ECLI:NL:GHSHE:2026:171

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
20-001554-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant inzake seksueel misbruik van minderjarigen

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 26 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte is beschuldigd van seksueel misbruik van zijn oudste dochter en drie minderjarige vriendinnetjes van zijn dochters. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zijn oudste dochter vanaf zeer jonge leeftijd en gedurende een lange periode seksueel heeft misbruikt, evenals de vriendinnetjes van zijn dochters. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van negen jaar opgelegd, maar het hof heeft deze straf verlaagd naar 75 maanden, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in het hoger beroep. Het hof heeft ook de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege opgelegd, gezien de ernst van de feiten en de noodzaak van behandeling in een forensisch kader. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn gedeeltelijk toegewezen, met schadevergoedingen variërend van € 3.452,50 tot € 20.697,62, afhankelijk van de schade die door de verdachte is veroorzaakt. Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen beoordeeld en de schadevergoedingsmaatregelen vastgesteld, waarbij ook wettelijke rente is toegewezen. De beslissing van het hof is gegrond op de artikelen van het Wetboek van Strafrecht die ten tijde van de bewezenverklaarde feiten van toepassing waren.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001554-23
Uitspraak : 26 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 24 mei 2023, in de strafzaak met parketnummer 01-183439-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum en plaats] ,
thans verblijvende in [detentieadres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:
  • ‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind’(feit 2);
  • ‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind’(feit 3)
  • ‘een persoon, van wie hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe bewegen getuige te zijn van seksuele handelingen’(feiten 4, 5 en 8);
  • ‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige’(feiten 6 en 9);
  • ‘met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige’(feit 7), en
  • ‘het met een technisch hulpmiddel een gesprek dat in een woning wordt gevoerd opzettelijk zonder deelnemer aan dat gesprek te zijn en anders dan in opdracht van zulk een deelnemer opnemen’(feit 10),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast is aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.
De vordering van de [slachtoffer/benadeelde partij 1] is integraal toegewezen tot een bedrag van € 20.697,62, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte is veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van de uitspraak begroot op nihil.
De vordering van de [slachtoffer/benadeelde partij 2] is gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.550.76, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte is veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van de uitspraak begroot op nihil.
De vordering van de [slachtoffer/benadeelde partij 3] is gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte is veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van de uitspraak begroot op nihil.
De vordering van de [slachtoffer/benadeelde partij 4] is gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.452,50, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte is veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van de uitspraak begroot op nihil.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte primair zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest met daarnaast de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Subsidiair is gevorderd om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen is geconcludeerd tot integrale toewijzing, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit van de feiten 1 tot en met 9. Ten aanzien van feit 10 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen is primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in de vorderingen bepleit gelet op de bepleite vrijspraak, subsidiair heeft de verdediging voor wat betreft de vordering van [slachtoffer/benadeelde partij 1] zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en voor wat betreft de overige vorderingen verzocht om slechts een gedeelte van deze vorderingen toe te wijzen, op de wijze zoals per vordering ter terechtzitting nader verwoord.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissingen omtrent de aan de verdachte op te leggen straf en/of maatregel, alsmede de beslissing op de vordering van de [slachtoffer/benadeelde partij 3] , alsmede alle opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
Verbetering bewezenverklaring
Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3, 6 en 7 een kennelijke misslag bevat aangezien de rechtbank daarin steeds heeft opgenomen dat deze feiten zijn gepleegd in ‘Nederland
enDuitsland’. Dit wordt door het hof verbeterd gelezen als ‘Nederland
en/ofDuitsland’. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat bij de verdachte geen onduidelijkheid bestaat over wat hem wordt verweten, zodat de verdachte door deze verbeterde lezing niet in zijn belangen is geschaad.
Aanvulling en verbetering bewijsmiddelen
Het hof vult aan en verbetert de bewijsmiddelen zoals gebruikt door de rechtbank. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de naar het oordeel van het hof noodzakelijke wijzigingen in de bewijsmiddelen opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Aanvulling en verbetering bewijsoverwegingen
De verdediging heeft in beroep, op de gronden zoals verwoord in de pleitnota en gedeeltelijk overeenkomstig de in eerste aanleg aangevoerde gronden, zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de onder 1 tot en met 9 aan hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. In de kern heeft de verdediging zich daarbij op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de respectievelijke slachtoffers telkens onbetrouwbaar zijn, alsmede dat ten aanzien van al deze feiten telkens niet is voldaan aan het in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering geformuleerde bewijsminimum, nu de door de rechtbank als steunbewijs genoemde getuigenverklaringen geen eigen waarnemingen van de desbetreffende getuigen over deze feiten bevatten.
