ECLI:NL:GHSHE:2026:1688

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
20-000638-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:106 BWArt. 6:107 BWArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verkrachting twee minderjarige meisjes met deels voorwaardelijke gevangenisstraf en schadevergoeding

De verdachte, destijds 20 jaar oud, werd in eerste aanleg veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf waarvan 18 maanden voorwaardelijk wegens verkrachting van twee meisjes die elk vier jaar jonger waren. In hoger beroep vernietigt het hof dit vonnis en verklaart het bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van beide slachtoffers op 5 augustus 2021 te Ommel.

Het hof acht de verklaringen van de slachtoffers ondanks enkele inconsistenties betrouwbaar, mede ondersteund door objectieve feiten zoals DNA-onderzoek en getuigenverklaringen. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen en de verkrachtingen hebben ernstige gevolgen voor de slachtoffers gehad.

Hoewel het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend acht, weegt het mee dat de strafzaak ruim een jaar te laat is behandeld, de mate van geweld beperkt was en de verdachte jong was. Daarom legt het hof een gevangenisstraf van 360 dagen op, waarvan 359 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, gecombineerd met een taakstraf van 240 uur.

Daarnaast kent het hof schadevergoeding toe aan de slachtoffers en een derde partij voor materiële en immateriële schade, waaronder studievertraging en psychische klachten. De verdachte wordt veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers, met mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling.

Het hof bevestigt de strafbaarheid en strafbaarheid van de verdachte en legt bijzondere voorwaarden op, waaronder meldplicht en contactverbod met de slachtoffers onder toezicht van de reclassering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf waarvan 359 dagen voorwaardelijk, taakstraf van 240 uur en schadevergoeding aan slachtoffers.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000638-25
Uitspraak : 24 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 27 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-275223-22 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van telkens ‘verkrachting’ (feit 1 primair en feit 2 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsadvies d.d. 19 september 2024 bestaande uit een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met de slachtoffers. De rechtbank heeft bevolen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.
Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte inbeslaggenomen telefoon onttrokken aan het verkeer.
Ten slotte heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en heeft ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft – zo begrijpt het hof – gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal toewijzen tot een bedrag van
€ 10.000,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering;
- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] zal toewijzen tot een bedrag van € 1.819,93 aan materiële schade en 10.000,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering.
Ten aanzien van de door beide benadeelde partijen gevorderde materiële schade bestaande uit kosten studievertraging heeft de advocaat-generaal zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
De advocaat-generaal heeft ten slotte gevorderd dat het hof [slachtoffer 2] , de moeder van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot vergoeding van verplaatste schade.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde. De verdediging acht het onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd. Ten slotte heeft de verdediging inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen van de benadeelde partijen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof vernietigt het beroepen vonnis, omdat het komt tot een andere bewezenverklaring en straf dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Ommel, gemeente Asten, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 1] , heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten
- het kussen van die [slachtoffer 1] en/of
- het aanraken van de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1] en/of
- het likken aan en/of kussen van de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 1] en/of
- het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1]
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte, terwijl hij, verdachte, dacht dat die [slachtoffer 1] sliep,
- onverhoeds die [slachtoffer 1] heeft gekust en/of
- onverhoeds de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1] heeft aangeraakt en/of
- onverhoeds de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 1] heeft gelikt en/of gekust en/of
- de knoop en/of gulp van de broek en/of riem van die [slachtoffer 1] heeft losgemaakt en/of (vervolgens) de broek van die [slachtoffer 1] naar beneden heeft getrokken en/of de string van die [slachtoffer 1] aan de kant heeft geduwd en/of
- onverhoeds zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gebracht en/of
- voorbij is gegaan aan de non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer 1] , te weten het tegen elkaar duwen/drukken van de benen en/of het wegduwen van zijn, verdachtes, hand en/of
- aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling(en) met verdachte durfde te onttrekken;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Ommel, gemeente Asten, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 1] , heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), te weten
- het kussen van die [slachtoffer 1] en/of
- het aanraken van de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1] en/of
- het likken aan en/of kussen van de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 1]
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte, terwijl hij, verdachte, dacht dat die [slachtoffer 1] sliep,
- onverhoeds die [slachtoffer 1] heeft gekust en/of
- onverhoeds de borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1] heeft aangeraakt en/of
- onverhoeds de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 1] heeft gelikt en/of gekust
en/of
- voorbij is gegaan aan de non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer 1] , te weten het tegen elkaar duwen/drukken van de benen en/of het wegduwen van zijn, verdachtes, hand en/of
- aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling(en) met verdachte durfde te onttrekken;
2. primair
hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Ommel, gemeente Asten, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 2] , heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten
- het likken aan en/of kussen van de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 3] en/of
- het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 3] en/of
- het vastpakken van de hand van die [slachtoffer 3] en/of (vervolgens) die op zijn, verdachtes, penis leggen
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte, terwijl hij, verdachte, dacht dat die [slachtoffer 3] sliep,
- het t-shirt van die [slachtoffer 3] omlaag heeft geduwd en/of de BH van die [slachtoffer 3] omhoog heeft geduwd en/of
- onverhoeds de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 3] heeft gelikt en/of gekust en/of
- de gulp van de broek van die [slachtoffer 3] open heeft gemaakt en/of
- onverhoeds zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 3] heeft geduwd en/of gebracht en/of
- de hand van die [slachtoffer 3] vast heeft gepakt en/of (vervolgens) die hand op zijn, verdachtes, penis heeft gelegd en/of
- voorbij is gegaan aan de non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer 3] , te weten het anders gaan liggen en/of het wegdraaien van verdachte en/of het wegduwen van verdachte en/of
- aldus voor die [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling(en) met verdachte durfde te onttrekken;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 5 augustus 2021 te Ommel, gemeente Asten, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 2] , heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), te weten
- het likken aan en/of kussen van de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 3] en/of
- het vastpakken van de hand van die [slachtoffer 3] en/of (vervolgens) het leggen van die hand op zijn, verdachtes, penis
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte, terwijl hij, verdachte, dacht dat die [slachtoffer 3] sliep
- het t-shirt van die [slachtoffer 3] omlaag heeft geduwd en/of de BH van die [slachtoffer 3] omhoog heeft geduwd en/of
- onverhoeds de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 3] heeft gelikt en/of gekust en/of
- de hand van die [slachtoffer 3] vast heeft gepakt en/of (vervolgens) die hand op zijn, verdachtes, penis heeft gelegd en/of
- voorbij is gegaan aan de non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [slachtoffer 3] , te weten het anders gaan liggen en/of het wegdraaien van verdachte en/of het wegduwen [toevoegen: van] verdachte en/of
- aldus voor die [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handeling(en) met verdachte durfde te onttrekken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.primair
dat verdachte omstreeks 5 augustus 2021 te Ommel, gemeente Asten, door een andere feitelijkheid
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 1] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten
- het kussen van die [slachtoffer 1] en
- het aanraken van de borsten en vagina van die [slachtoffer 1] en
- het likken aan en/of kussen van de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 1] en
- het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1]
en bestaande die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte,
- onverhoeds die [slachtoffer 1] heeft gekust en
- onverhoeds de borsten en vagina van die [slachtoffer 1] heeft aangeraakt en
- onverhoeds de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 1] heeft gelikt en/of gekust en
- de knoop en gulp van de broek en riem van die [slachtoffer 1] heeft losgemaakt en vervolgens de broek van die [slachtoffer 1] naar beneden heeft getrokken en de string van die [slachtoffer 1] aan de kant heeft geduwd en
- onverhoeds zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gebracht en
- voorbij is gegaan aan de non-verbale signalen van verzet en weerstand van die [slachtoffer 1] , te weten het tegen elkaar duwen van de benen en het wegduwen van zijn, verdachtes, hand en
- aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handelingen met verdachte durfde te onttrekken.
