ECLI:NL:GHSHE:2026:1689

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
20-001783-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 63 SrArt. 138aa Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor wederrechtelijk verblijf op besloten havenplaats

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een maand gevangenisstraf voor het wederrechtelijk verblijven op een besloten havenplaats, waarbij toegang werd verkregen door braak en het feit werd gepleegd door twee of meer personen. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.

Het hof heeft het bewijs en de omstandigheden van het strafbare feit onderzocht en acht bewezen dat de verdachte samen met een ander op 16 juni 2024 wederrechtelijk op het terrein van een containerterminal verbleef. Dit veroorzaakte aanzienlijke hinder en schade voor de havenbedrijven en vormde een schending van de openbare orde. De verdachte heeft een justitiële voorgeschiedenis met soortgelijke feiten.

Hoewel het hof van oordeel is dat het strafbare feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, ziet het hof aanleiding af te wijken vanwege de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte. Het reclasseringstoezicht verloopt sinds een jaar beter, de verdachte heeft afstand genomen van criminele vrienden, is gestopt met harddrugs, heeft een baan en toont motivatie voor verandering.

Het hof legt daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden op met een proeftijd van 3 jaar en verbindt daaraan bijzondere voorwaarden, waaronder voortgezet reclasseringstoezicht, behandeling bij een verslavingskliniek, begeleid wonen, en controle op middelengebruik. Deze maatregel dient zowel de ernst van het feit te onderstrepen als de positieve ontwikkeling van de verdachte te ondersteunen.

