ECLI:NL:GHSHE:2026:1690

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
20-000131-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 9 WvSrArt. 14a WvSrArt. 14b WvSrArt. 14c WvSr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling beveiliger voor disproportioneel geweld tijdens aanhouding

De verdachte, een ervaren beveiliger, werd in hoger beroep veroordeeld voor het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen een persoon tijdens een aanhouding op 14 mei 2023 te Breda. Het hof sprak hem vrij van poging tot opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, maar achtte bewezen dat hij samen met een medeverdachte geweld heeft gebruikt dat de grenzen van proportioneel geweld overschreed, waardoor het slachtoffer letsel opliep.

De verdediging voerde een beroep op noodweer aan, stellende dat het geweld gerechtvaardigd was ter verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Het hof verwierp dit verweer omdat het toegepaste geweld disproportioneel was, vooral na de eerste klap van de verdachte. Het hof nam daarbij in aanmerking dat de verdachte als beveiliger met 25 jaar ervaring een grotere mate van zelfbeheersing behoort te tonen.

De schadevergoeding van de benadeelde partij werd deels toegewezen tot een bedrag van €381,79, met wettelijke rente vanaf de dag van de vordering. De verdachte en zijn medeverdachte werden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade en proceskosten. De opgelegde straf bestaat uit een taakstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uur en 20 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf wegens disproportioneel geweld en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000131-24
Uitspraak : 24 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-122735-23 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
wonende te [adres].
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde vrijgesproken, het subsidiair tenlastegelegde deels bewezenverklaard en de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering van de benadeelde partij is afgewezen.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte van het primair tenlastegelegde zal vrijspreken, het subsidiair tenlastegelegde zal bewezen verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uur subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is verzocht om de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 383,69 toe te wijzen en de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit ten aanzien van de handelingen die zien op het schoppen tegen het hoofd van aangever terwijl deze op de grond ligt. Daarbij is bepleit dat er sprake is van een geslaagd beroep op noodweer, hetgeen dient te leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd. Voorts is verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 14 mei 2023 te Breda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met geschoeide voet) in/op/tegen diens gezicht en/of hoofd heeft geschopt en/of getrapt (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden;
hij op of omstreeks 14 mei 2023 te Breda, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten op of aan de Havermarkt, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij], welk geweld bestond uit:
- het (met kracht) op diens gezicht en/of hoofd stompen en/of slaan en/of stoten en/of - het meermalen, althans eenmaal (met kracht) schoppen en/of trappen tegen diens (boven)lichaam en/of
- het duwen van die [benadeelde partij] en/of
- het (met kracht) op/tegen de grond gooien en/of duwen van die [benadeelde partij] en/of
- het meermalen, althans eenmaal (met kracht) (met geschoeide voet) in/op/tegen het gezicht en/of hoofd schoppen en/of trappen van die [benadeelde partij] (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag).
Vrijspraak
Met de advocaat-generaal, de verdediging en de politierechter is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Dit betekent dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, al dan niet met een ander gepleegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
op 14 mei 2023 te Breda, met een ander, op of aan de openbare weg te weten op of aan de Havermarkt, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij], welk geweld bestond uit:
- het met kracht op diens hoofd stompen of slaan en
- het meermalen schoppen of trappen tegen diens (boven)lichaam en
- het duwen van die [benadeelde partij] en
- het (met kracht) tegen de grond gooien of duwen van die [benadeelde partij] en
- het meermalen (met geschoeide voet) in/op/tegen het gezicht en/of hoofd schoppen en/of trappen van die [benadeelde partij] (terwijl voornoemde [benadeelde partij] op de grond lag).
