Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
[verdachte] ,
- ‘
- ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind’(feit 2);
- ‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind’(feit 3)
- ‘een persoon, van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen’(feiten 4, 5 en 8);
- ‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige’(feiten 6 en 9);
- ‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige’(feit 7), en
- ‘het met een technisch hulpmiddel een gesprek dat in een woning wordt gevoerd opzettelijk zonder deelnemer aan dat gesprek te zijn en anders dan in opdracht van zulk een deelnemer opnemen’(feit 10),
enDuitsland’. Dit wordt door het hof verbeterd gelezen als ‘Nederland
en/ofDuitsland’. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat bij de verdachte geen onduidelijkheid bestaat over wat hem wordt verweten, zodat de verdachte door deze verbeterde lezing niet in zijn belangen is geschaad.
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
75 (vijfenzeventig) maanden;
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
[slachtoffer/benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.697,62 (twintigduizend zeshonderdzevenennegentig euro en tweeënzestig cent), bestaande uit € 697,62 (zeshonderdzevenennegentig euro en tweeënzestig cent) aan materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2023 voor de materiële schade en vanaf 1 maart 2018 voor de immateriële schade, telkens tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 127 (honderdzevenentwintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
[slachtoffer/benadeelde partij 2], ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.550,76 (drieduizend vijfhonderdvijftig euro en zesenzeventig cent), bestaande uit € 50,76 (vijftig euro en zesenzeventig cent) aan materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2023 voor de materiële schade en vanaf 3 december 2017 voor de immateriële schade, telkens tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
[slachtoffer/benadeelde partij 4], ter zake van het onder 9 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.452,50 (drieduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent), bestaande uit € 952,50 (negenhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent) aan materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2018 voor de materiële schade en vanaf 31 augustus 2015 voor de immateriële schade, telkens tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 34 (vierendertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;