Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1692

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
20-001062-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 55 SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor invoer, vervoer en verwerking van metamfetamine en cocaïne

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het samen met anderen invoeren van harddrugs, bestaande uit metamfetamine en cocaïne, via pakketdiensten vanuit Mexico en Colombia naar Nederland. Daarnaast was hij betrokken bij het vervoer van een pakket metamfetamine binnen Nederland en bij het zuiveringsproces in een drugslaboratorium in een woning.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op verschillende momenten en locaties actief was in de drugshandel, onder meer door het regelen van afleveradressen, het betalen van verzendkosten, het volgen van pakketten en het deelnemen aan het productieproces van metamfetamine. Diverse chatberichten, telefoongegevens en observaties ondersteunden deze conclusies.

De verdediging voerde onder meer aan dat de verdachte niet wist van de inhoud van de pakketten en dat zijn aanwezigheid in het laboratorium toevallig was. Het hof verwierp deze verweren op basis van gedetailleerde communicatie en gedragingen van de verdachte.

Gelet op de ernst van de feiten, de maatschappelijke ontwrichting door harddrugs en het eerdere justitiële verleden van de verdachte, legde het hof een gevangenisstraf van 24 maanden op, met aftrek van voorarrest. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor invoer, vervoer en verwerking van harddrugs.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001062-23
Uitspraak : 25 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 30 maart 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-993336-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1997,
wonende te [adres 1]
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van
  • feit 1: ‘
  • feit 2: ‘
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts zijn de in beslaggenomen goederen verbeurdverklaard.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep door het hof zal worden bevestigd.
Namens de verdachte is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Gelet op het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof ervan uit dat het beslag reeds is afgehandeld, zodat het hof hierover geen nadere beslissing zal nemen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 maart 2021 te [plaats 2] , gemeente Midden-Delfland, en/of Den Haag en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk meermalen, althans éénmaal, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, in elk geval een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet, zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op één meer tijdstippen omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 maart 2021 te [plaats 2] , gemeente Midden-Delfland, en/of Den Haag en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van metamfetamine, in elk geval een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet, zijnde metamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen en voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s):
-
een pakket(ten) met daarin verborgen metamfetamine (in elk geval een materiaal bevattende een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet) met bestemming Nederland verzonden en/of laten verzenden;
-
contacten onderhouden met het oog op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een) pakket(ten) bevattende metamfetamine (in elk geval een materiaal bevattende een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet);
-
met het oog op de toezending van (een) pakket(ten) bevattende metamfetamine (in elk geval een materiaal bevattende een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet) een account bij een vervoerder aangemaakt;
-
de betaling van verzending van het/de pakket(ten) bevattende metamfetamine (in elk geval een materiaal bevattende een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet) verzorgd;
-
een afleveradres voor de aflevering van het/de pakket(ten) bevattende metamfetamine (in elk geval een materiaal bevattende een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet) verzorgd;
-
tussentijds contact onderhouden over de status van de toezending van het/de pakket(ten) bevattende metamfetamine (in elk geval een materiaal bevattende een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet);
-
de trackinggegevens van het/de pakket(ten) bevattende metamfetamine (in elk geval een materiaal bevattende een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet) bekeken;
2.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 16 februari 2021 te [plaats 1] en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk één of meer hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, heeft bewerkt en/of verwerkt en/of bereid en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of aanwezig gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij:
1. primairin de periode van 1 januari 2021 tot en met 1 maart 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet;
2.op tijdstippen in de periode van 1 januari 2021 tot en met 16 februari 2021 te [plaats 1] en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, heeft bewerkt en/of verwerkt en/of afgeleverd en/of vervoerd en aanwezig gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op dit verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkorte arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
I.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
Nu berichten – die door verschillende gebruikers zijn verzonden via de berichtendiensten ‘Threema’ en ‘WhatsApp’ – deel uitmaken van de bewijsmiddelen zal het hof ten behoeve van de leesbaarheid van het arrest starten met overwegingen ten aanzien van de identificatie van de gebruikers van de betreffende Threema- en WhatsApp-accounts alsmede van de telefoonnummers die betrokken zijn bij of genoemd worden in het berichtenverkeer ter zake van het bewezenverklaarde, gevolgd door een bespreking van de bewezenverklaarde feiten in chronologische volgorde van de gebeurtenissen. De bewijsoverwegingen zijn derhalve als volgt opgebouwd:
  • identificatie gebruikers Threema- en Whatsapp-accounts en telefoonnummers
  • feit 1 zending [zendingsnummer 1] aan [betrokkene 1]
  • feit 2 keukenlaboratorium in [plaats 1]
  • feit 1 zending [zendingsnummer 2] aan [betrokkene 2]
Identificatie gebruikers Threema- en WhatsApp-accounts en telefoonnummers
Telefoon [medeverdachte 1] en gebruik app Threema
In het onderzoek 26Hammond zijn op 16 februari 2021 meerdere aanhoudingen verricht waaronder de aanhouding van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op verdenking van overtreding van de Opiumwet. [medeverdachte 2] is aangehouden in zijn woning aan de [straat 1] te [plaats 1] waarbij in zijn keuken een laboratorium ter bewerking/productie van metamfetamine werd aangetroffen. [medeverdachte 1] is aangehouden op een [vakantiepark] waar ook een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de vakantiewoning waarin hij verbleef. Daarbij zijn twee iPhones (goednummers PR124.01.01.001 en KA038.02.02.001) inbeslaggenomen. Op deze telefoons van [medeverdachte 1] was de betaalde app en berichtendienst Threema, waarbij de privacy is gegarandeerd, geïnstalleerd. De berichtendienst Threema op de telefoons van [medeverdachte 1] is gebruikt gedurende de periode vanaf 3 november 2020 tot en met 15 februari 2021. Uit de chatberichten blijkt dat er via deze app is gecommuniceerd over, zoals het hof in het hiernavolgende vaststelt, de verzending van postpakketten voor (de voorbereiding van) de invoer van harddrugs.
[bijnaam 1] , [bijnaam 2] en [bijnaam 3]
Uit het onderzoek naar de gegevens van de telefoons die zijn inbeslaggenomen onder de medeverdachte [medeverdachte 1] is naar voren gekomen dat op beide toestellen gebruik werd gemaakt van het [telefoonnummer 1] en dat er een Threema-account aan dit telefoonnummer gekoppeld was. De gebruikersnamen van het Threema-account verschilden per telefoon. Op de iPhone 8 met goednummer PR124.01.01.001 werd de gebruikersnaam [bijnaam 1] gebruikt en op de iPhone 8 met goednummer KA03802.02.001 de gebruikersnaam [bijnaam 2] . Voorts is uit het onderzoek gebleken dat alle chatberichten vanuit de app Threema van de ene telefoon (met goednummer KA03802.02.001) waren overgezet naar de andere telefoon. Op beide telefoons is berichtenverkeer aangetroffen d.d. [geboortedatum 2] 2020 met een persoon die gebruik maakt van de gebruikersnaam ‘yooo’ aan wie het bericht gestuurd werd
Ben ook jarig vandaag maatje.Het hof merkt op dat [medeverdachte 1] op [geboortedatum 2] jarig is. Op de ene telefoon is dit bericht verstuurd door [bijnaam 2] en op de andere telefoon door [bijnaam 1] . [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van het [telefoonnummer 1] en dat hij meerdere telefoons heeft gehad. Daarnaast verklaarde [medeverdachte 1] dat hij gebruik maakte van de naam [bijnaam 2] (
het hof begrijpt: [bijnaam 2]) op zijn oude telefoon en van de naam [bijnaam 1] op zijn nieuwe telefoon. Hij wisselde van gebruikersnaam omdat het binnen de app Threema niet mogelijk was om gebruik te maken van eenzelfde gebruikersnaam op verschillende toestellen. Op de iPhone 8 met goednummer PR124.01.01.001 is tevens een WhatsApp-account met de naam [bijnaam 3] aangetroffen. [medeverdachte 1] bevestigde dat ook dit zijn account kon zijn. Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat [medeverdachte 1] gebruik maakte van het [telefoonnummer 1] en dat de Threema accounts ‘ [bijnaam 2] ’ en ‘ [bijnaam 1] ’evenals het WhatsApp-account ‘ [bijnaam 3] ’ aan [medeverdachte 1] kunnen worden toegeschreven.