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van het schoppen tegen het hoofd. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het relaas van de verbalisanten ten aanzien van de beelden buiten beschouwing moet worden gelaten nu met het tonen van de beelden op de terechtzitting in hoger beroep niet door het hof is waargenomen dat er sprake is geweest van het schoppen tegen het hoofd door verdachte [verdachte]. Voorts is onder andere bepleit om de verklaring van de [getuige 1] buiten beschouwing te laten nu hij geen onafhankelijke getuige is en onder invloed was van alcohol. Voorts is bepleit om de verklaring van [getuige 2] buiten beschouwing te laten nu de verdediging de waarneming van deze getuige in twijfel trekt temeer omdat op de beelden het schoppen tegen het hoofd niet is te zien. Tot slot is verzocht om de afgelegde verklaring van [medeverdachte] bij de politie buiten beschouwing te laten nu [medeverdachte] deze verklaring op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft ingetrokken en hij deze verklaring slechts heeft afgelegd onder grote angst voor het langer verblijven op het politiebureau en door de sturende vragen van de verbalisanten. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de overige tenlastegelegde handelingen heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat aangever [benadeelde partij] in de nacht van 14 mei 2023 door [medeverdachte] en [verdachte], beiden werkzaam als beveiliger, uit het [café] te Breda is gezet wegens onwenselijk gedrag. Aangever was het hier niet mee eens, wilde verhaal halen en werd door [getuige 1] meegetrokken. Buiten het café zijn verdachten nog steeds bezig met aangever – ook wanneer aangever inmiddels niet meer voor [café] staat – naar eigen zeggen om over te gaan tot aanhouding van aangever. Aangever maakt een slaande beweging in de richting van [verdachte] die daarop aangever terugslaat waarna er een worsteling ontstaat. [medeverdachte] deelt op dat moment een trap uit tegen het bovenlichaam van aangever die daardoor in elkaar zakt, kort daarop volgt een tweede trap waarna [medeverdachte] aangever vastpakt en hem hard op de grond gooit, waarbij aangever hard met het hoofd op de grond belandt. Terwijl aangever op de grond ligt is hij nog bij bewustzijn, gelet op de bewegingen die hij dan maakt met armen en benen. Beide verdachten verzamelen zich daarna om aangever heen en worden na een tijdje door omstanders bij aangever weggetrokken, waarna aangever bewusteloos op de grond blijft liggen. In het ziekenhuis wordt aangever onderzocht en zijn er forse zwellingen in het aangezicht waargenomen en later blijkt dat aangever een zware hersenschudding heeft als gevolg van het voorval.
Ten aanzien van de handelingen met kracht op het hoofd van aangever stompen of slaan en het meermalen schoppen en trappen tegen het (boven)lichaam van aangever, het duwen van aangever en het (met kracht) tegen de grond gooien of duwen van aangever bestaat er geen twijfel: de verdachten hebben deze handelingen bekend en tegen deze tenlastegelegde handelingen is geen verweer gevoerd. Dit is anders ten aanzien van het tenlastegelegde schoppen tegen het hoofd terwijl aangever op de grond ligt.
Het hof is met de verdediging van oordeel dat op de beelden zoals getoond ter terechtzitting in hoger beroep niet is vast te stellen dat [verdachte] aangever heeft geschopt terwijl deze op de grond ligt. Het hof is echter van oordeel dat de getoonde beelden op zitting de schoppende handelingen van [verdachte] niet uitsluiten, dit te meer nu het hof ter terechtzitting in hoger beroep met de advocaat-generaal en de raadsvrouw heeft waargenomen dat [verdachte] meermaals zijn knie opheft en deze vervolgens weer neerzet vanaf het moment dat hij om aangever heen staat terwijl deze op de grond ligt. Ook heeft het hof ter terechtzitting waargenomen dat [verdachte] daarbij enkele malen wordt weggetrokken door omstanders.
[getuige 1], een vriend van aangever, heeft verklaard de schoppende handelingen wel te hebben waargenomen. Zo heeft [getuige 1] verklaard dat hij heeft gezien dat op het moment dat aangever op de grond ligt [verdachte] hem nog 3 of 4 trappen geeft tegen het hoofd en/of de borst. Nadat er door [verdachte] is getrapt en de verdachten door omstanders bij aangever zijn weggehaald, zag [getuige 1] dat aangever niet meer bij bewustzijn was. Het hof ziet anders dan de verdediging geen reden om de verklaring van [getuige 1] uit te sluiten van het bewijs wegens het onder invloed zijn van alcohol. Het hof acht daarbij van belang dat de verbalisanten, die kort na het voorval ter plaatse komen, relateren dat wel zichtbaar was dat [getuige 1] wat alcohol had gedronken, maar dat [getuige 1] niet de indruk maakte dat hij niet in staat was om een verklaring af te leggen. Met de verdediging is het hof van oordeel dat [getuige 1] niet kan worden gezien als een onafhankelijke getuige, maar dit alleen is onvoldoende om zijn verklaring van het bewijs uit te sluiten. Dit te meer nu zijn verklaring ondersteuning vindt in de verklaring van [getuige 2].
