijn hand naar mijn balkon en ik zag dat er een conflict gaande was. Ik ben hierop direct gaan filmen. Ik zag dat een negroïde man rondom een geparkeerde personenauto liep. In het voertuig zaten twee vrouwen. Hierna zag ik dat hij de passagiersdeur opende en met een soort van karatetrap trapte hij tegen de passagier die daar zat. Dit deed hij met kracht en met zijn rechtervoet.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2022 (pg. 30-35), voor zover inhoudende als relaas verbalisant [verbalisant] :
Aanleiding onderzoek
Eenvoudige mishandeling
[plaats]
Tussen donderdag 4 november 2021 om 14:30 en donderdag 4 november 2021 om 15:00
Camerabeelden
Naar aanleiding van dit incident, werd door het onderzoeksteam een cameraproject opgestart. Tijdens dit onderzoek werden de volgende camerabeelden veilig gesteld:
• Camerabeelden van [plaats] .
• Camera gericht op de parkeerplaats en schoolplein (VID-20211126-WA0012).
Camera parkeerplaats en schoolplein:
Ik zag 3 personen bij een donkerkleurige auto staan waarbij de deur aan de bestuurderskant open is. Eén persoon zit binnen aan de passagierskant waarbij de deur gesloten is en deze persoon duid ik aan als slachtoffer 1. De andere personen betreffen één man en twee vrouwen. Eén vrouw heeft een donkerkleurige jas aan met daaronder een roze trui of vest en een donkerkleurige broek. Deze persoon is aan het bellen en duid ik aan als slachtoffer 2. De andere personen zijn de twee verdachten.
Verdachte 1:
- Donkerkleurige muts
- Donkerkleurige jas met capuchon en lichtkleurige koortjes
- Lichtkleurige vest of hoody
- Lichtblauwe spijkerbroek
- Witte schoenen met een donker motief
- Licht getinte huidskleur
Verdachte 2:
- Donker opgestoken haar waarbij het opgestoken haar licht van kleur is
- Lange zwarte jas met capuchon
- Zwarte broek
- Zwarte trui of vest
- Ketting met lichtgekleurde hanger
- Witte schoenen
- Blanke huidskleur
Op 00:30 loopt verdachte 1 naar slachtoffer 2 toe en pakt diens telefoon uit haar handen.
Vervolgens begint verdachte 1, al bellende met de telefoon van slachtoffer 2, rond te lopen op de parkeerplaats.
Ik zag dat verdachte 1 op 00:57 richting de donkerkleurige auto loopt en twee seconden later de telefoon richting de auto gooit.
Slachtoffer 2 pakt haar telefoon van de grond op om 1:02 en begint daarna te bellen.
Ik zag dat het portier van slachtoffer 1 aan de passagierskant openstaat en dat verdachte 1 op 01:35 de deur dicht gooit.
Vervolgens loopt Verdachte 1 naar de achterkant van de auto waar slachtoffer 2 staat en maakt een slaande beweging met zijn rechterarm richting haar hoofd op 01:38. Slachtoffer 2 probeert zich te verweren door haar rechterarm omhoog te houden.
Tegelijkertijd zag ik dat verdachte 2 op 01:37 met haar bovenlichaam via de bestuurderskant de donkerkleurige auto is binnengedrongen.
Op 01:38 komt verdachte 2 met haar bovenlijf uit de auto en doet de deur aan de bestuurderskant dicht.
Verdachte 1 maakt vervolgens een slaande beweging met zijn linkerarm richting slachtoffer 2 op 02:37, maar deze wordt afgeweerd door de rechterarm van laatstgenoemde.
Slachtoffer 1 opent haar portier op 02:43 en Verdachte 1 loopt naar haar toe waarop slachtoffer 1 de deur dicht doet. Verdachte 1 reageert daarop door met zijn rechterarm een slaande beweging te maken op 02:49, raakt het raam en loopt daarna weg.