[bijnaam 4]
Uit door [medeverdachte 1] gestuurde berichten in combinatie met hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard over zijn broer, valt af te leiden dat de gebruiker van het Threema-account [bijnaam 4] zijn tweelingbroer, tevens medeverdachte, [medeverdachte 2] betrof. Zo stuurde [medeverdachte 1] met account [bijnaam 1]
twin is twinen 3 seconden later
Alleen ik ben knapper. Vervolgens werd een aantal berichten later door [bijnaam 1] (hiervoor reeds geïdentificeerd als [medeverdachte 1] ) een screenshot gestuurd naar [bijnaam 4] waarop twee op elkaar lijkende gezichten te zien zijn. De screenshot betrof volgens de politie een schermafdruk van een videogesprek, waarin rechts bovenin een afbeelding verschijnt van een van de deelnemers aan het videogesprek en waaraan twee op elkaar gelijkende personen deelnamen. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep hierover verklaard dat zijn broer [medeverdachte 2] ook bezig was met drugs en dat hij op een gegeven moment een appgroep heeft gehad met ‘ [bijnaam 5] ’ en zijn broer ‘ [bijnaam 4] ’.
[bijnaam 5] , [bijnaam 6] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] .
[verdachte] is ook in hoger beroep bij zijn verklaring gebleven dat hij niet degene was die gebruik maakte van het Threema-account ‘ [bijnaam 5] ’. De verdachte heeft wel verklaard dat hij gebruik maakte van het [telefoonnummer 3] , behorend bij (de SIM-kaart in) de telefoon die in zijn jas van het merk Canadian Goose is aangetroffen.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte niet [bijnaam 5] was en wijst in dat verband naar de ontmoeting tussen ‘ [bijnaam 5] ’ met ‘ [bijnaam 1] ’ in Diemen die plaatshad om 13:30 uur. Uit de observatie is gebleken dat de verdachte pas om 14:14 uur aan kwam rijden, terwijl [medeverdachte 1] daarvoor al een woning was binnengegaan in Diemen. En op het moment dat de verdachte aan kwam rijden, kwam [medeverdachte 1] met een NN man naar buiten. De verdachte stapte uit en er volgde een begroeting, maar de verdachte nam verder niet deel aan het gesprek. Vervolgens stapte de NN man bij de verdachte in en reden zij weg. De verdachte heeft hierover verklaard dat hij daar in Diemen was om iemand weg te brengen en dat er van een criminele ontmoeting geen sprake was.
Ook het berichtenverkeer van 29 juni 2020 tussen [bijnaam 1] en [bijnaam 5] over de zwager [naam 1] maakt volgens de raadsvrouw niet dat de verdachte [bijnaam 5] betrof. Dit bericht is volgens de raadsvrouw uit zijn context gehaald en betreft slechts één los bericht.
Het hof is met de rechtbank, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, van oordeel dat [verdachte] de gebruiker was van het Threema account ‘ [bijnaam 5] ’ en overweegt daartoe als volgt.
In de eerste plaats kijkt het hof anders aan tegen de ontmoeting in Diemen.
Op 7 december 2020 werd tussen [bijnaam 1] en [bijnaam 5] via Threema een afspraak gemaakt om elkaar rond 13:30 uur in Diemen te ontmoeten. [bijnaam 5] liet [bijnaam 1] weten dat [bijnaam 5] een derde, door [bijnaam 5] in het Threema-gesprek geduid als
hem, over deze afspraak zou berichten. Door de politie is vervolgens op die bewuste 7 december 2020 tijdens een observatie het volgende waargenomen. Om 12:45 uur vertrok [medeverdachte 1] alleen en als bestuurder van een voertuig met [kenteken 1] , waarna dat voertuigom 13:30 uur geparkeerd werd aangetroffen ter hoogte van de [straat 2] in Diemen. Gezien werd dat [medeverdachte 1] 1 minuut later [nummer] in die straat binnenging. Een minuut nadat om 14:14 uur een zwarte Renault Clio met [kenteken 2] kwam aangereden, verliet [medeverdachte 1] dat perceel weer met een niet nader bekende man. Op dat moment werd waargenomen dat [verdachte] uit de zwarte Renault Clio stapte en in gesprek ging met [medeverdachte 1] en de man die bij [medeverdachte 1] was. Het observatieteam herkende [verdachte] toen hij uit deze Renault Clio stapte. De politie heeft video-opnamen van de ontmoeting tussen de drie mannen gemaakt en een schermafbeelding van deze ontmoeting waarop volgens de politie van links naar rechts staan afgebeeld: [verdachte] , [medeverdachte 1] en de niet nader bekende man, maakt deel uit van een proces-verbaal van bevindingen (pagina 349 van het eind-proces-verbaal). Het hof neemt op die afbeelding waar dat de persoon die uiterst links staat een kale man betreft, waarvan het zijprofiel zichtbaar is en die ruim een kop groter is dan de tweede man, volgens de politie [medeverdachte 1] , die direct naast hem staat. Die herkenning door de politie van deze man aan de linkerzijde, waarvan de omschrijving naar ’s hofs oordeel overigens ook past binnen het signalement van [verdachte] die sinds zijn kinderjaren al kampt met kaalheid, staat niet op zichzelf. [medeverdachte 1] heeft immers naar aanleiding van deze schermafbeelding bij de politie verklaard dat deze ontmoeting plaatshad in Diemen, waar [betrokkene 3] woonde. [medeverdachte 1] verklaarde dat hij daar was voor overleg en dat hij ‘ [verdachte] ; die kant op had laten komen. Het hof stelt vast dat het berichtenverkeer tussen de [medeverdachte 1] en [bijnaam 5] waarin zij een afspraak maakten voor een ontmoeting met een derde persoon in Diemen, past bij de waarnemingen van en herkenningen door het observatieteam. Immers, zij zagen vervolgens drie personen rondom het afgesproken tijdstip in Diemen bijeen komen en hebben hierover geverbaliseerd. Één van de ter plaatse gekomen personen herkende de politie [medeverdachte 1] en de volgende ter plaatse gekomen persoon als [verdachte] . Deze observaties werden door [medeverdachte 1] bevestigd, want bij het zien van de schermafbeelding verklaarde [medeverdachte 1] dat hij [verdachte] voor overleg naar Diemen had laten komen en voorts blijkt uit zijn verklaring dat de derde onbekend gebleven man volgens [medeverdachte 1] [betrokkene 3] betrof, die aldaar woonde. Dat [medeverdachte 1] met ‘ [verdachte] ’ zonder meer doelde op [verdachte] leidt het hof af uit de verklaring van [medeverdachte 1] , waarin hij kort tevoren naar aanleiding van een hem getoonde profielfoto van [verdachte] verklaarde deze persoon te kennen als [verdachte] . Uit hetgeen hiervoor is overwogen concludeert het hof reeds dat [verdachte] de gebruiker was van het Threema-account ‘ [bijnaam 5] ’, nu [verdachte] voor een ontmoeting (door de verdachte overleg genoemd) met [medeverdachte 1] naar het adres van de derde persoon in Diemen is gegaan.