[getuige 2], een politieagent in burger, kwam net uit [café] en zag toen iemand op de grond liggen. Hij zag dat de portier van [café], zijnde [verdachte], naar de man op de grond toeliep en de persoon op de grond 2 à 3 schoppen tegen het hoofd gaf. Ondanks de omstandigheden dat [getuige 2] op ongeveer 12 meter van het gebeuren af stond en dat het voorval vrij kort heeft geduurd, is het hof van oordeel dat de verklaring van [getuige 2] en zijn proces-verbaal van bevindingen als bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof acht de verklaring van [getuige 2] betrouwbaar en overweegt daartoe onder andere dat [getuige 2] die avond nuchter was, hetgeen ook is gerelateerd door de ter plaatse komende verbalisanten die bij [getuige 2] geen enkele alcohollucht hebben waargenomen. Dat [getuige 2] op ongeveer 12 meter afstand van het voorval stond doet evenmin aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring af. Hij heeft immers verklaard dat hij vrij zicht had op aangever en dat dit zicht, ondanks de nacht, door de diverse (straat)verlichting erg goed was. Daarbij komt dat [getuige 2] in het dagelijks leven werkzaam is bij de politie en is getraind om zorgvuldig waar te nemen en te verbaliseren. Tot slot past zijn verklaring en proces-verbaal van bevindingen bij het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] waarin deze heeft gerelateerd dat er een man ([getuige 2]) naar hem toekwam en zei dat de beveiliger ongeveer 2 à 3 keer tegen het gezicht van aangever had geschopt terwijl die op de grond lag en ongeveer 3 meter van het incident had afgestaan.
Voorts heeft ook [medeverdachte] in zijn eerste verklaring bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat [verdachte] aangever tegen het gezicht/lichaam heeft geschopt terwijl aangever op de grond lag. [medeverdachte] heeft deze verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep ingetrokken en verklaard dat hetgeen hij eerder bij de politie heeft verklaard niet is gebeurd en dat hij niet heeft gezien dat [verdachte] aangever heeft getrapt terwijl deze op de grond lag. Het hof merkt op dat [medeverdachte] deze verklaring heeft ingetrokken nadat hij met [verdachte] heeft gesproken en samen met [verdachte] en zijn advocaat de beelden heeft bekeken. Door dit gesprek met [verdachte] is [medeverdachte] tot de conclusie gekomen dat hetgeen hij heeft verklaard bij de politie niet realistisch is geweest en dat hij uit paniek ‘zich eraan heeft toegegeven’.
Anders dan door de verdediging bepleit sluit het hof de verklaring van [medeverdachte] zoals bij de politie afgelegd niet uit. Het hof is van oordeel dat uit het proces-verbaal van verhoor niet is op te maken dat er sprake is geweest van sturende vragen door de politie dan wel dat er enige druk op [medeverdachte] is uitgeoefend waardoor [medeverdachte] niet anders heeft kunnen verklaren dan dat hij heeft gedaan. Zo blijkt uit het proces-verbaal dat [medeverdachte] alvorens de beelden worden getoond uit zichzelf komt met het verhaal dat [verdachte] aangever, terwijl deze op de grond lag, heeft geschopt en dat hij zelfs heeft geroepen ‘[verdachte] niet doen, laat hem’. Hierna zou [medeverdachte] aangever direct hebben losgelaten omdat hij heel erg schrok. Nadat [medeverdachte] de beelden zijn getoond, heeft [medeverdachte] verklaard dat alles wat hij zojuist eerder had verklaard ook op deze beelden te zien was. Afsluitend wordt [medeverdachte] daarna gevraagd of hij nog iets heeft toe te voegen aan zijn eigen verklaring waarop hij verklaard heeft dat hij niet achter de handelingen van zijn collega staat en dat het nooit zijn bedoeling is geweest.
Anders dan de verdediging acht het hof de eerste verklaring van [medeverdachte] zoals afgelegd bij de politie het meest betrouwbaar. Dit verhoor heeft immers kort na het voorval plaatsgevonden en [medeverdachte] heeft dit alles verklaard voordat hij de beelden heeft gezien en voordat hij met [verdachte] heeft gesproken over het voorval. Het intrekken van de verklaring komt pas na een gesprek met [verdachte], waarbij [verdachte] volgens [medeverdachte] aan hem heeft verteld dat het nooit zo heeft kunnen gaan en dat zelfs gezegd is ‘hoe kun je zo stom zijn om dit te zeggen, dat is helemaal niet gebeurd’. Het hof hecht op dit punt dan ook meer geloof aan de verklaring van [medeverdachte] bij de politie, dan aan die bij de politierechter en het gerechtshof.