Bewijsoverwegingen
De verdediging heeft ten aanzien van feit 3 bepleit dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte de bedreigingen heeft geuit, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Dit verweer vindt weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het onder 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof verzocht om een forse voorwaardelijke straf op te leggen en daar de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geformuleerd in het advies van 29 augustus 2024 aan te verbinden.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, bedreiging en vernieling. In plaats van de situatie te de-escaleren, heeft de verdachte zich gemengd in een langlopend conflict tussen zijn partner en de slachtoffers. De verdachte heeft door zijn handelwijze olie op het vuur gegooid en niet alleen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, maar ook hun spullen beschadigd en hun angstgevoelens bezorgd. Bovendien kan een voorval als het onderhavige maatschappelijk gevoelens van onveiligheid teweegbrengen. Bij het bepalen van de (hoogte van) de op te leggen sanctie houdt het hof ook rekening met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten zich hebben afgespeeld bij het ophalen van de kinderen op de parkeerplaats bij een basisschool en dat kinderen en andere ouders hier ongewild getuige van zijn geweest.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 27 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte waaruit volgt dat de verdachte reeds eerder, hoewel enige tijd geleden, onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten.
Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting gebleken. In dat kader heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte meewerkt aan het reclasseringstoezicht, dat hij een nieuw begin wil maken en de ruzie met de familie [benadeelde partij 1] achter zich wil laten.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend reclasseringsadvies van 29 augustus 2024. De reclassering adviseert om aan een (deels) voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden te verbinden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), meewerken aan middelencontrole en ambulante begeleiding van Traverse.
Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Bijzondere voorwaarden
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de wens van de verdediging zelf om begeleiding te blijven krijgen om op het goede pad te blijven, ziet het hof aanleiding om aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden te verbinden, zoals door de reclassering in haar rapport van 29 augustus 2024 is geadviseerd. Het gaat – kort gezegd – om de volgende voorwaarden:
  • meldplicht bij de reclassering;
  • ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);
  • meewerken aan middelencontrole; en
  • ambulante begeleiding bij Traverse.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 2.192,83, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering was opgebouwd uit de volgende posten:
  • € 12,66 kosten tandarts;
  • € 350,17 kosten eigen risico;
  • € 1.030,00 kosten sieraden; en
  • € 800,00 aan immateriële schade.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 862,83, waarvan € 362,83 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft het hof verzocht om aan te sluiten bij het bedrag dat in hoger beroep is toegewezen in de zaak van de medeverdachte, te weten een bedrag van € 862,83, bestaande uit € 362,83 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade.
Het hof overweegt ter zake van de materiële schade als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, bestaande uit tandartskosten en eigen risico van de zorgverzekering. Het hof zal daarom een bedrag van € 362,83 toewijzen.
Het hof is voorts van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de schade aan de sieraden het gevolg is van het onder feit 2 bewezenverklaarde handelen. Het hof concludeert dat een onderzoek hiernaar een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, waardoor het hof dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaart. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Het hof overweegt ter zake van de immateriële schade als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Uit het procesdossier volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen, te weten een licht traumatisch schedel-hersenletsel, diverse pijnlijke plekken op het gelaat en op het lichaam en een afgebroken tand.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof voorts de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 500,00. Het hof wijst de overige gevorderde immateriële schade, groot € 300,00, af.
Hoofdelijkheid
Tot vergoeding van de schade zijn naast de verdachte ook zijn mededader gehouden, te weten tot het bedrag dat in de zaak van deze mededader als schadevergoeding is toegewezen. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor dit gedeelte van de schade. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting. Het hof is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de mededader deze schadevergoeding reeds aan [benadeelde partij 2] heeft betaald.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 2] is toegebracht tot een bedrag van € 862,83. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 862,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste acht dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 2.675,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering was opgebouwd uit de volgende posten:
  • € 1.525,00 kosten schade auto;
  • € 350,00 kosten schade telefoon; en
  • € 800,00 aan immateriële schade.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 1.850,00, waarvan € 1.400,00 aan materiële schade en € 450,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
De verdediging heeft het hof verzocht om de kosten met betrekking tot de schade aan de auto af te wijzen en de kosten met betrekking tot de schade aan de telefoon primair niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair af te wijzen en meer subsidiair te matigen.