2. primair
dat verdachte omstreeks 5 augustus 2021 te Ommel, gemeente Asten, door een andere feitelijkheid [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 2] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten
- het likken aan en/of kussen van de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 3] en
- het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 3] en
- het vastpakken van de hand van die [slachtoffer 3] en vervolgens die op zijn, verdachtes, penis leggen
en bestaande die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte,
- het t-shirt van die [slachtoffer 3] omlaag heeft geduwd en de BH van die [slachtoffer 3] omhoog heeft geduwd en
- onverhoeds de borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 3] heeft gelikt en/of gekust en
- de gulp van de broek van die [slachtoffer 3] open heeft gemaakt en
- onverhoeds zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 3] heeft geduwd en/of gebracht en
- de hand van die [slachtoffer 3] vast heeft gepakt en vervolgens die hand op zijn, verdachtes, penis heeft gelegd en
- voorbij is gegaan aan de non-verbale signalen van verzet en/ weerstand van die [slachtoffer 3] , te weten het anders gaan liggen en het wegdraaien van verdachte en het wegduwen van verdachte en
- aldus voor die [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan dat zij zich niet aan de seksuele handelingen met verdachte durfde te onttrekken.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij/zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof merkt op dat in de bewijsmiddelen ten aanzien van het bewezenverklaarde onder 2.primair enerzijds wordt gesproken van het omlaag duwen van het t-shirt (topje) van [slachtoffer 3] en het omhoog duwen van haar BH (bewijsmiddel 4) en anderzijds van het omhoog duwen van dat t-shirt en omlaag duwen van de BH (bewijsmiddel 5). Dit is verder niet van belang, nu de bewezenverklaring aldus wordt bestreken en het voor de strafwaardigheid niet uitmaakt of het t-shirt door de verdachte nu omhoog of omlaag en de BH daarbij omlaag of omhoog is geschoven; het resultaat was in ieder geval een ontblote linkerborst (bewijsmiddel 10).
Bewijsmiddelen
Het hof neemt de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen over en maakt die tot de zijne, met aanvulling en verbetering daarvan. Omwille van de leesbaarheid worden deze bewijsmiddelen opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de onder
1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde verkrachtingen omdat voldoende wettig en overtuigend bewijs daarvoor naar de mening van de verdediging ontbreekt. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.
De verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] bevatten teveel cruciale inconsistenties en zijn daardoor niet betrouwbaar genoeg om als bewijsmiddel te kunnen dienen. De verklaringen van aangeefster [slachtoffer 3] bevatten eveneens inconsistenties. Deze verklaringen vormen daarom onvoldoende steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer 1] . Uiteindelijk blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 3] ook dat zij meer dan waarschijnlijk niet heeft gezien wat er tussen [slachtoffer 1] en de verdachte is gebeurd. Tevens kan uit de verklaring van [slachtoffer 3] bij de raadsheer-commissaris worden opgemaakt dat de penetratie van [slachtoffer 1] door de verdachte hoogstwaarschijnlijk niet heeft plaatsgevonden. De verklaringen van [slachtoffer 1] vormen op hun beurt geen steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer 3] omdat [slachtoffer 1] niet heeft gezien wat er gebeurd is. Zij verklaart dat zij haar ogen dicht had. Voorts zitten er cruciale verschillen tussen de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] waardoor hun verklaringen over en weer niet als steunbewijs kunnen worden gebruikt. Het dossier bevat ook voor het overige onvoldoende steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] zijn weliswaar op meerdere ondergeschikte onderdelen niet steeds volledig gelijkluidend maar dit doet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen geen afbreuk, nu de verklaringen van aangeefsters in de kern gedetailleerd en consistent zijn en steun vinden in objectief vast te stellen feiten en omstandigheden. In de eerste plaats wijst het hof op de resultaten van het DNA onderzoek. Dat in de monsters van de vagina van [slachtoffer 1] geen DNA van de verdachte is aangetroffen, maken haar verklaring niet onbetrouwbaar, nu dat niet uitsluit dat een en ander kan zijn gebeurd zoals [slachtoffer 1] heeft verklaard (zeer korte niet volledige penetratie van zijn geslachtsdeel in haar vagina). Verder heeft [slachtoffer 3] in haar aangifte verklaard dat zij en [slachtoffer 1] hun schoenen hadden uitgetrokken voordat zij in de tent van de verdachte op bed gingen liggen en dat de verdachte de gulp van haar broek had opengemaakt en haar riem half om haar heen hing. De verbalisanten die naar aanleiding van de melding van [slachtoffer 1] in de nacht van 5 augustus 2021 bij de woning van de vader van [slachtoffer 3] kwamen, zagen onder andere dat [slachtoffer 1] op alleen haar sokken in de politieauto zat, dat haar gulp openstond en haar riem loshing. De verbalisanten hoorden dat [slachtoffer 1] zei dat ze er nog precies zo bij zat zoals ze was vetrokken bij de tent van de verdachte. De verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] worden ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] over de kort na het gebeuren bij aangeefster [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] waargenomen gemoedstoestand.