Maar er is nog meer dat deze conclusie staaft. Uit het berichtenverkeer op Threema blijkt namelijk ook nog dat [bijnaam 5] een zwager heeft die [naam 1] heet. [medeverdachte 1] als [bijnaam 1] vroeg aan [bijnaam 5] op 2 januari 2021
Welke zwager bedoel je [naam 1] ? waarop [bijnaam 5] reageerde met
Hb maar 1.Uit politieonderzoek is gebleken dat verdachte [verdachte] één zus heeft die een zoontje heeft samen met [naam 1] . Naast het noemen door [bijnaam 5] van de naam van de zwager van [verdachte] , hetgeen naar ’s hofs oordeel zeer wel bijdraagt aan de identificatie van ‘ [bijnaam 5] ’, werd door de man die als [verdachte] werd herkend bij de observatie in Diemen en de [verdachte] die [medeverdachte 1] naar Diemen had laten komen ook nog gebruikt gemaakt van de zwarte Renault Clio die op naam stond van de overbuurvrouw van [verdachte] moeder. Ter zitting in eerste aanleg heeft [verdachte] omtrent deze auto nader verklaard dat deze zwarte Renault Clio de auto van zijn moeder betrof, waarvan verdachte [verdachte] in die tijd gebruikt maakte. In al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, ziet het hof louter bevestiging voor de conclusie dat verdachte [verdachte] de gebruiker was van het account ‘ [bijnaam 5] ’.
Ten aanzien van het [telefoonnummer 2] overweegt het hof als volgt.
Een chatconversatie van 24 januari 2021, begon met 3 berichten die [bijnaam 1] allemaal binnen één seconde om 23:38 uur stuurde naar [bijnaam 5] , te weten:
Stuur me adres,
Heb ik nodigen
Plus telefoon, nummer. Daarop reageerde [bijnaam 5] diezelfde nacht, inmiddels 25 januari 2021, met twee schermafbeeldingen en meerdere tekstberichten. Na de eerste schermafbeelding (om 01:14 uur), waarop een tekst staat vermeld die voor het hof voor wat betreft het daarin vermelde blauwe nummer niet goed leesbaar is (hof: wel leesbaar is
Dear Customer, your permanent lycamobile number is---blauw nummer---
and Your Customer Identification Pin is 2829. Thanks for using LycaMobile), reageerde [bijnaam 1] (om 01:16 uur) met het bericht
Oke dit is nummer. Hieruit leidt het hof af dat de blauwe tekst middenin de schermafbeelding een nummer vermeldt. Op de volgende schermafbeelding die [bijnaam 5] vervolgens (om 01:18 uur) stuurde naar [bijnaam 1] , neemt het hof waar adresgegevens van een telefooncontact, te weten
[adres 2](hof: huisnummer niet leesbaar)
[adres 2]en een bericht dat [bijnaam 1] voor het huisnummer in de andere telefoon moet kijken. In de berichten die zij in de navolgende minuten over en weer verstuurden spraken zij verder over een naam [betrokkene 1] (om 01:35 uur) en het laatste bericht tussen beiden in die nacht stuurde [bijnaam 1] om 01:37 uur, nadat hij [bijnaam 5] had laten weten
Morgen gaan ze sturen. Diezelfde avond om 19.00 uur vroeg [bijnaam 5]
Was die ene al verzonden naar adres?, waarop [bijnaam 1] om 21:58 uur liet weten
Zending is gestuurd bro. Om 21:58 uur liet [bijnaam 5] aan [bijnaam 1] weten
Krijg net binnenen
Op dit nummer, waarna [bijnaam 5] bevestigde dat het om een bericht ging en dat hij morgen (het hof begrijpt: 26 februari 2012)
wel eff langskomtbij [bijnaam 1] .
Nagenoeg tegelijk met de chatconversatie tussen [bijnaam 1] en [bijnaam 5] vond ook een (Spaanstalige) chatconversatie plaatsvond tussen ene ‘ [bijnaam 7] ’ en [bijnaam 1] . Zo stuurde [bijnaam 7] op 24 januari 2021 om 23:37 uur
Ik heb de rechtstreekse nodig, waarop [bijnaam 1] na middernacht om 01:15 uur reageerde met het sturen van een schermafbeelding. Vervolgens stuurde [bijnaam 1] om 01:32 uur twee berichten
Dit is het nummer [telefoonnummer 2]en
Ik zal je nu het adres sturen, waarop een minuut later volgde
[adres 2] Netherlands. Om 01:34 uur stuurde [bijnaam 7]
naam, waarop twee minuten later werd gereageerd door [bijnaam 1] met
Naam is = [betrokkene 1]. Diezelfde avond om 21:45 uur stuurde [bijnaam 1] naar [bijnaam 7]
Is de verzending uiteindelijk gedaan, waarna [bijnaam 7] direct reageerde met
jaen
Morgen stuur ik je de foto.
Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 1] (als [bijnaam 1] ) chatte met ‘ [bijnaam 7] ’ over een zending en in dat verband aan deze [bijnaam 7] desgevraagd een telefoonnummer, adres en naam verstrekte, die de verdachte op zijn beurt verkreeg door daarnaar te vragen bij de verdachte (als [bijnaam 5] ). Ook [medeverdachte 1] en de verdachte spraken evident over een zending. Het telefoonnummer dat de verdachte (als [bijnaam 5] ) met de schermafbeelding doorgaf was kennelijk voor de ontvangende verdachte wel goed leesbaar, gelet op het nummer dat hij op zijn beurt aan [bijnaam 7] doorgaf, te weten het nummer [telefoonnummer 2] .
Uit politieonderzoek is naar voren gekomen dat het doorgegeven nummer [telefoonnummer 2] in relatie kan worden gebracht met een pakket dat via koeriersdienst DHL uit Mexico werd verzonden op 25 januari 2021 aan de ontvanger: ‘ [betrokkene 1] ’, adres ontvanger: ‘ [adres 2] ’, telefoonnummer ontvanger: ‘ [telefoonnummer 2] ’. De invoerrechten voor die zending werden betaald door een klant van DHL, genaamd [verdachte] . Verder is naar voren gekomen dat het pakket op 6 februari 2021 om 12:37 uur bij de ontvanger was afgegeven. De politie heeft deze [betrokkene 1] als verdachte gehoord. Bij het tonen van een foto van de verdachte verklaarde [betrokkene 1] hem te kennen vanuit de buurt waar hij is opgegroeid en hij noemde hem ‘Kale’ en volgens [betrokkene 1] heet hij [verdachte] . Vervolgens verklaarde [betrokkene 1] dat hij voor die jongen waar zij het net over hadden begin 2021 had gevraagd om een filter te bestellen, hij had op dat moment geen adres en had een adres nodig. Hij had [betrokkene 1] toen gevraagd of hij [betrokkene 1] adres mocht gebruiken en hij had het pakket samen met [betrokkene 1] opgehaald bij het pakketpunt, zo’n groot DHL-punt in Ypenburg. Desgevraagd of [betrokkene 1] met ‘die jongen’ [verdachte] bedoelde waar de politie hem net een foto van had getoond, bevestigde [betrokkene 1] dat met
ja, die kale ja. [betrokkene 1] kon niets verklaren over het bij zijn naam vermelde [telefoonnummer 2] en ontkende dat het zijn nummer was.