Van het ‘in vereniging’ plegen van openlijk geweld is sprake, indien betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is bij een andere persoon die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
Uit het vorenstaande blijkt dat beide verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan diverse geweldshandelingen jegens aangever. Dit maakt naar het oordeel van het hof dat er sprake is van het in vereniging plegen van openlijk geweld. Bij het in vereniging plegen van openlijk geweld is de verdachte ook aansprakelijk voor de gedragingen van zijn mededader. Voor een bewezenverklaring van openlijk geweld in vereniging gepleegd tegen personen is immers niet vereist dat de verdachte zelf een bijdrage heeft geleverd aan alle bewezenverklaarde feitelijke gedragingen.
Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich samen met de medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging door aangever met kracht op het hoofd te stompen of slaan, het meermalen schoppen of trappen tegen het (boven)lichaam, het duwen van aangever, het (met kracht) tegen de grond gooien of duwen van aangever en het meermalen (met geschoeide voet) in/op/tegen het gezicht en/of hoofd schoppen en/of trappen van aangever terwijl aangever op de grond lag.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Verweer van de verdediging strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte en zijn medeverdachte een beroep op noodweer ingevolge artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht toekomt en dat hij om die reden dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Daartoe is aangevoerd dat aangever nadat hij uit het café was gezet niet wegging, maar steeds terugkwam en geweld gebruikte tegen de verdachten in de vorm van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waardoor de [verdachte] een fractuurtje aan zijn neus heeft opgelopen. Ook de vrienden van aangever laten zich op dat moment niet onbetuigd, bemoeien zich ermee en trekken aan de verdachten. Doordat aangever steeds de confrontatie blijft opzoeken, kan je volgens de verdediging als beveiliger je niet terugtrekken en moet je optreden. Ter voorkoming van escalatie zijn verdachten over gegaan tot aanhouding van aangever en zij hebben daarbij zichzelf en elkaar verdedigd tegen het geweld van aangever. Het handelen van verdachten was volgens de verdediging enkel gericht op het onder controle krijgen van aangever ter aanhouding en ter overdracht aan de politie. Uiteindelijk is de poging tot aanhouding gepaard gegaan met geweldshandelingen door verdachten, maar dit was volgens de verdediging gerechtvaardigd in reactie op het geweld van aangever. Het handelen stond volgens de verdediging in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding en is niet disproportioneel geweest waardoor er een geslaagd beroep kan worden gedaan op noodweer als gevolg waarvan de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Beoordeling van het verweer van de verdediging
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte heeft gehandeld uit noodweer.
Vooropgesteld moet worden dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden volgens artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding. De vraag of een gedraging geboden is door de noodzakelijke verdediging – waarmee onder meer de proportionaliteitseis tot uitdrukking wordt gebracht – van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beslissing daaromtrent komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval. Deze proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
Het hof gaat uit van de aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven. Hieruit volgt dat de aangever in beschonken toestand verkeerde, na de uitzetting bij het café zich onbetamelijk heeft gedragen en buiten het café [verdachte] een klap in het gezicht heeft gegeven. Op dat moment is er volgens het hof sprake van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van [verdachte] waartegen [verdachte] zich mocht verdedigen. Ook [medeverdachte] mocht tegen die aanval op [verdachte] verdedigend optreden, te meer nu kort daarvoor een confrontatie had plaatsgevonden waarbij aangever eveneens [verdachte] in het gezicht had geslagen. Aangever was agressief en heeft meermaals de confrontatie opgezocht. Het hof is van oordeel dat de eerste reactie van [verdachte], zijnde de klap in het gezicht van aangever, op dat moment een passende reactie was op het geweld van aangever.
Verdachten hebben ter terechtzitting verklaard dat ze naast [café] bezig waren om conform hun protocol aangever aan te houden en over te dragen aan de politie. Allereerst merkt het hof op dat uit het dossier onvoldoende is gebleken dat dit aangever destijds feitelijk kenbaar is gemaakt. [verdachte] heeft bij de politie alleen verklaard dat hij aangever wilde aanhouden. [medeverdachte] heeft hier bij de politie helemaal niets over verklaard. De door [medeverdachte] en [verdachte] uitgeoefende geweldshandelingen ná de eerste klap van [verdachte], zien naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet op het daadwerkelijk onder controle krijgen van aangever ter aanhouding. Het hof betrekt daarbij dat [verdachte] al 25 jaar werkzaam is als beveiliger en [medeverdachte] inmiddels 2 jaar werkzaam is als beveiliger. Gelet op de functies van de verdachten mag naar het oordeel van het hof een grotere mate van zelfbeheersing en rust worden verwacht dan van een gemiddelde burger.