Het hof overweegt ten overvloede dat de verdachte daartegenover wisselende verklaringen heeft afgelegd die mede lijken te zijn afgestemd op het later beschikbaar gekomen DNA-bewijs.
Het hof verwerpt mitsdien de tot vrijspraak strekkende verweren. Ook hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
verkrachting
Het onder feit 2 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
verkrachting
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof, evenals de rechtbank, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het reclasseringsadvies van 19 september 2024.
Indien het hof de verdachte veroordeelt voor de onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde verkrachtingen, heeft de raadsvrouw verzocht om een fors lagere gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan waarbij de persoonlijke omstandigheden van de verdachte een zwaarwegende factor dienen te zijn maar ook gelet dient te worden op de aard en duur van de feitelijk verrichte handelingen door de verdachte. De raadsvrouw heeft verzocht een fors deel van deze gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm aan de verdachte op te leggen met oplegging van de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd en door de rechtbank aan de verdachte zijn opgelegd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij - destijds 20 jaar - zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van twee meisjes die destijds beiden vier jaar jonger waren dan hij. De verdachte had voorafgaand aan deze strafbare feiten een gezellige avond met de slachtoffers. Door hen onverhoeds te overvallen met de bewezenverklaarde seksuele handelingen en hun lichamelijke verzet/afweer te negeren heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op en misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem hadden en heeft hij in ernstige mate hun lichamelijke en seksuele integriteit geschonden. Slachtoffers van verkrachting ondervinden daar vaak nog jarenlang last van. Uit de toelichting op de vorderingen benadeelde partij en de slachtofferverklaringen blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Het hof rekent de verdachte dit alles aan, temeer nu hij hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen.
Het hof stelt vast dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde de leeftijd van achttien jaren doch niet die van drieëntwintig jaren had bereikt. Bij de strafoplegging ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het volwassenstrafrecht, dan wel het adolescentenstrafrecht moet worden toepast. Evenals de rechtbank acht het hof de toepassing van het volwassenstrafrecht ten aanzien van de verdachte op zijn plaats, gelet op het onderbouwde advies van de reclassering in het rapport van 19 september 2024, waarin toepassing van het volwassenstrafrecht wordt geadviseerd.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Voorts blijkt daaruit dat de verdachte na het bewezenverklaarde niet meer met justitie in aanraking is geweest. Verder stelt het hof vast dat het taakstrafverbod ex artikel 22b eerste lid sub a van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is nu er sprake is van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers ten gevolge heeft gehad.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van
19 september 2024. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht, een ambulante behandeling en een contactverbod met de slachtoffers.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof is door en namens de verdachte naar voren gebracht dat de verdachte bij zijn ouders woont, een eigen bedrijfje heeft in het leggen van vloeren en dat hij geen schulden heeft.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, in verband met een juiste normhandhaving, overwegingen van in ieder geval generale preventie en gelet op de straffen die door dit hof in soortgelijke gevallen worden opgelegd, in beginsel niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor langere duur met zich brengt. Het hof ziet in dit specifieke geval echter aanleiding om hiervan af te wijken, gelet op de hierna te noemen feiten en omstandigheden die het hof in strafmatigende zin in aanmerking neemt.
Het hof houdt in strafmatigende zin rekening met het aanzienlijke tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde, namelijk bijna vijf jaren. Voorts weegt het hof in strafmatigende zin mee dat de bewezenverklaarde verkrachtingen gepaard zijn gegaan met een beperkte mate van geweld of een daarmee vergelijkbare mate van dwang. Tevens houdt het hof in strafmatigende zin rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte en diens ontwikkeling.
Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak als volgt.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In beginsel heeft als redelijke termijn te gelden dat de rechtbank binnen 2 jaren nadat de termijn een aanvang heeft genomen – in dit geval de datum van het eerste verhoor van de verdachte op 16 februari 2022 – vonnis wijst. Nu de rechtbank op 27 februari 2025 vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg geschonden met ruim een jaar. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is het hof niet gebleken. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin betrekken bij de strafoplegging.
Het geheel overziend, waaronder de schending van de redelijke termijn, acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf thans niet meer passend.
