ECLI:NL:GHSHE:2026:168

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
20-001838-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling met taakstraf en schadevergoeding

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Maastricht, waarin verdachte was veroordeeld voor mishandeling van de nieuwe partner van zijn ex-vrouw. De mishandeling vond plaats op 21 maart 2025 te Geleen, waarbij het slachtoffer meermalen werd geslagen en getrapt. De politierechter legde een taakstraf van 100 uur op, deels voorwaardelijk, en kende een schadevergoeding toe van €749,50.

In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis van de politierechter vanwege onvoldoende motivering, maar verklaarde het bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Het hof oordeelde dat de strafbaarheid van het feit en de verdachte vaststaat. De verdediging voerde verweer tegen de duur en voorwaarden van de taakstraf, met name tegen het reclasseringsadvies en het contact- en locatieverbod.

Het hof overwoog dat het reclasseringsadvies van juni 2025 actueel is en dat de bijzondere voorwaarden, waaronder ambulante behandeling en contactverbod, noodzakelijk zijn gezien de ernst van het feit, het recidiverisico en de psychische problematiek van verdachte. De taakstraf van 100 uur, deels voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, werd bevestigd. Tevens werd de schadevergoeding aan het slachtoffer toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente, met een gijzelingstermijn van maximaal zeven dagen bij niet-betaling.

Het hof legde de verdachte ook de verplichting op zich te melden bij de GGZ en zich te houden aan de huisregels en aanwijzingen van zorgverleners. Het contactverbod met het slachtoffer en het locatieverbod in bepaalde gebieden in Geleen blijven van kracht zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De strafoplegging dient zowel als sanctie als preventie van nieuwe strafbare feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, deels voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001838-25
Uitspraak : 22 januari 2026
TEGENSPRAAK
(Art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-091427-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1977,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De politierechter heeft verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden. Verder heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ten bedrage van € 749,50 geheel toegewezen en ter zake een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen.
De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de straf.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen te slaan en/of te trappen
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 21 maart 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen te slaan en te trappen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdediging heeft verweer gevoerd tegen de duur van de opgelegde gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf alsmede de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. Volgens de verdediging is het reclasseringsadvies waarin onder meer de bijzondere voorwaarde van ambulante behandeling werd geadviseerd niet meer actueel. Dit omdat verdachte inmiddels via het WMO een dergelijk traject heeft doorlopen. Evenmin is het noodzakelijk een contact- en locatieverbod op te leggen omdat verdachte zich daaraan al vrijwillig zou houden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van de nieuwe partner van zijn ex-vrouw in het bijzijn van zijn dochter. Verdachte stoorde zich eraan dat de nieuwe partner niet wilde bemiddelen in de omgang met zijn dochter. Het is een ernstig feit dat ook enorme impact op zijn dochter moet hebben gehad
Uit een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie volgt dat hij in een ver verleden (2014) al eens is veroordeeld voor mishandeling.
Uit een omtrent verdachte opgemaakt reclasseringsadvies van 24 juni 2025 volgt dat verdachte al vanaf jonge leeftijd kampt met psychische problemen. Regelmatig verkeerde hij in psychotische toestand en werd meermaals opgenomen en behandeld binnen de GGZ. Het agressief handelen van verdachte lijkt voor te komen uit zijn psychisch (dis)functioneren.
Verder wordt door de reclassering in voormeld advies opgemerkt dat er op diverse leefgebieden zorgen zijn. Zo heeft verdachte geen dagbesteding/structuur, heeft hij geen eigen plek waar hij zich kan terugtrekken om te stabiliseren. Verder is er beperkt sprake van ziektebesef bij verdachte. Ondanks dat verdachte weet dat psychoses getriggerd worden door drugsgebruik blijft hij drugs gebruiken. Gezien de onderhavige verdenking, het hoge recidiverisico adviseert de reclassering begeleiding/behandeling in een forensisch kader.
Voor wat betreft de duur van de gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf ziet het hof met de advocaat-generaal gelet op de ernst van het feit geen reden tot een andere beslissing te komen dan de politierechter. Het hof betrekt bij dit oordeel dat verdachte in eerste aanleg noch ter zitting in hoger beroep is verschenen waardoor geen indruk is verkregen van de persoon van verdachte.
Ten aanzien van de aan de gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf te verbinden bijzondere voorwaarden is het hof – anders dan de verdediging – van oordeel dat het advies van de reclassering van 24 juni 2025 waarin die voorwaarden werden geadviseerd nog steeds actueel is. Daarbij overweegt het hof – zoals ook door de advocaat-generaal naar voren is gebracht – dat niet de WMO de instantie is die justitie adviseert over verdachten maar de reclassering. Het hof is niet gebleken dat de reclassering niet meer achter het voornoemd advies zou staan. Dat geldt dan niet alleen ten aanzien van de wenselijkheid van een ambulante behandeling maar tevens ten aanzien van het geadviseerde contact- en locatieverbod. Dat verdachte uit zichzelf zich aan deze verboden zou houden maakt dit niet anders.
Het hof veroordeelt verdachte tot een gedeeltelijk voorwaardelijk taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met na te melden bijzondere voorwaarden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 749,50, bestaande uit materiële schade aan zijn scooter.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het hof is anders dan de verdediging van oordeel dat de vordering voldoende is onderbouwd en gaat daarmee voorbij aan het standpunt tot afwijzing danwel matiging van de door de benadeelde partij gevorderde schade.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 749,50. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd:
-veroordeelde meldt zich op binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij [GGZ] op het telefoonnummer [telefoonnummer] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
-veroordeelde laat zich behandelen door [GGZ] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor
[crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek]. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
-veroordeelde zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, direct of indirect contact met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1971.
-veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd niet ophouden in de [locatie 1] en
[locatie 2] in Geleen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 749,50 (zevenhonderdnegenenveertig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2025 tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 749,50 (zevenhonderdnegenenveertig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2025 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. J.T.F.M. van Krieken en mr. C.P.J. Scheele, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 22 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.