Het hof gaat ervan uit dat de (air)waybill-/trackinggegevens, behorend bij het pakket aan [betrokkene 1] , zijn verzonden naar het daaraan gekoppelde telefoonnummer dat is opgegeven als het nummer van de ontvanger: [telefoonnummer 2] . Echter, het hof gaat er evenzo vanuit dat dit nummer niet toebehoorde aan die [betrokkene 1] . Het hof leidt dit niet alleen af uit de bevindingen van de politie dat dat dit nummer ook overigens bij enige andere zending in dit dossier is gebruikt als telefoonnummer, zoals bij een zending aan ‘ [betrokkene 2] ’. Het hof leidt dit met name af uit voormelde gespreksinhoud van de chatberichten tussen enerzijds de verdachte en [medeverdachte 1] en anderzijds tussen [medeverdachte 1] en ‘ [bijnaam 7] ’, bezien in samenhang met de verklaring van [betrokkene 1] , dat hij samen met de verdachte het pakket is gaan afhalen. Naar ’s hofs oordeel kan het dan ook niet anders dan dat die (air)waybill-/trackinggegevens zijn terechtgekomen bij de verdachte en dat hij dat nummer hiervoor gebruikte. Immers, hij (als [bijnaam 5] ) gaf het nummer door, hij hield vervolgens contact over de status van de zending en hij haalde deze uiteindelijk op. Daarbij betrekt het hof nog het volgende.
Uit politieonderzoek is gebleken dat dit nummer [telefoonnummer 2] bij herhaling een zendmast aanstraalde in [plaats 1] , zijnde toentertijd de woonplaats van de [medeverdachte 1] ( [adres 3] ), zo ook op 26 januari 2021. Op die dag zou de verdachte volgens de hiervoor aangehaalde chatgesprekken bij [medeverdachte 1] langsgaan. Maar ook op 15 februari 2021 om 23:48 uur straalde dit nummer een zendmast aan in [plaats 1] . In het onderzoek 26Hammond werd de volgende ochtend om 07:10 uur een inval gedaan in de woning aan de [straat 1] te [plaats 1] bij [medeverdachte 2] , waarbij in de keuken een drugslaboratorium werd aangetroffen. Bij binnentreden stuitte de politie op de bewoner, aldus medeverdachtes broer [medeverdachte 2] , maar op de bovenverdieping bleek zich ook de verdachte te bevinden. Zowel de verdachte als [medeverdachte 2] hebben verklaard dat de verdachte de dag ervoor in de woning was en daar had overnacht. Nadat de verdachte zijn persoonlijke gegevens had doorgegeven aan de politie mocht hij de woning verlaten. Uit onderzoek is vervolgens gebleken dat het [telefoonnummer 2] dat kort voor middernacht nog [plaats 1] aanstraalde, deze ochtend om 07:48 uur aanstraalde in [plaats 3] . Deze plaats is gelegen in de directe omgeving van [plaats 1] . Hierna bewoog dit nummer in de richting van [plaats 4] . Het hof stelt vast dat de verdachte woonachtig was in [plaats 2] , gelegen onder [plaats 4] . De aanwezigheid van het [telefoonnummer 2] in [plaats 1] kort voor middernacht op 15 februari 2021 op het moment dat de verdachte daar ook aanwezig was en het weggaan van dit nummer uit [plaats 1] in de vroege ochtend van 16 februari 2021 nadat de verdachte door de politie was heengezonden, betrekt het hof in zijn oordeel dat het de verdachte was die de gebruiker is geweest van het [telefoonnummer 2] .
Wat betreft de naam [bijnaam 6] stelt het hof vast dat [medeverdachte 1] , terwijl hij gedetineerd zat in de [detentieadres] , een telefoongesprek heeft gehad met een persoon genaamd [naam 2] . In dit gesprek werd door [medeverdachte 1] gesproken over zijn vriend ‘ [bijnaam 6] ’ en dat deze persoon binnen was toen ‘zij’ (
het hof begrijpt: de politie)binnen vielen en dat het raar is dat ze die persoon daarna lieten gaan. [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij met ‘ [bijnaam 6] ’ in dit gesprek de verdachte [verdachte] bedoelde. Volgens [medeverdachte 1] betekent ‘ [bijnaam 6] ’ in het Spaans ‘kale’. Het hof heeft ter terechtzitting waargenomen dat de verdachte [verdachte] geen haar op zijn hoofd heeft en daarmee past binnen de beschrijving van een ‘kale’ man. De verdachte heeft zelf verklaard dat dit sinds zijn zesde het geval is en dat dit is veroorzaakt door de ziekte alopecia. Het hof merkt voorts op dat de naam ‘ [bijnaam 6] ’ genoemd wordt in het berichtenverkeer tussen [bijnaam 1] ( [medeverdachte 1] ) en [bijnaam 4] (zijn broer [medeverdachte 2] ) op 29 december 2020 om 13:23 uur waarin werd gezegd
heb een groep aangemaakt met [bijnaam 6]waarna op hetzelfde moment een chatgroep werd aangemaakt tussen [bijnaam 1] ( [medeverdachte 1] ), [bijnaam 4] ( [medeverdachte 2] ) en [bijnaam 5] . Ook hierin ziet het hof bevestigd dat de verdachte werd aangeduid als ‘ [bijnaam 6] ’ en gebruik maakte van de Threema-gebruikersnaam [bijnaam 5] .
In een tapgesprek van [medeverdachte 1] in de PI werden ook de namen ‘ [bijnaam 8] ’ en ‘ [bijnaam 9] ’ gebruikt, waarna in een later tapgesprek met dezelfde persoon het [telefoonnummer 3] werd doorgegeven. [medeverdachte 1] bevestigde bij de politie dat met ‘ [bijnaam 8] ’ en ‘ [bijnaam 9] ’ de [verdachte] werd bedoeld. Voorts is gebleken dat het [telefoonnummer 3] hoorde bij de (SIM-kaart in de) Nokia telefoon die is aangetroffen in de jas van het merk Canadian Goose in de woning van de verdachte en waarover de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer betrof.
Gelet op al het vorenstaande concludeert het hof dat de verdachte de gebruiker is geweest van het Threema-account [bijnaam 5] , dat hij (in de chat- en tapgesprekken) afwisselend [bijnaam 6] , [bijnaam 8] of [bijnaam 9] werd genoemd en dat hij gebruik heeft gemaakt van de [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] .
Feit 1 primair -- zending [zendingsnummer 1]
De verdachte wordt onder feit 1 primair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan kort gezegd tezamen en in vereniging met anderen binnen het grondgebied van Nederland brengen van metamfetamine, althans verdovende middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet, oor het verzenden van pakketten met die middelen naar Nederland en deze pakketten steeds op een adres van een derde te laten bezorgen.
Tegen de achtergrond van het politiedossier begrijpt het hof deze beschuldiging aldus dat de verdachte zich in ieder geval samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan twee voltooide invoeren, waaronder van metamfetamine, waarbij een pakket afkomstig was uit Mexico en werd afgeleverd aan (het adres van) [betrokkene 1] en een pakket afkomstig uit Colombia, dat werd afgeleverd aan (het adres van) [betrokkene 2] .
Gelet op de verwevenheid van de zending met het nummer [zendingsnummer 1] van feit 1 en feit 2 zal het hof deze feiten achtereenvolgend bespreken.
In hoger beroep zijn in de kern de volgende verweren gevoerd tegen een bewezenverklaring van de invoer van metamfetamine door de verzending van het pakket bevattende verdovende middelen naar [betrokkene 1] .