Al het vorenstaande afwegende en gelet op het taakstrafverbod acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen waarvan 359 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, in combinatie met een taakstraf van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 23.419,93 aan materiële schade en primair € 17.000,00, subsidiair € 13.000,00 en meer subsidiair € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vordering toegewezen tot een bedrag van
€ 4.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2021 tot aan de dag der voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de benadeelde partij in de vordering met betrekking tot de materiële schade en de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij naar voren gebracht dat de vordering in hoger beroep als volgt wordt gehandhaafd:
Materiële schade
studievertraging € 21.600,00
boeken en licenties p.m.
kosten studie p.m.
eigen risico € 770,00
parkeer- en km kosten € 1.049,93
Immateriële schade
€ 10.000,00
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 1.819,93 aan materiële schade en 10.000,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat de benadeelde partij voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade bestaande uit kosten studievertraging heeft de advocaat-generaal zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het causaal verband tussen de gevorderde kosten studievertraging en het gebeurde onvoldoende kan worden vastgesteld gelet op de reeds bestaande problematiek bij de benadeelde partij. De gevorderde eigen bijdrage ziektekosten is niet onderbouwd en de reiskosten zien voornamelijk op bezoeken aan huisarts en therapie waarvan niet kan worden vastgesteld dat dit alleen causaal verband houdt met de gebeurtenis van 5 augustus 2021. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat uitgaande van de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Rotterdamse schaal, een bedrag van € 2.000,00 in dit geval een passend bedrag is.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade: kosten studievertragingDe benadeelde partij vordert een bedrag van € 21.600,00 als geleden schade door studievertraging. Het causale verband tussen de gestelde geleden schade en het strafbare feit wordt onderbouwd door de benadeelde partij aan de hand van onder meer een schriftelijke verklaring van de adjunct-directeur van de school waar zij destijds een opleiding volgde, (onder meer) inhoudende:
“ [slachtoffer 3] is in het schooljaar 2021-2022 medisch gedoubleerd in verband met haar mentale gezondheid. Dit heeft er voor gezorgd dat zij een jaar studievertraging heeft opgelopen. Uit gesprekken is gebleken dat dit sterk verband houdt met de ontstane situatie naar aanleiding van de gebeurtenissen in [slachtoffer 3] privéleven waarvoor er nu een rechtszaak loopt.”
Dat deze schade is geleden en het causale verband tussen het strafbare feit en deze schade, is aan de hand hiervan voldoende onderbouwd.
Voor de hoogte van de schade gaat de benadeelde partij uit van een studievertraging van
1 jaar in de categorie mbo/havo/vwo. Het bedrag is gebaseerd op de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Zonder gemotiveerde betwisting hiervan, die ontbreekt, is dit op zichzelf voldoende onderbouwing voor de hoogte van de schade.
De gevorderde schade door studievertraging van € 21.600,00 zal derhalve worden toegewezen.
Materiële schade: eigen risico en parkeer- en km kostenUit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.005,05. Dat bedrag heeft betrekking op reis- en parkeerkosten voor bezoeken aan de huisarts en behandelinstellingen die de benadeelde partij naar aanleiding van het gepleegde feit heeft moeten maken tot een bedrag van € 1.049,93 minus de reiskosten voor fysio en vermagering. De benadeelde partij heeft de vordering in zoverre voldoende onderbouwd en deze schadeposten zijn niet dan wel onvoldoende betwist. Voor deze schade is de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof zal deze schadeposten daarom geheel toewijzen. De gestelde, maar ook na de betwisting daarvan door de verdediging, niet onderbouwde reiskosten voor fysio en vermagering (€ 44,88) en de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering over twee jaren (bestaande uit een bedrag van in totaal € 770,00), zal het hof niet toewijzen, maar de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Materiële schade: pmDe benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de gevorderde pro memori posten nu dit toekomstige schade betreft die thans nog niet geleden is.
Immateriële schade (smartengeld)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij door het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.
De aard en de ernst van de normschending door de verdachte en van de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde, brengen in dit geval mee dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Dit blijkt niet alleen uit voormeld schrijven van de adjunct-directeur van de school, maar bijvoorbeeld ook uit het feit dat [slachtoffer 3] , nadat de traumabehandeling bij JeugdhulpXtra plots was gestopt vanwege een faillissement, werd aangemeld bij een GZ-psycholoog voor traumabehandeling naar aanleiding van deze verkrachting; ze heeft last van nachtmerries, op straat lopen, het vertrouwen in jongens en angst om de plaats van de verkrachting te bezoeken (zie de bij het schadeformulier ingediende behandelovereenkomst, datum eerste gesprek 23 september 2022).
