ECLI:NL:GHSHE:2026:1686

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
20-003047-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 310 SrArt. 6:6:14 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ISD-maatregel van twee jaar voor diefstal na hoger beroep

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 25 juni 2026 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 25 november 2025. De rechtbank had verdachte veroordeeld voor diefstal en een ISD-maatregel van twee jaar opgelegd. Tevens werd een schadevergoeding van €72,22 aan de benadeelde partij toegekend.

In hoger beroep heeft de verdediging primair vrijspraak gevorderd en subsidiair verweer gevoerd tegen de ISD-maatregel en de schadevordering. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank integraal bevestigd, met een aanvulling op de bewijsmiddelen en de motivering van de sanctie. Het hof baseerde zich onder meer op eigen waarneming van camerabeelden waarop verdachte te zien is bij het wegnemen van voorwerpen uit een tuinhuis.

De verdediging had verzocht om de ISD-maatregel te vervangen door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, of om de maatregel te verkorten tot één jaar met een tussentijdse toetsing. Het hof vond echter onvoldoende aanknopingspunten om de duur te verkorten of tussentijds te toetsen, mede gelet op het reclasseringsadvies. De verdachte kan zelf na zes maanden een verzoek tot beoordeling indienen. Het hof achtte de ISD-maatregel van twee jaar passend en geboden en bevestigde het vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling voor diefstal en de oplegging van een ISD-maatregel van twee jaar.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003047-25
Uitspraak : 25 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 november 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-220222-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,
thans verblijvende in P.I. [verblijfplaats] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘diefstal’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en aan hem de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna te noemen: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is toegewezen tot een bedrag van € 72,22, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten, tot dan toe begroot op nihil. Ten behoeve van de benadeelde partij is tevens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een verweer gevoerd ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde ISD-maatregel. Tevens is verweer gevoerd ten aanzien de vordering van de benadeelde partij.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van de gronden waarop dit berust.
Aanvulling van de bewijsmiddelen
Het hof verenigt zich met de door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep gebezigde bewijsmiddelen, met aanvulling van het hiernavolgende bewijsmiddel:
5)
De eigen waarneming van het gerechtshof ten aanzien van de camerabeelden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 juni 2026 zijn afgespeeld:
Op de beelden is te zien dat een persoon voorwerpen uit een tuinhuis wegneemt. Het hof herkent deze persoon op de videobeelden als de ter terechtzitting verschenen verdachte.
Aanvulling van de overwegingen ten aanzien van de op te leggen sanctie
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het hof dient te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en dat het hof dient af te zien van oplegging van de ISD-maatregel. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de duur van de maatregel zou moeten worden verlaagd naar een jaar. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht om na negen maanden een toetsingsmoment te laten plaatsvinden, zodat kan worden bezien wat de voortgang van de verdachte is en of de ISD-maatregel eventueel zou kunnen worden beëindigd.
Het hof verenigt zich met de beslissing en daaraan ten grondslag gelegde vaststellingen en overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar.
Anders dan de verdediging ziet het hof geen aanleiding om de duur van de ISD-maatregel in dit geval te beperken tot een jaar. Het hof acht, mede gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 17 september 2025, immers onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor de verwachting dat het recidivegevaar binnen een kortere termijn dan twee jaren voldoende zal zijn ingedamd. Evenmin ziet het hof aanleiding om tot een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel te beslissen, temeer nu het de verdachte op grond van artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering zelf vrij staat om zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel te verzoeken om een dergelijke beoordeling.
Alles afwegende acht het hof, met de rechtbank, oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren passend en geboden. Hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander standpunt.

BESLISSING

Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 25 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Burgmeijer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.