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. De verdachte wist niet dat er in het pakket aan [betrokkene 1] metamfetamine of een soortgelijk verdovend middel zat. Dit volgt uit het gegeven dat de verdachte in relatie tot die zending gebruik heeft gemaakt van zijn eigen naam bij een betaling en een account heeft aangemaakt met zijn eigen IP-adres. Anders dan andere verdachten in het onderzoek 26Hammond heeft de verdachte niet geprobeerd zijn identiteit af te schermen. Evenmin zijn er versleutelde telefoon- en berichtendiensten op zijn telefoon gevonden. De verdachte heeft verklaard dat hij het adres van [betrokkene 1] heeft geregeld voor een vriend, waarvan hij de naam niet wil zeggen. Voorts heeft hij bevestigd dat hij het pakket heeft opgehaald bij het DHL-ophaalpunt, hetgeen overeenkomt met de verklaring van [betrokkene 1] . Voorts kan niet worden vastgesteld dat in het pakket aan [betrokkene 1] verdovende middelen hebben gezeten. Zo heeft [medeverdachte 1] op 21 en 23 september 2021 verklaard dat er in deze zending niets zat. Bovendien blijkt uit het douane controleformulier dat de Nederlandse douane het pakket met waybillnummer [zendingsnummer 1] heeft gecontroleerd op zowel cocaïne als metamfetamine. Ten aanzien van het OVC-gesprek van 9 februari 2021 in de auto van [medeverdachte 1] heeft de verdachte verklaard dat dit grootspraak was en dat hij enkel aan het meepraten was.
Het hof overweegt als volgt.
Op 25 januari 2021 werd vanuit Mexico door [afzender] een pakket verzonden met (air)waybillnummer [zendingsnummer 1] en geadresseerd aan (het adres van) [betrokkene 1] , [adres 2] . De inhoud van het pakket bevatte ‘carbon filter voor swimming pools’ en woog 36 kilogram. Voor de verzending van het pakket werd € 280,27 betaald. Op 6 februari 2021werd dit pakket geleverd aan [betrokkene 1] . [medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wist dat het pakket dat naar [betrokkene 1] werd verstuurd metamfetamine bevatte, dat dit pakket is afgehaald en vervolgens is afgeleverd bij zijn tweelingbroer [medeverdachte 2] . Zijn tweelingbroer was volgens [medeverdachte 1] doende de inhoud van het pakket uit te wassen toen de politie bij hem binnenviel. [medeverdachte 1] verklaarde voorts dat de verdovende middelen die in de woning van zijn broer [medeverdachte 2] zijn aangetroffen, afkomstig waren uit het pakket dat naar [betrokkene 1] was verstuurd.
De verklaring van [medeverdachte 1] sluit aan op de bevindingen van de politie tijdens de doorzoeking op het adres van [medeverdachte 2] aan de [straat 1] te [plaats 1] waarbij in de keuken een laboratorium werd aangetroffen voor de bewerking en/of productie van metamfetamine. In dit zogenoemde laboratorium stond een speciebak met inhoud waaruit monsters zijn genomen van zwarte korrels waarin sporen van metamfetamine werden aangetroffen. De politie vermoedde dat deze zwarte korrels actieve kool betrof. Op basis van de bevindingen tijdens voornoemde doorzoeking en de verklaring van [medeverdachte 1] stelt het hof dan ook vast dat in het pakket dat aan [betrokkene 1] was verzonden carbon filters dan wel koolstoffilters zaten met daarin actieve kool, bevattende metafmetamine.
De verdachte was – zoals ook is verklaard door de verdachte en [betrokkene 1] – degene die samen met [betrokkene 1] het pakket heeft opgehaald en die de invoer en BTW kosten à € 280,27 op 30 januari 2021 heeft betaald. De verdachte zou ook het adres van [betrokkene 1] hebben geregeld en een account bij vervoerder DHL hebben aangemaakt om de betaling voor de verzending te voldoen, maar buiten deze handelingen ontkent de verdachte enige verdere betrokkenheid bij het pakket te hebben en wist hij naar eigen zeggen niets van de inhoud van het pakket.
Voor de betrokkenheid van de verdachte bij het betreffende pakket aan [betrokkene 1] ziet het hof bevestiging en nadere verduidelijking in de Threema-berichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . Uit de berichten tussen [medeverdachte 1] (als [bijnaam 1] ) en de verdachte (als [bijnaam 5] ) volgt dat de verdachte op 25 januari 2021 het adres van [betrokkene 1] doorgaf aan [medeverdachte 1] , waarna [medeverdachte 1] zei dat ze
hetmorgen (hof: aldus 26 januari 2021) gaan sturen. Vervolgens blijkt uit Threema-berichten dat verdachte het pakket volgde. Zo stuurde de verdachte op de dag dat het pakket is opgehaald (6 februari 2021) om 10:05 uur het bericht
maar ik ga gewoon die jongen voor 13 uur laten gaat. Die pakket is daar denk ik alen om 11:23 uur
ik moet zo die jongen ophalen en dan naar die pakket voordat die dichtgaan.Vervolgens werd het pakket een uur later om 12:37 uur opgehaald door [betrokkene 1] in aanwezigheid van de verdachte.
Anders dan de verdediging en de verdachte het willen doen voorkomen is het hof van oordeel dat de verdachte wel degelijk wetenschap heeft gehad van de inhoud van het pakket aan [betrokkene 1] . Zo verklaarde [betrokkene 1] , nadat hem een foto van de verdachte was getoond, dat de verdachte hem gevraagd had of hij zijn adres mocht gebruiken voor het opsturen van een ‘filter’ ‘voor een vijver ofzo’. Dit duidt op meer kennis over de inhoud van het pakket dan de verdachte doet voorkomen. De wetenschap van de inhoud van het pakket bij de verdachte blijkt voorts uit het OVC-gesprek in de auto van [medeverdachte 1] op 9 februari 2021 tussen [medeverdachte 1] en een NN-man die – zoals overigens ook uit dit gesprek blijkt – al sinds zijn 6de kaal is als gevolg van een immuunziekte. Het hof geeft de inhoud van dat gesprek hierna weer in cursief.
File 2681, Vanaf 14:03:42 uur
3(het hof: 003 betreft hier steeds [medeverdachte 1] )
: Beuken maatje.
NN: NTV.
003: Ik ben blij man.
NN: Deze even snel klaar maken NTV.
003: Ik ben zo blij gappie. Die andere is NTV. Tonnetje omzet ouwe, bizar he binnen een maandje als alles goed gaat.
NN: Alles gaat goed jongen.
003: Ja.
NN: Het is echt bizar man, douane heeft hem gewoon open gemaakt ze hebben, ze hebben zelfs die kool getest he gewoon dat spul wat erin zit hebben ze allemaal getest.
003: Waaro?
NN: Bij de douane.
003: Wanneer net?
NN: Nee van die buis, van die buis toch.
003: Die we net krijgen bedoel je?
NN: Ja die we hebben gekregen.
003: Hebben ze die getest?
NN: Ja man.
003: Staat erop?
NN: Uh nee maar je ziet dat die is opengemaakt, ze hebben hem weer met tape dichtgemaakt en je ziet gewoon dat er allemaal, er zaten allemaal NTV ook in de doos enzo weet je. Dus je zag gewoon dat ze dat hadden getest.