Gelet op de aard en de ernst van het onder 2 primair bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, en gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht het hof in deze zaak een vergoeding ter zake van immateriële schade ter hoogte van € 5.000,00 billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De overige gevorderde immateriële schade wijst het hof af.
Resumé
Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 27.605,05, bestaande uit € 22.605,05 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Wettelijke renteHet toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente voor de immateriële schade met ingang van 5 augustus 2021 (de dag van het ontstaan van de schade) en voor de materiële schade met ingang van 11 februari 2025 (datum indiening vordering) tot aan de dag der algehele voldoening.
ProceskostenHet hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Deze proceskosten worden tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 3] is toegebracht tot een bedrag van € 27.605,05. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente voor de immateriële schade met ingang van 5 augustus 2021 (de dag van het ontstaan van de schade) en voor de materiële schade met ingang van 11 februari 2025 (datum indiening vordering) tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 23.698,38 aan materiële schade, waaronder een bedrag van € 2.098,38 aan verplaatste materiële schade, en primair € 17.000,00, subsidiair
€ 13.000,00 en meer subsidiair € 10.000,00 aan immateriële schade alsmede € 1.000,00 aan verplaatste immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vordering toegewezen tot een bedrag van
€ 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2021 tot aan de dag der voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de benadeelde partij in de vordering met betrekking tot de materiële schade en de overige gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van de gevorderde verplaatste schade heeft de rechtbank bepaald dat [slachtoffer 2] – de moeder van de benadeelde – niet-ontvankelijk is in de vordering.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij naar voren gebracht dat de vordering in hoger beroep als volgt wordt gehandhaafd:
Materiële schade
studievertraging € 21.600,00
boeken en licenties p.m.
kosten studie p.m.
Verplaatste materiële schade
Pio € 595,00
Apotheek € 75,14
Twee maal eigen risico € 770,00 + pm
Kilometers 1707 * € 0,33 = € 563,24 + pm
Parkeerkosten € 95,00 (geschat)
Immateriële schade
€ 10.000,00
Verplaatste immateriële schade
primair: € 1.000,00 + indexatie en wettelijke rente
subsidiair: verzocht wordt de schade ambtshalve te schatten en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00 aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat de benadeelde partij voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade bestaande uit kosten studievertraging heeft de advocaat-generaal zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. De advocaat-generaal heeft ten slotte gevorderd dat het hof [slachtoffer 2] , de moeder van de benadeelde partij, niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot vergoeding van verplaatste schade.
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de gevorderde (eigen) materiële schade ter zake van kosten studievertraging nu het causaal verband met het gebeurde onvoldoende kan worden vastgesteld gelet op de reeds bestaande dan wel latere problematiek bij de benadeelde partij. Ten aanzien van de gevorderde (eigen) immateriële schade van de benadeelde partij heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat uitgaande van de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Rotterdamse schaal, een bedrag tussen € 4.000,00 en € 5.000,00 in dit geval een passend bedrag is. De gevorderde verplaatste schade dient naar de mening van de raadsvrouw te worden afgewezen nu – zo stelt de raadsvrouw – [slachtoffer 2] geen rechtstreeks belanghebbende is en niet zelfstandig een vordering kan indienen binnen het strafproces.
Materiële schade: kosten studievertraging
Het hof is van oordeel dat thans, in het kader van deze strafrechtelijke procedure, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de raadsvrouw van de verdachte, onvoldoende kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de gestelde studievertraging het rechtstreekse gevolg is van het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit. Een nader onderzoek naar de causaliteit zou naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Mitsdien zal het hof dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan deze schadepost slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen, die in een civiele procedure beter dan de strafrechter is geëquipeerd om na evenwichtige uitwisseling van standpunten van partijen te beoordelen of, en zo ja, in hoeverre de vordering tot schadevergoeding als gevolg van gestelde studievertraging voor toewijzing in aanmerking komt.
Materiële schade: pmDe benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de gevorderde pro memori posten nu dit toekomstige schade betreft die thans nog niet geleden is.