Het hof verwerpt deze bewijsverweren overeenkomstig de door de rechtbank ter zake van deze verweren gegeven verwerping, zodat het hof (ook) in zoverre tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep komt, met dien verstande dat het hof de bewijsoverwegingen van de rechtbank aanvult en verbetert op de wijze zoals hierna te melden.
Feiten 1 tot en met 4
Op pagina 9 van het vonnis waarvan beroep achter de zin eindigend met ‘ook de verklaring van [slachtoffer/benadeelde partij 2] betrouwbaar.’ voegt het hof het volgende in:
Voorts merkt het hof als steunbewijs voor deze feiten aan de verklaring van de verdachte zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage, in de kern inhoudend dat hij [slachtoffer/benadeelde partij 1] op de rug heeft gekriebeld, alsmede dat het mogelijk is dat hij bij het zwemmen [slachtoffer/benadeelde partij 1] op intieme plekken heeft aangeraakt.
De door de rechtbank als steunbewijs genoemde bewijsmiddelen bevatten naar het oordeel van het hof, anders dan de verdediging, wel degelijk geheel of gedeeltelijk eigen waarnemingen van de desbetreffende getuigen, welke eigen waarnemingen voorts voldoende redengevend zijn om als (steun)bewijsmiddel te dienen voor de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten. Het hof wijst op de verklaringen van de moeder van [slachtoffer/benadeelde partij 1] over haar waarneming dat [slachtoffer/benadeelde partij 1] toen zij 4 jaar oud was ‘onder’ iets aan het doen was en op de daaropvolgende conversatie, alsmede dat deze getuige zelf de verdachte éénmaal ‘s nachts bij [slachtoffer/benadeelde partij 1] heeft zien zitten terwijl haar rug ontbloot was en de verdachte toen naar eigen zeggen [slachtoffer/benadeelde partij 1] op de rug aan het kriebelen was. Nog concreter steunbewijs afkomstig uit eigen waarneming betreft de verklaringen van [slachtoffer/benadeelde partij 2] over, kortweg, het aftrekken door de verdachte in het bijzijn van [slachtoffer/benadeelde partij 1] en [slachtoffer/benadeelde partij 2] en het door de verdachte aan [slachtoffer/benadeelde partij 1] opdragen om haarzelf te bevredigen, alsmede het voorval op de camping waarbij de verdachte zich aftrok en er gedrieën werd gedoucht. [getuige 1] heeft voorts zelf de emotie van [slachtoffer/benadeelde partij 1] (huilen) waargenomen nadat het misbruik van [slachtoffer/benadeelde partij 1] door de verdachte ter sprake is gekomen.
Feiten 6 tot en met 8
Het hof geeft met betrekking tot de onder 6 tot en met 8 bewezenverklaarde feiten de volgende aanvullingen en verbeteringen op de door de rechtbank in dit verband gegeven bewijsoverwegingen. Op pagina 11 van het vonnis waarvan beroep verwijdert het hof de zinnen ‘ [getuige 2] heeft niet verder willen verklaren. Daarnaast is sprake van overeenkomsten in de modus operandi in de verklaringen van [slachtoffer/benadeelde partij 1] , [slachtoffer/benadeelde partij 2] en [slachtoffer/benadeelde partij 3] over de aard van het misbruik.’. Voorts vult het hof de overwegingen van de rechtbank aan in die zin dat na de zin eindigend op ‘… toen tijdens [slachtoffer/benadeelde partij 3] ook is gestopt.’ wordt ingevoegd de volgende zin:
Het hof bezigt voorts als steunbewijs de verklaring van de verdachte zoals bij dit feit opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage, - kort gezegd - inhoudende dat in het bijzijn van [getuige 2] en [slachtoffer/benadeelde partij 3] de broek van de verdachte naar beneden was, zodat het geslachtsdeel van de verdachte zichtbaar was. Dat de verklaringen over de reden waarom de broek van de verdachte naar beneden was, uiteenlopen, doet aan de bruikbaarheid van de desbetreffende verklaring van de verdachte als steunbewijs voor de onderhavige feiten niet af.