003: Kwam niets uit
NN: NTV denken dat die man eerst het spul erin gooit, dan zit het spul onder en dan gewoon normale kolen NTV. Dus als ze testen NTV dat het gewoon normale shit is.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij dit gesprek heeft gevoerd met de verdachte. Ook het hof stelt vast dat de NN-man in het OVC-gesprek vertelde een auto-immuunziekte te hebben en dat hij al sinds zijn zesde kaal is. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een auto-immuunziekte heeft en hiervoor is reeds overwogen dat het hof bij gelegenheid van de terechtzitting heeft waargenomen dat de verdachte past binnen de beschrijving van een kale man. De verdachte heeft verklaard dat hij samen met [betrokkene 1] het pakket heeft opgehaald en dit pakket heeft afgegeven aan iemand bij een tankstation. Dat er hier sprake zou zijn geweest van grootspraak zoals door de verdachte is verklaard, schuift het hof ter zijde. Naar eigen zeggen heeft de verdachte de inhoud van het pakket niet gezien. Naar het oordeel van het hof komt dit scenario niet overeen met voormeld gesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . In dat OVC-gesprek beschikte de verdachte over meer informatie dan louter uit de buitenzijde van een pakket valt af te leiden en zichtbaar was. Zo heeft de verdachte gezegd dat het pakket door de douane is onderzocht en dat in de buis kool zat. Dit kan de verdachte niet hebben geweten als hij geen kennis zou hebben van de specifieke inhoud van het pakket. De onderzochte zending bestond uit een ‘Carbon filter’ voor – zoals het hof begrijpt – een zwembad. De inhoud van het OVC-gesprek voor wat betreft de informatie waarover de verdachte beschikte is naar het oordeel van het hof te gedetailleerd om te worden geschaard in de categorie grootspraak en bevat bovendien verwijzingen naar veel geld dat kan worden verdiend en een mogelijke manier van vullen van de buizen waardoor de douane niet ontdekt wat er werkelijk in (verhuld) zit. Dit past bij de invoer van verboden goederen zoals drugs en duidt naar het oordeel van het hof op wetenschap van de inhoud van het pakket. Deze wetenschap van de verdachte vindt voorts bevestiging in hetgeen hierna wordt overwogen ter zake van feit 2 voor wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het verwerken van metamfetamine in het laboratorium in de woning van de broer van [medeverdachte 1] . Daarvan uitgaande wist de verdachte dus zeer wel waar het hier om ging, namelijk om metamfetamine die hij – zoals hieronder nog wordt uiteengezet – naast het mee invoeren en mee ophalen ook mee heeft vervoerd en mee heeft be-/verwerkt. Dat en voor zover de douane die metamfetamine bij enige controle - ook al zou daarbij zijn getest op metamfetamine en/of cocaïne en - deze niet heeft aangetroffen, is niet een omstandigheid die de verdachte kan vrijpleiten. Immers, enige aanwijzing dat van doorlaten sprake zou zijn, ontbreekt en overigens leidt het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat deze carbon filter samen met [verdachte] in de woning van [medeverdachte 2] is beland en dat de inhoud van die filter mede door [verdachte] is be-/verwerkt en zich daarin metamfetamine heeft bevonden, zoals deze in die woning is aangetroffen. Dat er in die woning metamfetamine is aangetroffen is overigens ook niet door [verdachte] betwist.
Gelet op het hiervoor overwogene concludeert het hof dat [medeverdachte 1] via de verdachte gegevens heeft gekregen voor het verzenden van een pakket met zendingsnummer [zendingsnummer 1] vanuit Mexico aan [betrokkene 1] op de [adres 2] . De verdachte heeft het adres van [betrokkene 1] geregeld, de kosten voor dit pakket voldaan, het pakket gevolgd en dit samen met [betrokkene 1] opgehaald bij het ophaalpunt van DHL. In het pakket zaten koolstoffilters gevuld met zwarte korrels die metamfetamine bevatten, het pakket is gecontroleerd door de douane en na een negatieve test op cocaïne vrijgegeven en uiteindelijk terecht gekomen in het drugslaboratorium in de keuken van de woning van [medeverdachte 2] alwaar de metamfetamine is uitgewassen. Gelet op het OVC gesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1] over het onderzoek van de douane, het feit dat de verdachte in de woning van [medeverdachte 2] verbleef waar de politie het laboratorium heeft aangetroffen en zijn betrokkenheid bij het verwerken van metamfetamine zoals onder feit 2 is overwogen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat het betreffende pakket metamfetamine bevatte.
Het hof acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met andere middelen als bedoel op lijst I van de Opiumwet heeft ingevoerd in Nederland en daarmee het onder feit 1 tenlastegelegde ten aanzien van het pakket met zendingsnummer [zendingsnummer 1] heeft begaan.
Feit 2
De verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan kort gezegd tezamen en in vereniging met anderen ver-/bewerken, bereiden, afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van metamfetamine.
In hoger beroep zijn in de kern de volgende verweren gevoerd tegen een bewezenverklaring van dit feit.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de rechtbank de verdachte heeft veroordeeld als medepleger van dit feit op grond van enkele chats en de enkele aanwezigheid van de verdachte op de locatie waar drugs zijn aangetroffen. Dit is onvoldoende om medeplegen aan te nemen. Zo bevat het dossier geen bewijs dat de verdachte degene is geweest die de filters heeft geplaatst of gebruikt voor het bewerken van metamfetamine. Verder bevat het dossier geen sporen die de verdachte direct koppelen aan het productieproces of de apparatuur. Hoewel de verdachte in de woning aanwezig was vanwege de avondklok (hof: die volgens de verdachte toentertijd gold als een van de corona-maatregelen van overheidswege), heeft de verdachte niet kunnen zien dat er een laboratorium was opgezet en is geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de verwerking van metamfetamine.
Het hof overweegt als volgt.
Op 16 februari 2021 om 07:10 uur werd in het kader van onderzoek Hammond II de woning van [medeverdachte 2] aan de [straat 1] te [plaats 1] doorzocht. Tijdens de doorzoeking werd op de bovenverdieping een man aangetroffen die zich legitimeerde als de verdachte. Zowel de verdachte als [medeverdachte 2] hebben verklaard dat de verdachte de avond daarvoor was gekomen en dat hij heeft overnacht in de woning van [medeverdachte 2] . De verdachte heeft ook in hoger beroep zijn betrokkenheid van bij het aangetroffen drugslaboratorium in de woning van [medeverdachte 2] ontkend. Hierboven heeft het hof vastgesteld dat de verdachte gebruik maakte van het Threema-account ‘ [bijnaam 5] ’ en het [telefoonnummer 2] .
Ondanks dat de verdachte is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 2] alwaar er een drugslaboratorium in werking was, heeft de verdediging aldus bepleit dat de verdachte dit laboratorium niet heeft kunnen zien. Gesteld is in dat verband dat de voorwerpen die in relatie kunnen worden gebracht met het laboratorium zijn aangetroffen in kasten en achter in de keuken.
Naar het oordeel van het hof heeft verdachte meegewerkt in het laboratorium in de woning van [medeverdachte 2] .
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat de zending met nummer [zendingsnummer 1] metamfetamine bevatte die uiteindelijk is afgeleverd bij [medeverdachte 2] ter ver-/bewerking van de metamfetamine. Dit is het pakket waarvoor de verdachte het adres heeft geregeld, de betaling heeft voldaan en dit is het pakket dat hij samen met [betrokkene 1] heeft opgehaald. Voorafgaande aan de binnenkomst van deze zending met nummer [zendingsnummer 1] was een groepsgesprek gaande tussen [bijnaam 5] , [bijnaam 4] en [bijnaam 1] waarbij [bijnaam 5] zei
Yoo [bijnaam 4] , houd je dit weekend vrij denk dat we dn kunnen knallen al(4 februari 2021)
, gaan we vanavond beginnen met knallen(6 februari 2021)
, de rest is gelet vn drogen toch [bijnaam 4]en
‘Oke gaan we dn gelijk knallen?(beide 10 februari 2021). In de context bezien van de in deze tijd geleverde filter, die in [plaats 1] werd aangetroffen, kunnen deze gesprekken naar ’s hofs oordeel over niets anders gaan dan over het ver-/bewerken van drugs. Bij dat oordeel betrekt het hof ook de volgende omstandigheden.