Het hof overweegt ter zake van de materiële schade als volgt.
Het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij schade heeft geleden aan haar telefoon omdat de verdachte deze heeft beschadigd door ermee te gooien. Het hof zal de materiële schade daarom tot een bedrag van € 300,00 toewijzen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof merkt daarbij op dat het hof het afschrijvingsbedrag heeft geschat op € 50,00, welk gedeelte van de vordering dan ook zal worden afgewezen.
Het hof is van oordeel dat de vordering met betrekking tot de schade aan de auto niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het hof niet bewezen heeft verklaard dat de schade aan de auto is ontstaan naar aanleiding van de ten laste gelegde gedragingen van de verdachte. De benadeelde partij kan daarom voor dit gedeelte in haar vordering niet worden ontvangen.
Het hof overweegt ter zake van de immateriële schade als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade is toegebracht als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek. Uit het procesdossier volgt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte letsel heeft opgelopen, te weten een rood oog.
Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer, alsmede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof voorts de immateriële schade die benadeelde rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit heeft geleden naar billijkheid op een bedrag van € 450,00. Het hof wijst de overige gevorderde immateriële schade, groot € 350,00, af.
Hoofdelijkheid immateriële schade
Tot vergoeding van de immateriële schade (groot € 450,00) is naast de verdachte ook zijn mededader gehouden, te weten tot het bedrag dat in de zaak van deze mededader als schadevergoeding is toegewezen. Zij zijn derhalve hoofdelijk aansprakelijk voor dit gedeelte van de schade. Indien en voor zover één van hen (een deel van) deze schade betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn/haar betalingsverplichting. Het hof is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat de medeverdachte deze immateriële schadevergoeding reeds aan [benadeelde partij 1] zou hebben betaald.
Het hof zal de materiële en immateriële schade apart toewijzen waarbij wordt bepaald dat de immateriële schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd en de materiële schadevergoeding niet.
Wettelijke rente
De toe te wijzen bedragen zullen, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel materiële schadevergoeding
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 1] is toegebracht tot een bedrag van € 300,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste drie dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Schadevergoedingsmaatregel immateriële schadevergoeding
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 1] is toegebracht tot een bedrag van € 450,00. De verdachte is daarvoor hoofdelijk jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen tot een bedrag van € 450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste vier dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 141, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich volgens afspraak meldt bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275 te Tilburg. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Huisbezoeken zijn onderdeel van de meldplicht.
- zich laat behandelen door GGz Breburg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
- meewerkt aan controle van het gebruik van cannabis om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
- meewerkt aan de ambulante begeleiding van SMO Traverse, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
De verdachte houdt zich aan afspraken en geeft inzicht in zijn financiën.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 862,83 (achthonderdtweeënzestig euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 362,83 (driehonderdtweeënzestig euro en drieëntachtig cent) als vergoeding van materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met zijn mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.
Veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding voor een bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) aan immateriële schadeaf.
Verklaart de vordering tot vergoeding van de materiële schade voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 862,83 (achthonderdtweeënzestig euro en drieëntachtig cent) bestaande uit € 362,83 (driehonderdtweeënzestig euro en drieëntachtig cent) materiële schadevergoeding en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 8 (acht) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot vergoeding van materiële schade
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding
aan materiële schadevoor de telefoon voor het overige, te weten een bedrag van
€ 50,00 (driehonderdvijftig euro)af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van de materiële schade.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 3 (drie) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot vergoeding van immateriële schade
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 450,00 (vierhonderdvijftig euro) als vergoeding van immateriële schade,te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat de verdachte met zijn mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding tot vergoeding van de immateriële schade voor het overige af.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 450,00 (vierhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 4 (vier) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. S.V. Pelsser, voorzitter,
mr. J.J. Peters en mr. R. de Bree, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 23 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. De Bree is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Onder dit kopje wordt telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, registratienummer PL2000-2022054414, sluitingsdatum 1 maart 2022, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 67. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.