Het arrest is gewezen door het hof 's-Hertogenbosch op 24 juni 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001783-25
Uitspraak : 24 juni 2026
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 mei 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-195126-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl hij zich de toegang heeft verschaft tot die besloten plaats door middel van braak en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van dezelfde bijzondere voorwaarden als door dit hof bij arrest van 30 januari 2025 in de zaak met parketnummer [parketnummer] aan de verdachte zijn opgelegd.
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep geschaard achter de vordering van de advocaat-generaal met dien verstande dat zij heeft verzocht de proeftijd te beperken tot 2 jaren.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In dat verband zal het hof ook de toepasselijke wettelijke voorschriften opnieuw opnemen.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Op te leggen straf
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren
en met oplegging van dezelfde bijzondere voorwaarden als door dit hof bij arrest van 30 januari 2025 in de zaak met parketnummer [parketnummer] aan de verdachte zijn opgelegd.
De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep achter de vordering van de advocaat-generaal geschaard met dien verstande dat zij heeft verzocht de proeftijd te beperken tot 2 jaren. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte het strafbare feit in 2024, derhalve al weer enkele jaren geleden, heeft gepleegd. Ook heeft zij gewezen op het reeds lopende reclasseringstoezicht in de zaak met parketnummer [parketnummer] waarin dit hof op 30 januari 2025 arrest heeft gewezen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft op 16 juni 2024 samen met een ander wederrechtelijk verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten [terrein] van [bedrijf] te [locatie] . De verdachte en zijn mededader hebben zich de toegang tot dat terrein verschaft door middel van braak. Dit is een strafbaar feit dat veel hinder en schade veroorzaakt bij deze containerterminal en bij andere havenbedrijven. Zo komen bijvoorbeeld werkzaamheden vaak tijdelijk stil te liggen als indringers zijn gesignaleerd en moeten de havenbedrijven veel investeringen doen om het terrein te controleren en te beveiligen. Ook levert dit strafbare feit een schending op van de openbare orde. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Voorts blijkt uit dat uittreksel dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de inhoud van het e-mailbericht van de reclassering d.d. 5 juni 2026 over de voortgang van het reclasseringstoezicht in de zaak met parketnummer [parketnummer] . Daarin wordt – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“Dit reclasseringstoezicht had een moeizame start, maar verloopt sinds een klein jaar steeds beter. Betrokkene mist, net zoals voorheen, nog veel afspraken. Dit komt vermoedelijk voort uit zijn problematiek (vermoedens van ADHD). Betrokkene houdt zich, anders dan voorheen, wel aan zijn bijzondere voorwaarden. (…) De heer [verdachte] heeft een positieve verandering laten zien het afgelopen half jaar/ drie kwart jaar: hij is gestopt met het gebruiken van harddrugs (dit hebben wij gecontroleerd middels urinecontroles), heeft afstand genomen van gebruikers- en criminele vrienden, heeft een fulltime baan, een stabiel inkomen en hij zet zich in voor zijn behandeling. (…) Betrokkene gebruikt nog wel dagelijks cannabis. Hij heeft verschillende stoppogingen ondernomen maar het is hem tot op heden niet gelukt om dit niet meer te gebruiken. Hiervoor krijgt hij behandeling. Betrokkene is reeds doorgestroomd van beschermd wonen naar begeleid wonen, omdat hij voldoende zelfstandigheid heeft laten zien en klaar was voor de volgende stap. Betrokkene is op een vriendelijke manier met ons, zijn behandelaar en begeleiders in contact. We zijn van mening dat hij zijn afspraken beter moet nakomen, hier gaan we de komende tijd in samenwerking met zijn behandelaar aan werken om tot een oplossing te komen. Voor nu is het nog geen reden om te sanctioneren, we spreken betrokkene natuurlijk wel aan. Betrokkene belooft dan beterschap. Er is sprake van enige mate van onmacht en niet van onwil.(…) Er is sprake van een gemiddeld risico op recidive en letselschade. De risico’s zijn ten aanzien van een jaar geleden naar beneden bijgesteld. Deze waren toen hoog.”
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Echter, met de advocaat-generaal en de verdediging, ziet het hof in dit specifieke geval aanleiding om hiervan af te wijken.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
Het reclasseringstoezicht van de verdachte is in eerste instantie moeizaam verlopen. De verdachte is in september 2022 onder schorsende voorwaarden bij [verslavingskliniek] onder toezicht gekomen. Deze schorsing is nadien opgeheven omdat de verdachte zich niet aan een van zijn voorwaarden hield. De verdachte is tijdens het toezicht ook gerecidiveerd door het plegen van het strafbare feit in de onderhavige zaak. Bij arrest van dit hof van 30 januari 2025 in de zaak met parketnummer [parketnummer] zijn de eerdere schorsingsvoorwaarden als bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf aan de verdachte opgelegd en is aan de reclassering wederom opdracht gegeven toezicht te houden op de naleving daarvan en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Dit huidige reclasseringstoezicht verloopt blijkens het e-mailbericht van de reclassering d.d. 5 juni 2026 sinds een klein jaar steeds beter. De verdachte mist, net zoals voorheen, nog veel afspraken maar houdt zich, anders dan voorheen, beter aan zijn bijzondere voorwaarden. Ook heeft hij op meerdere gebieden een positieve verandering laten zien.
De verdachte lijkt dan ook gemotiveerd een andere wending aan zijn leven te geven en hij is stappen aan het zetten in de goede richting. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze voorzichtig positieve ontwikkeling in het leven van de verdachte doorkruisen, hetgeen het hof onwenselijk acht.
Al het voorgaande afwegende, acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde en ook door de verdediging verzochte voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
2 maanden, passend en geboden.
Naar het oordeel van het hof komt uit het verloop van het reclasseringstoezicht, zoals hiervoor uiteengezet, naar voren dat de verdachte ondersteuning behoeft bij het voortgaan op de door hem ingeslagen positieve weg. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verdachte de begeleiding door de reclassering en andere betrokken instanties steunend vindt. Het bestaande reclasseringstoezicht in voormelde andere strafzaak loopt af begin 2027.
Gelet op het voorgaande is het daarna doorlopen van ditzelfde reclasseringstoezicht wenselijk en zal het hof aan de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden dezelfde bijzondere voorwaarden verbinden als door dit hof aan de verdachte zijn opgelegd bij arrest van 30 januari 2025 in de zaak met parketnummer
[parketnummer] . Voorts ziet het hof in het voorgaande aanleiding om de proeftijd te bepalen op 3 jaren.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 138aa van het Wetboek van Strafrecht, zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- de verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de verslavingsreclassering van [verslavingskliniek] op het adres [adres 2] of [telefoonnummer] en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- de verdachte zich laat behandelen door [verslavingskliniek] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na
goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- de verdachte verblijft bij woonvoorziening [woonvoorziening] of een andere instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van een dagbesteding met een vaste structuur;
- de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- de verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van drugs en alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het bovenstaande.
Aldus gewezen door:
mr. C.M. Hilverda, voorzitter,
mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 24 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.