ECLI:NL:GHSHE:2026:1647

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
20-000718-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 RVV 1990Art. 92 RVV 1990Art. 23 SrArt. 24c SrArt. 177 Wvw 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep snelheidsovertreding met meer dan 30 km/u overschrijding

De verdachte werd in eerste aanleg integraal vrijgesproken van het rijden met een snelheid van 141 km/u waar 60 km/u was toegestaan. De officier van justitie stelde hoger beroep in. Het hof vernietigde het vonnis en oordeelde dat de verdachte de maximumsnelheid met meer dan 30 km/u had overschreden, maar sprak hem vrij van de specifieke snelheid van 141 km/u vanwege onzekerheid over de afstandsinschatting door de verbalisanten.

De verbalisanten reden met een dienstvoertuig en constateerden dat de verdachte aanzienlijk harder reed dan toegestaan, met een gecorrigeerde snelheid van 141 km/u. De verdediging voerde aan dat de afstand tussen de verbalisanten en verdachte te groot was om een betrouwbare meting te doen. Het hof erkende deze onzekerheid, maar vond voldoende bewijs dat de snelheid ruim boven de toegestane limiet lag.

Het hof legde een geldboete van €350 op en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 120 dagen, rekening houdend met de ernst van de overtreding, de verkeersveiligheid en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het ontbreken van eerdere veroordelingen en het belang van het rijbewijs voor woon-werkverkeer.