Kort na deze berichten straalde het [telefoonnummer 2] bij de verdachte in gebruik, vanaf 11 februari 2021 aan op een mast in [plaats 1] . Ook de daaropvolgende dagen 12, 13, 14 en 15 februari 2021 straalde dat nummer aan op een mast in [plaats 1] . Opvallend is dat het telefoonnummer ook op 15 februari 2021 om 23.48 uur aanstraalde in [plaats 1] , de avond dat de verdachte in verband met de avondklok bij [medeverdachte 2] verbleef evenals gedurende de daaropvolgende nacht. Op 16 februari 2021 vond een doorzoeking plaats in die woning aan de [straat 1] te [plaats 1] en toen was de verdachte nog steeds in die woning. Hij werd daar aangetroffen op de bovenverdieping. Nadat de verdachte zijn gegevens had doorgegeven mocht hij de woning verlaten. Uit de zendmastgegevens bleek dat het nummer [telefoonnummer 2] op 16 februari 2021 om 07:48 uur nadat de verdachte uit de woning van [medeverdachte 2] was weggestuurd door de politie, een zendmast in [plaats 3] aanstraalde. Dit betrof een zendmast in de directe omgeving van [plaats 1] , waaruit het hof afleidt dat het nummer in beweging was en het gebied waarbinnen de zendmast van [plaats 1] werd aangestraald, verliet. Die conclusie vindt bevestiging in het feit dat het nummer vervolgens richting [plaats 4] bewoog, aldus richting verdachtes woonplaats [plaats 2] , gelegen onder [plaats 4] .
Zoals reeds hiervoor is benoemd, werd tijdens de doorzoeking een keukenlaboratorium aangetroffen, alwaar metamfetamine werd bewerkt. Bij de doorzoeking werden onder andere 2 liter metamfetamine in aceton en 920 gram kristallen, indicatief getest op metamfetamine, aangetroffen. Volgens de ingeschakelde Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO) die ter plaatse onderzoek deed, werden in deze keuken vermoedelijk synthetische drugs vervaardigd. Op basis van de aangetroffen goederen en stoffen waren de bevindingen dat (ruwe) metamfetamine base(olie) met actief kool werd gezuiverd waarna de gezuiverde metamfetamine base met behulp van aceton en zoutzuur werd omgezet in metamfetamine kristallen, die vervolgens in een vergiet en pannetje werden schoongemaakt met aceton in een spuitflacon.
In de open keuken was een filtersysteem gemaakt van een 18,9 liter waterfles met daarbovenop met tape bevestigd een emmer met daarin een stuk witte katoenen doek dienend als filter, vervuild met zwart materiaal (actief kool, aldus de LFO). Dat de verdachte deelnam aan het zuiveringsproces zoals door het LFO aangetroffen, ziet het hof bevestigd in hetgeen is besproken tussen [bijnaam 5] en [bijnaam 1] op 7 februari 2021. [medeverdachte 1] vroeg als [bijnaam 1] aan de verdachte als [bijnaam 5]
gaat het lukken zonder laken?waarop de verdachte reageerde
we hebben kussensloop gepakt. Dit gesprek ziet naar ’s hofs oordeel onmiskenbaar op een witte kussensloop die door [bijnaam 5] , zijnde verdachte, was gepakt en die als filter is gebruikt en vervuild met zwart actief kool is aangetroffen bij de doorzoeking.
Tot slot wijst het hof in dit verband nog op het tapgesprek van 23 maart 2021, waarin [medeverdachte 1] vanuit de PI sprak met ene [naam 2] . Het hof heeft hiervoor reeds geconcludeerd dat [medeverdachte 1] met ‘ [bijnaam 6] ’ in dit gesprek de verdachte heeft bedoeld. Uit dit gesprek leidt het hof af dat [medeverdachte 1] het wel raar vond dat de verdachte de woning van zijn broer mocht verlaten van de politie, hetgeen eveneens bijdraagt aan de betrokkenheid van de verdachte bij het laboratorium. Het hof zal de inhoud van dat gesprek hierna weergeven in cursief.
003:(hof: met 003 wordt steeds [medeverdachte 1] bedoeld)
Ik zit hier opgesloten net zoals een kip.
Wil: dat vertelde [bijnaam 6] mij. [bijnaam 6] was naar mijn huis gekomen en vertelde mij dat Wat er was gebeurd?
003: Welke [bijnaam 6] ?
Wil: Jouw vriend.
003: Aahhhhh jaja ja ja. Ja, man, hij was daar toen zij binnen vielen, toch?
Wil: Ja, en wat raar dat ze hem lieten gaan en hij was daar in het huis van jouw broer.
003: Ja, dat hebben ze mij verteld, wij hebben niets gehoord en je hoort alles daar, maar ja dat vertelde hij mij. Gelukkig hebben ze hem laten gaan, man.
Al het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof tot de conclusie dat de verdachte niet toevalligerwijs in de woning van [medeverdachte 2] was, maar dat hij actief heeft meegeholpen in het in die woning aangetroffen drugslaboratorium waar ruwe metamfetamine base(olie) met actief kool werd gezuiverd. De vraag of de goederen en materialen die hierop betrekking hadden wel of niet goed zichtbaar waren voor een bezoeker of verborgen waren is derhalve niet relevant.
Feit 1 primair -- zending [zendingsnummer 2]
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ten aanzien van de zending aan [betrokkene 2] nu niet kan worden vastgesteld dat het hier om metamfetamine ging, nu deze zending 400 gram cocaïne bevatte. De rechtbank heeft volgens de raadsvrouw aldus ten onrechte de voltooide import van metamfetamine bewezenverklaard.
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het medeplegen bepleit dat de rechtbank ten onrechte heeft bewezen geacht dat de verdachte de naam en het adres van [betrokkene 2] heeft verschaft aan [medeverdachte 1] . De verdachte kent [betrokkene 2] niet en weet ook niet waar hij woont. Daar komt bij dat het gesprek over het adres van [betrokkene 2] wordt gevoerd tussen [bijnaam 1] , zijnde [medeverdachte 1] , enerzijds en [naam 5] anderszijds. Daarbij wordt door [medeverdachte 1] ook het telefoonnummer van [betrokkene 1] door gegeven zijnde [telefoonnummer 2] , aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Op 11 februari 2021 werd vanuit Colombia door [naam 3] een pakket verzonden met (air)waybillnummer [zendingsnummer 2] en met als geadresseerde [betrokkene 2] , [adres 4] (
het hof begrijpt [adres 4] )te [plaats 4] . Het pakket bevatte decoratieve glazen met een totaal gewicht van 14,5 kilogram. De invoerrechten betroffen € 99,15. De zending werd op 3 maart 2021 om 11:39 uur afgeleverd in [plaats 4] aan [naam 4] Op het adres van [betrokkene 2] stond ene [naam 4] ingeschreven, wier gegevens lijken overeen te komen met de aflevergegevens van het pakket. [medeverdachte 1] is in het onderzoek 26Hammond op 16 februari 2021 aangehouden. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij ten aanzien van dit pakket het adres had geregeld en dat hij wist dat in dit pakket cocaïne zou zitten. Dit komt overeen met hetgeen uit het dossier is gebleken. Zo vond een chatgesprek op 6 februari 2021 plaats tussen ene ‘ [naam 5] ’ en [medeverdachte 1] als [bijnaam 1] waarbij ‘ [naam 5] ’ zei dat hij een adres nodig hadt omdat hij al 400 gram klaar had. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat die 400 gram zag op cocaïne. Hierna stuurde [medeverdachte 1] een afbeelding met daarop het adres van [betrokkene 2] aan de [adres 4] alsmede het [telefoonnummer 2] , zijnde het telefoonnummer dat het hof reeds hiervoor aan de verdachte als gebruiker van dat nummer heeft toegeschreven. De raadsvrouw is bij haar pleidooi voorbij gegaan aan het feit dat dit door [medeverdachte 1] verzonden adres reeds eerder op 3 februari 2021 aan hem was toegezonden door [bijnaam 5] , zijnde de verdachte. In diezelfde chatconversatie stuurde [bijnaam 5] ook het [telefoonnummer 2] . Dit is anders dan de raadsvrouw heeft bepleit niet het telefoonnummer van [betrokkene 1] , maar dit telefoonnummer werd gebruikt door de verdachte om te koppelen aan de zendingen en dat was inderdaad ook het geval bij de zending aan [betrokkene 1] . Ook toen gaf de verdachte dit nummer door.