Verplaatste materiële schadeHet hof stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep vast dat de moeder van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het psychische letsel dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit heeft geleden, te weten kosten van PIO (Praktijk voor Integratieve Orthopedagogiek), apotheek, eigen risico en reis- en parkeerkosten in verband met de reizen met de benadeelde partij naar de behandelafspraken. De benadeelde partij had deze schade kunnen vorderen als zij die kosten zelf zou hebben gemaakt. Er is dan ook sprake van verplaatste schade in de zin van artikel 6:107, eerste lid, onder a van het Burgerlijk Wetboek waarvoor de moeder van de benadeelde partij zich ingevolge artikel 51f, tweede lid, Wetboek van Strafvordering kan voegen. Deze vordering is voldoende onderbouwd en deze schadeposten zijn inhoudelijk niet dan wel onvoldoende betwist. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof zal deze schadeposten daarom geheel toewijzen, derhalve tot een bedrag van € 2.098,38.
Immateriële schade (smartengeld)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Immateriële schade komt in dit geval slechts dan voor vergoeding in aanmerking indien deze schade valt onder het bereik van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel, het geschaad zijn in de eer of goede naam of het op andere wijze in de persoon zijn aangetast.
In dit geval is sprake van immateriële schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze, nu uit de verschillende brieven in het schadevergoedingsdossier van [slachtoffer 1] blijkt dat [slachtoffer 1] een aanpassingsstoornis en ernstige psychische klachten ontwikkelde na en door de bewezenverklaarde verkrachting (verwijsbrief voor spoed Crisis d.d. 6 december 2022) en er bij haar nadien onder meer PTSS is vastgesteld (zie onder meer de brieven van 15 februari en 10 augustus 2023 van de GGZ naar de huisarts).
Gelet op de aard en de ernst van het onder 1 primair bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, en gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht het hof in deze zaak een vergoeding ter zake van immateriële schade ter hoogte van € 7.500,00 billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De overige gevorderde immateriële schade wijst het hof af.
Verplaatste immateriële schadeMet de gevorderde verplaatste immateriële schade wordt in wezen zogenoemde affectieschade gevorderd. Onder affectieschade wordt verstaan de schade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.6). Daarvan is hier geen sprake. Het hof zal deze post derhalve afwijzen.
Resumé
Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 9.598,38, bestaande uit € 2.098,38 aan materiële schade van [slachtoffer 2] en € 7.500,00 aan immateriële schade jegens de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Wettelijke renteHet toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente, voor de immateriële schade met ingang van 5 augustus 2021 (de dag van het ontstaan van de schade) en voor de materiële schade met ingang van 30 januari 2025 (de dag van indiening van de vordering) tot aan de dag der algehele voldoening.
ProceskostenHet hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij en [slachtoffer 2] . Deze proceskosten worden tot op heden begroot op nihil. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 7.500,00 en aan [slachtoffer 2] voor een bedrag van € 2.098,38. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025 voor de materiële schade en vanaf 5 augustus 2021 voor de immateriële schade tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en
2 primair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
360 (driehonderdzestig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
359 (driehonderdnegenenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich na uitnodiging meldt bij een nader te bepalen reclasseringsorganisatie. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De toezichthouder zal de verdachte aanmelden. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met:
[slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 2] en
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 1] ,
zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
27.605,05 (zevenentwintigduizend zeshonderdenvijf euro en vijf cent) bestaande uit
€ 22.605,05 (tweeëntwintigduizend zeshonderdenvijf euro en vijf cent) materiële schade en
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de overige gevorderde materiële schade;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 27.605,05 (zevenentwintigduizend zeshonderdenvijf euro en vijf cent) bestaande uit € 22.605,05 (tweeëntwintigduizend zeshonderdenvijf euro en vijf cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 150 (honderdvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 augustus 2021 (de dag van het ontstaan van de schade) en voor de materiële schade op 11 februari 2025 (datum indiening vordering);
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schadeaf;
verklaart de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van
€ 21.600,00 (eenentwintigduizend zeshonderd euro) aan materiële schadeniet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
wijst toe de vordering tot verplaatste schadevergoeding van [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.098,38 (tweeduizend achtennegentig euro en achtendertig cent) materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van [slachtoffer 2] voor verplaatste immateriële schade af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij en [slachtoffer 2] gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.098,38 (tweeduizend achtennegentig euro en achtendertig cent) materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;
bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 72 (tweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;
bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
30 januari 2025 en van de immateriële schade op 5 augustus 2021.
Aldus gewezen door:
mr. M.J.M.A. van der Put, voorzitter,
mr. C.M. Hilverda en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 24 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.