De tijd dat het rijbewijs eerder was ingevorderd wordt in mindering gebracht op de opgelegde ontzegging. Het arrest werd gewezen door het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 4 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €350 en rijontzegging van 120 dagen wegens overschrijding maximumsnelheid met meer dan 30 km/u.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000718-25
Uitspraak : 4 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 24 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 96-158881-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De kantonrechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de verdachte integraal vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van € 1.800,00, waarvan € 900,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 120 dagen.
Namens de verdachte is integrale vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kantonrechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 9 mei 2024 te Clinge, gemeente Hulst, als bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Kijkuitstraat, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur was aangegeven – en heeft gereden met een snelheid van ongeveer 141 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële vrijspraak
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte vrij dient te worden gesproken van het tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe in een primair en subsidiaire variant aangevoerd dat de tussenafstand tussen de verdachte en de verbalisanten dusdanig groot was dat de waarneming van de verbalisanten werd belemmerd en geen bewijswaarde aan hun bevindingen kan worden toegekend.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verdachte reed over de Zoutestraat in Hulst. De verbalisanten reden op diezelfde Zoutestraat en kwamen vanuit tegengestelde richting. De verdachte was de navigator van een groep motorrijders en reed zodoende voorop. De verdachte is afgeslagen de Kijkuitstraat op. De verbalisanten zijn nog geen 10 seconden na de motoren de Kijkuitstraat opgereden. Zij zagen dat de voorste motor – van de verdachte – ongelofelijk hard reed en wegreed van de andere motoren. Dit laatste komt in zoverre ook overeen met de verklaring van de verdachte die ter zitting heeft verklaard dat hij gedurende enige tijd heeft geaccelereerd.
De verbalisanten hebben vervolgens gelijk het gaspedaal helemaal ingetrapt en dachten op dat moment (naar het hof begrijpt dus mede ten tijde van het accelereren) dat de tussenafstand tussen de voorste motor en hen ongeveer 500 meter bedroeg, bij nader inzien hebben zij verklaard dat ze zo hard reden dat de tussenafstand ook best 200 of 300 meter geweest kan zijn en dat de tussenafstand op het begin niet meer is geweest dan 400 meter.
De verbalisanten hebben op de boordsnelheidsmeter een snelheid van 150 km/h waargenomen. Zij zagen dat de voorste motor nog steeds op hen uitliep. Verbalisant [verbalisant 1] , de bijrijder, heeft continu zijn blik gehad op de voorste motor, mede gelet op dat er nog meerdere motors tussenreden. De verbalisanten hebben de optische- en geluidssignalen ingeschakeld en zagen dat de voorste motor uiteindelijk flink snelheid verminderde. De verbalisanten hebben de verdachte staande gehouden. Bij de berekening van de snelheid van de verdachte hebben de verbalisanten tweemaal op juiste wijze de snelheid gecorrigeerd. Zij hebben eerst in de ijktabel gekeken welke snelheid overeenkomt met een snelheid van 150 km/h. De bijbehorende snelheid in de ijktabel is 146 km/h. Na de wettelijke correctie van 3% bedraagt de snelheid 141 km/h.
Het primaire verweer van de raadsman komt er in de kern op neer dat de verbalisanten met een tussenafstand van meerdere honderden meters, tot mogelijk zelfs 500 meter, niet in staat zouden zijn geweest een correcte meting te doen omdat niet kan worden uitgesloten dat zij, anders dan zij meenden te hebben geconstateerd, wellicht juist op de verdachte inliepen in plaats van uitliepen toen zij met een snelheid van 150 km/h reden. Om die reden kan niet bewezen worden dat verdachte 141 km/h zou hebben gereden.
Het hof honoreert dit verweer, nu ook het hof tot de conclusie komt dat het inschatten of de afstand groter wordt, gelijk blijft of kleiner wordt bij een afstand van meerdere honderden meters moeilijker is dan bij een korte(re) afstand. Het hof overweegt dat bij een dergelijke afstand (zeker op een landweg) hooguit bij benadering kan worden ingeschat of wordt ingelopen, uitgelopen of geen van beide op de voorganger. Het hof kan dan ook niet met voldoende mate van zekerheid uitsluiten dat verbalisanten in werkelijkheid mogelijk enigszins inliepen op de verdachte, in plaats van omgekeerd.
Zodoende wordt de verdachte vrijgesproken van het rijden met een snelheid van 141 km/h waar de toegestane snelheid 60 km/h is.
Het subsidiaire verweer van de raadsman, inhoudende dat gezien deze onduidelijkheid in het geheel geen bewijswaarde aan de bevindingen van de verbalisanten kan worden gehecht, wordt door het hof evenwel verworpen.
Naar het oordeel van het hof betekent de enkele omstandigheid dat de verbalisanten mogelijk ten onrechte hebben gemeend dat verdachte, die met hoge snelheid op enkele honderden meters voor hen reed, op hen uitliep, niet dat aan hun overige vaststellingen getwijfeld zou moeten worden. Hun proces-verbaal is op ambtseed dan wel belofte opgemaakt en gesteld noch gebleken is dat afgezien van het eventueel in- of uitlopen, aanleiding bestaat te twijfelen aan hetgeen zij hebben waargenomen.
Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verbalisanten inderdaad hebben geconstateerd dat verdachte op hoge snelheid wegreed en zij daar vervolgens gedurende enige tijd met een gecorrigeerde snelheid van 141 km/h achteraan hebben gereden. Dit is een dergelijk hoge snelheid, dat zij zelfs als wordt uitgegaan van een niet geheel juiste waarneming van de verbalisanten over het in- of uitlopen op de verdachte, de verdachte in ieder geval harder moet hebben gereden dan 90 km/h. Immers, als de verdachte 90 km/h of zachter zou hebben gereden, dan waren de verbalisanten iedere 7 seconden ongeveer 100 meter ingelopen op de verdachte die enkele honderden meters voor hen reed. Het hof is van oordeel dat de verbalisanten dat alsdan zeker zouden hebben waargenomen en dus niet zouden hebben geverbaliseerd dat de verdachte nog uitliep op hen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 9 mei 2024 te Clinge, gemeente Hulst, als bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Kijkuitstraat, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur was aangegeven – en de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
-
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verkeersovertredingen d.d. 9 mei 2024 op ambtseed, dan wel ambtsbelofte, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk agent en brigadier van politie, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten:
Op 9 mei 2024 zagen wij op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Kijkuitstraat, Clinge, binnen de gemeente Hulst, een motor rijden. Deze kwam uit de richting van de Zoutestraat.
Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, aangeduid door een bord conform model A1 van bijlage I Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met in bord A1 de aanduiding ‘60’.
Wij zagen dat de bestuurder met dat motorvoertuig reed met een van de boordsnelheidsmeter van het dienstvoertuig afgelezen snelheid van 150 kilometer per uur, wat in werkelijkheid volgens het testrapport 146 (snelheid volgens de ijktabel) kilometer per uur was. Na de wettelijk voorgeschreven correctie van 3 procent aan de hand van het testrapport van de betreffende snelheidsmeter met 141 kilometer per uur, in elk geval met een grotere snelheid dan de ter plaatse toegestane 60 kilometer per uur.
Door ons is met uitloop achter genoemd motorvoertuig gereden met een onderlinge afstand van ongeveer 500 meter en over een afstand van ongeveer 1000 meter. De door de verdachte gereden snelheid is door ons, overeenkomstig de geldende Aanwijzing meting snelheidsovertredingen en Instructie snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers, vastgesteld met behulp van een op de voorgeschreven wijze gebruikte, in het dienstvoertuig aangebracht boordsnelheidsmeter. IJkdatum geldig van 10 oktober 2023 tot 10 oktober 2024.
Wij hielden de man staande. De verdachte gaf op te zijn:
achternaam: [verdachte] ;
voornamen: [verdachte] ;
geboren: [geboortedag] 1987.
-
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal bevindingen d.d. 30 september 2024 op ambtseed, dan wel ambtsbelofte, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk agent en brigadier van politie, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als relaas van verbalisanten:
Wij zagen, toen we nog geen tien seconden na de motoren de Kijkuitstraat opreden, dat de eerste motor ongelofelijk hard reed en wegreed op de rest van de motoren. Ik dacht dat op dat moment de tussenafstand 500 meter was, maar we reden zo hard, dat het ook best 200 meter of 300 meter geweest kan zijn. Wat ik, verbalisant [verbalisant 1] , kan zeggen is dat wij met ons dienstvoertuig 150 km/h reden en dat de voorste motor nog steeds op ons uitliep.
Na bestudering van de beelden op Google Maps en de Politie Atlas, waarmee ik kan zien wat de afstanden zijn, vermoed ik dat de tussenafstand tussen ons dienstvoertuig en de voorste motor van de verdachte op het begin van de meting niet meer is geweest dan 400 meter.
Bewijsoverwegingen
I
Het hof heeft onder het kopje ‘partiële vrijspraak’ reeds overwogen waarom de verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde snelheid van 141 km/h en waarom de verdachte niet integraal wordt vrijgesproken. De overweging onder eerdergenoemd kopje dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Resumerend is het hof van oordeel dat de snelheidsmeting door de verbalisanten op juiste wijze is gedaan. Gelet op de grote tussenafstand heeft het hof – ten gunste van de verdachte – de mogelijkheid opengelaten dat de verbalisanten niet exact hebben kunnen inschatten of de tussenafstand groter of kleiner werd. Echter, is het hof op basis van de wettige bewijsmiddelen ervan overtuigd dat de verdachte de toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 km/h heeft overschreden, aangezien de verbalisanten anders met rasse schreden op de verdachte zouden zijn ingelopen, hetgeen zij niet hebben waargenomen.
II
Het hof acht gelet op het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A 1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij de maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden. De verdachte heeft daarmee de maximumsnelheid flink overschreden. Maximumsnelheden zijn mede ter waarborging van de verkeersveiligheid. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 februari 2026. Hieruit komt naar voren dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Verder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De verdachte reist voor zijn werk een afstand van 50 kilometer. Dit traject heeft geen goede verbinding met het openbaar vervoer. De verdachte heeft zijn rijbewijs nodig om bij zijn werk te geraken.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van € 350,00 passend en geboden. Verder heeft hof – mede ter bescherming van de verkeersveiligheid – aanleiding gezien om aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van 120 dagen.
De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 62 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
3 (drie) dagen hechtenis;
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van Pro die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. N. van der Laan, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 4 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. N. van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.