Het hof is aldus van oordeel dat het na de eerste klap van [verdachte] toegepaste geweld jegens aangever disproportioneel is geweest. Na deze klap ontstaat er namelijk een worsteling tussen aangever, zijn vrienden en de verdachten, waarbij [medeverdachte] aangever tot twee maal toe op het (boven)lichaam trapt. Deze trappen zijn naar het oordeel van het hof gelet op de uiterlijke verschijningsvorm niet te kwalificeren als afhoudtrappen zoals bepleit door de verdediging. [medeverdachte] pakt na deze trappen aangever vast en gooit hem hard op de grond. Vervolgens houdt [medeverdachte] aangever op de grond waarna ook [verdachte] naar aangever op de grond toeloopt en hem trappen geeft tegen het hoofd. Dit geweld als reactie op de aanval van aangever staat naar het oordeel van het hof niet in redelijke verhouding tot de ernst van de eerdere aanranding van aangever zijnde een enkele klap in het gezicht van [verdachte].
Het hof verwerpt het beroep op noodweer.
Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft bepleit om rekening te houden met de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, de eerder opgelegde bestuursrechtelijke maatregel in de vorm van een gebiedsverbod alsmede het risico op het kwijtraken van de beveiligingspas met als gevolg het verliezen van werk.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich als beveiliger schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen. Dergelijke gedragingen in de publieke ruimte kunnen maatschappelijke gevoelens van onveiligheid teweegbrengen. Door te handelen zoals bewezen is verklaard hebben de verdachte en de medeverdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever.
Eerder heeft het hof al geoordeeld dat de verdachte met zijn handelen de grenzen van proportioneel geweld ten behoeve van een gestelde aanhouding heeft overschreden als gevolg waarvan aangever letsel heeft bekomen. Dit alles neemt het hof de verdachte kwalijk, temeer nu hij als beveiliger van een café, met 25 jaar werkervaring, gedurende de uitgaansuren geacht wordt om professioneel op te treden bij ongeregeldheden. Het hof heeft in de verklaringen van de verdachte gehoord dat hij zich geenszins verantwoordelijk voelt voor hetgeen aangever is overkomen.
Het hof realiseert zich dat de verdachte – die blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 februari 2026 een nagenoeg blanco strafblad heeft – de rest van zijn leven geconfronteerd zal worden met (de gevolgen van) zijn handelen en daardoor mogelijk niet meer in aanmerking komt voor een beveiligerspas.
Het hof heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Aangevoerd is onder meer dat verdachte 25 jaar werkzaam is als beveiliger en dat het aantal werkuren van zijn contract door het voorval en het eerdere gebiedsverbod is verminderd.
Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 14 mei 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 8 januari 2024 vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg niet is overschreden.
De aanvang van de redelijke termijn in hoger beroep stelt het hof vast op de datum waarop namens verdachte hoger beroep is ingesteld, te weten 19 januari 2024. Het einde van de termijn stelt het hof op 24 juni 2026, de datum waarop het hof arrest zal wijzen. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 5 maanden overschreden.
Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Echter zal het hof, gelet op de opgelegde straf, volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Vordering van de [benadeelde partij]
De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.821,32 te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering valt uiteen in de volgende posten:
a. € 368,45 eigen risico
b. € 119,83 oordoppen
c. € 399,00 bril
d. € 26,54 parkeerkosten
e. € 907,50 kosten rechtsbijstand
De politierechter heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering van de benadeelde partij afgewezen nu de bewezenverklaarde handelingen geen strafbaar feit opleverden.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij – gelet op het pleidooi – dient te worden afgewezen dan wel dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Oordeel hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Ad a.
Op basis van de stukken in het dossier kan genoegzaam worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen een bedrag van € 368,45 aan eigen risico heeft moeten betalen voor de kosten voor de ambulancerit op 14 mei 2023 en het verkrijgen van medicatie op 16 mei en 23 mei 2023. Het hof zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen.
Ad b en c.
Op basis van de stukken in het dossier kan het hof niet genoegzaam vaststellen dat de kosten voor de oordoppen en de bril verband houden met de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging. Hiertoe zijn de posten naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Het hof kan enkel aan de hand van de facturen vaststellen dat op 28 juni 2023 oordoppen en op 18 oktober 2023 een bril zijn/is besteld, maar een medische onderbouwing hiervoor die verband houdt met het bewezenverklaarde ontbreekt. Het hof wijst de vordering op dit punt dan ook af wegens het ontbreken van een causaal verband.