Dat de verdachte overigens ook van de hoed en de rand wist bij deze zending, blijkt nog uit het navolgende Threema-berichten. Tijdens het gesprek van 3 februari 2021 vroeg [medeverdachte 1] als [bijnaam 1]
track is uit Ecua tochen
of Colo?waarop de verdachte als [bijnaam 5] berichtte
Ga ik nu checken
Bogota.Het hof stelt vast dat dit overeenkomt met de afzender van het pakket uit Bogota Colombia. Vervolgens hadden [bijnaam 5] , zijnde de verdachte, en [bijnaam 1] , zijnde [medeverdachte 1] , op 12 februari 2021 contact waarbij [medeverdachte 1] berichtte
dan aankomende week broen
binnen.De verdachte berichtte hierop
Jaa maandag schatten ze. Ook deze berichten komen overeen met de gegevens van de zending. Zo is het pakket op 11 februari 2021 verzonden naar het adres van [betrokkene 2] .
Gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] gaat het hof er vanuit dat de zending [zendingsnummer 2] aan [betrokkene 2] cocaïne bevatte. Voorts concludeert het hof dat de verdachte het adres van [betrokkene 2] heeft verstrekt aan [medeverdachte 1] en met hem communiceerde over het verloop van de zending. Het hof acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen middelen als bedoeld op lijst I van de Opiumwet heeft ingevoerd in Nederland en daarmee het onder feit 1 primair tenlastegelegde ook ten aanzien het pakket met zendingsnummer [zendingsnummer 2] heeft begaan. Het verweer van de raadsvrouw ten aanzien van de aanwezigheid van cocaïne in de zending van [betrokkene 2] treft gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] geen doel.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
eendaadse samenloop van
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft een straftoemetingsverweer gevoerd en heeft het hof verzocht om – indien het hof komt tot een algehele bewezenverklaring – bij de oplegging van een straf of maatregel rekening te houden met de ondergeschikte rol van de verdachte en aan de verdachte een straf op te leggen die in verhouding staat tot de mate van verwijtbaarheid en blaam. Daarbij is tevens verzocht om – zo begrijpt het hof – geen vrijheidsstraf op te leggen, althans een straf op te leggen die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest dan wel een aanzienlijk deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer in Nederland van harddrugs, bestaande uit metamfetamine en cocaïne. Deze harddrugs bevonden zich in zogenoemd dragermateriaal die vanuit Mexico en Colombia per pakketdienst Nederland binnenkwamen. Daarnaast heeft de verdachte zich zowel met een ander schuldig gemaakt aan het (verder) vervoeren van zo’n pakket met metamfetamine door Nederland en was hij met weer een ander actief in [plaats 1] betrokken bij het zuiveringsproces in een drugslaboratorium waar de ver- en bewerking van de metamfetamine uit dat pakket plaatsvond. Al die tijd had hij de metamfetamine ook steeds opzettelijk aanwezig met die anderen, waardoor sprake is van eendaadse samenloop.
De georganiseerde en grootschalige productie van en handel in verdovende middelen en met name harddrugs als de onderhavige is zeer ontwrichtend voor de samenleving. Er gaat veel geld in om, waardoor de financiële belangen van daders groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt geweld vaak niet geschuwd. Van de georganiseerde drugshandel gaat in toenemende mate een ondermijnend en corrumperend effect uit. Deze vormen van corruptie tasten het onderlinge vertrouwen binnen de samenleving in hoge mate aan en ondermijnen daarmee onze democratische rechtsstaat. Verder geldt dat een aanzienlijk deel van vermogensdelicten zoals winkeldiefstallen en woninginbraken terug te leiden is tot de behoefte aan drugs bij armlastige gebruikers. Een van de activiteiten waar verdachte zich mee bezig hield was de invoer van metamfetamine en cocaïne. Dit zijn stoffen met aanzienlijke gezondheidsrisico’s voor de gebruikers met daarnaast een hoog verslavingspotentieel. Op internet sites van organisaties die zich met verslavingszorg bezighouden worden als veel voorkomende bijwerkingen van metamfetamine genoemd, een verhoogde hartslag, angst, rusteloosheid en ernstige uitputting na gebruik. Het gebruik kan ook leiden tot een paniekaanval, een psychose, een epileptische aanval, hartinfarct of beroerte. Daarbij kan het gebruik van metamfetamine leiden tot blijvende hersenschade. De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich in het geheel niet bekommerd om de ernstige lichamelijke gevolgen voor de gebruikers van dit middel, maar hadden louter een winstoogmerk voor ogen. Dit alles weegt het hof mee in verdachtes nadeel.
Het is naar het oordeel van het hof dan ook passend dat voor de invoer van verdovende middelen lange, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting waar de verdachte aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van zware straffen tot doel om anderen ervan te weerhouden zich met de georganiseerde drugscriminaliteit in te laten.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie, d.d. 27 november 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit volgt dat de verdachter eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor Opiumwetdelicten. Hoewel de verdachte in dat verband een strafbeschikking heeft ontvangen, heeft dit hem niet van weerhouden om voornoemde bewezenverklaarde feiten te plegen. De verdachte heeft tot op heden geen openheid van zaken gegeven, terwijl hij actief betrokken was bij de invoer van cocaïne en metamfetamine en vervolgens zelf dagenlang deelnam aan het chemisch zuiveringsproces van de metamfetamine in een drugslaboratorium dat zich in de woning van een medeverdachte bevond.
Het hof heeft bij de bepaling van de straf voorts acht geslagen op de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn weerslag heeft gevonden. Als uitgangspunt geldt bij de invoer van harddrugs een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf worden in beginsel betrokken de rol van de verdachte bij die invoer, het gewicht van de harddrugs en overige omstandigheden die van belang kunnen zijn. Het hof is van oordeel dat de verdachte een belangrijke schakel was bij de invoer. Hij was feitelijk bij alle stadia van de invoer betrokken. In de voorfase leverde hij adressen aan. Als een pakket was verzonden volgde hij nauwgezet de status van de zending. Hij voldeed kosten voor de invoer en als het pakket eenmaal in Nederland was, haalde hij het op. Daar bleef het evenwel niet bij, want hij was vervolgens intensief en actief betrokken bij het chemisch proces om deze harddrugs van hun dekmantel te ontdoen. Naar ’s hofs oordeel een veelheid aan gedragingen die duiden op deelname aan een organisatie, waarbij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur past.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, dan ook niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof heeft zich voorts rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak en berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van de verdachte, de aard en ernst van het tenlastegelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten minder dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht te gelden dat de behandeling op zitting in eerste aanleg moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 24 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De verdachte is in onderhavige zaak op 24 augustus 2021 in verzekering gesteld. De verdachte is op 15 april 2022 geschorst uit de voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 30 maart 2023. In eerste aanleg is derhalve geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, nu binnen 24 maanden vonnis is gewezen.
De verdachte heeft op 13 april 2023 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 25 juni 2026, 3 jaren en ruim 2 maanden na het instellen van het hoger beroep. Hoewel de verdachte na het gewezen vonnis nog circa 2,5 maand in voorlopige hechtenis heeft verbleven, gaat het hof ook in de fase van hoger beroep uit van een redelijke termijn van 24 maanden. De behandeling in hoger beroep wordt dan ook niet afgerond met een eindarrest binnen 24 maanden na het ingestelde beroep. In hoger beroep is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met een periode van 1 jaar en 2 maanden.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn in bovengenoemde mate is geschonden, acht het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Voorlopige hechtenis
Het hof ziet aanleiding om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Aldus gewezen door:
mr. A.M.G. Smit, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 25 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.