Ad d.
Het hof zal de reiskosten voor zover die zien op ritten van en naar het Amphia ziekenhuis in verband met afspraken ten behoeve van de neuroloog alsmede het ophalen van aangever bij de spoedeisende hulp toewijzen. Het overige deel van de reiskosten dat ziet op het laten aanmeten van de bril en de oordoppen zal het hof overeenkomstig hetgeen is geoordeeld onder ad b en c afwijzen. Het hof wijst de vordering op het punt van de reiskosten toe tot een bedrag van € 13,34. Het overige deel wijst het hof af.
Ad e.
De kosten van rechtsbijstand zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, maar als proceskosten als bedoeld in artikel 532 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering vordert, dient zij in zoverre in die vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het hof verklaart de benadeelde partij op dit punt van de vordering dan ook niet-ontvankelijk in de vordering.
resumé
Het hof zal toewijzen:
€ 368,45

13,34
€ 381,79
Het hof zal afwijzen een bedrag van € 532,02, zijnde de bedragen voor de aanschaf van oordoppen, een bril en de reiskosten ten behoeve van deze afspraken. De benadeelde partij wordt in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag van € 381,79 schadevergoeding zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. De aanvangsdatum van de wettelijke rente stelt het hof vast op 24 oktober 2023, zijn de datum waarop de vordering is ingediend.
Hoofdelijkheid
Het hof stelt vast dat de verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat beiden naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade.
proceskosten
Ingevolge artikel 532 van Pro het Wetboek van Strafvordering dient de rechter in zijn uitspraak te beslissen over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Een redelijke uitleg van artikel 532 van Pro het Wetboek van Strafvordering brengt mee dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van de proceskosten een zogenoemd liquidatietarief gehanteerd, zoals neergelegd in ‘Liquidatarief kanton’ of ‘Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven’. Deze tarieven zijn geen recht in de zin van artikel 79 van Pro de wet op de rechterlijke organisatie, maar slechts een de rechter niet bindende richtlijn. Een dergelijke richtlijn leent zich bovendien niet steeds voor directe toepassing op door de gemachtigde verrichte werkzaamheden ten behoeve van de benadeelde partij die zich in het strafproces heeft gevoegd (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Indien de proceskosten zouden worden begroot op het door de gemachtigde gevorderde bedrag zou dit tot een onredelijk hoge veroordeling in de proceskosten leiden.
Nu de onderhavige vordering van zeer eenvoudige aard is, zal het hof de proceskosten berekenen volgens het liquidatietarief. Voor de berekening van de proceskosten in eerste aanleg zal worden uitgegaan van het kantontarief en in hoger beroep van het tarief dat bij de rechtbank wordt gehanteerd. Dit betekent dat de proceskosten in eerste aanleg worden begroot op een bedrag van € 199,- (Liquidatietarief, kanton (2023), een punt à € 199,-). De proceskosten in hoger beroep worden berekend op € 554,- (Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven, tarief I (2026), 1 punt à € 554,- voor de aanwezigheid van de raadsman van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep). Dit betekent dat de proceskosten zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 753,-. Het hof wijst het meer gevorderde af.
Zoals hiervoor bepaald is het hof van oordeel dat beide verdachten gezamenlijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade als gevolg van het bewezenverklaarde handelen. Zij zijn dan ook hoofdelijk verbonden voor het geheel aan schade. Het hof is van oordeel dat nu de proceskosten eenmalig zijn gemaakt voor het indienen van een gezamenlijke vordering dan wel het geven van de toelichting op deze vordering bij de gelijktijdige doch niet gevoegde zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep, beide verdachten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gemaakte proceskosten van de benadeelde partij.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 381,79. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis;
bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 381,79 (driehonderdeenentachtig euro en negenenzeventig cent) ter zake van materiële schade,waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2023 tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 532,02 (vijfhonderd tweeëndertig euro en twee cent)aan materiële schade af;
verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 753,00 (zevenhonderd drieënvijftig euro)en wijst het meer gevorderde af
;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 381,79 (driehonderdeenentachtig euro en negenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2023 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 3 (drie) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. M.L.P. van Cruchten en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans en D.S. Yap, griffiers,
en op 24 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.