Feit 9
Het hof geeft met betrekking tot het onder 9 bewezenverklaarde feit de volgende aanvullingen op de door de rechtbank in dit verband gegeven bewijsoverwegingen. Op pagina 12 van het vonnis waarvan beroep voegt het hof na de zin ‘Tijdens dit gesprek vertelde [slachtoffer/benadeelde partij 1] dat hetzelfde haar ook overkomen was.’ in de navolgende overwegingen:
Het hof bezigt voorts als steunbewijs de verklaring van de verdachte zoals bij dit feit opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage, - kort gezegd - inhoudende dat hij in de nacht bij [slachtoffer/benadeelde partij 4] en [slachtoffer/benadeelde partij 1] in de tent is gaan liggen. Dat dit op het verzoek van [slachtoffer/benadeelde partij 4] en/of [slachtoffer/benadeelde partij 1] zou zijn gebeurd, zoals de verdachte eveneens heeft verklaard, acht het hof echter ongeloofwaardig, daarbij meewegend dat [slachtoffer/benadeelde partij 4] in dit verband heeft verklaard dat [slachtoffer/benadeelde partij 1] sliep en zij zich slapend hield en dat ook [slachtoffer/benadeelde partij 1] de verklaring van de verdachte niet heeft bevestigd. Het hof kan dit door de verdachte in de tent gaan liggen bij twee minderjarige meisjes daarmee enkel beschouwen in verband met het door [slachtoffer/benadeelde partij 4] beschreven misbruik van haar in die tent.
Op te leggen sanctie
De rechtbank heeft aan de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest, alsmede een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: GVM).
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (hierna: TBS). Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest met een GVM.
De verdediging heeft bepleit dat het hof aan de verdachte niet de maatregel van TBS met dwangverpleging zal opleggen en zal volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest, alsmede een GVM. Indien het hof aan de verdachte wel de maatregel van TBS met dwangverpleging zou opleggen, dan heeft de verdediging bepleit om de eventueel daarnaast op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aanzienlijk te matigen ten opzichte van de door de advocaat-generaal geëiste straf.
Het oordeel van het hof
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij - kort gezegd - zijn oudste dochter vanaf zeer jonge leeftijd en gedurende een zeer lange periode seksueel heeft misbruikt. Dit misbruik bestond mede uit het veelvuldig seksueel binnendringen van het lichaam van deze dochter. De verdachte heeft misbruik gemaakt van de kwetsbare en afhankelijke positie van zijn dochter. Het misbruik vond onder andere plaats in het ouderlijk huis. Dit is een plek die voor een ieder, maar in het bijzonder voor (jonge) kinderen veilig behoort te zijn. De verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen behoeftes en heeft zijn dochter door het misbruik een vrije en onbezonnen jeugd afgenomen. De gevolgen van het misbruik zijn voorts ingrijpend en tot op de dag van vandaag aanwezig, zoals ook blijkt uit de door de advocaat ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring.
Daarnaast is bewezenverklaard dat de verdachte drie minderjarige vriendinnetjes van zijn beide dochters seksueel heeft misbruikt, in twee van de drie gevallen op meerdere momenten. Het misbruik vond plaats tijdens het logeren, het spelen bij de verdachte thuis of tijdens het zwemmen, op momenten dat de ouders van de kinderen de zorg over hen aan de verdachte hadden toevertrouwd.
De verdachte heeft de lichamelijke en geestelijke integriteit van alle slachtoffers op ernstige wijze geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik van minderjarigen tot ernstige psychische schade en tot een verstoring van de eigen seksuele ontwikkeling kan leiden. Dat deze ernstige gevolgen zich in dit geval ook bij alle slachtoffers voordoen, blijkt uit het door of namens de slachtoffers in eerste aanleg en in hoger beroep uitgeoefende spreekrecht en de toelichting op de door de slachtoffers gevorderde schadevergoedingen. Daarnaast hebben de bewezenverklaarde handelingen niet alleen een grote impact gehad op de slachtoffers, maar ook op de naaste omgeving van hen. De ontkennende houding en de verwijtende woorden van de verdachte aan het adres van slachtoffers en (enkele van) hun familieleden hebben dit leed alleen maar groter gemaakt. Feiten zoals de bewezenverklaarde brengen voorts doorgaans ook buiten de kring van slachtoffers en hun naasten gevoelens van geschoktheid en verontwaardiging teweeg.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Voorts heeft het hof acht geslagen op het rapport van de deskundige [psychiater] , psychiater/psychoanalyticus (hierna ook wel kortweg te noemen: de psychiater), van 19 september 2024, betreffende het door hem bij de verdachte uitgevoerde psychiatrisch onderzoek, alsmede van het rapport van de deskundige [psycholoog] , klinisch psycholoog (hierna ook wel kortweg te noemen: de psycholoog), van 16 september 2024, betreffende het door laatstgenoemde bij de verdachte uitgevoerde psychologisch onderzoek.
De psychiater heeft vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en dat indien het hem tenlastegelegde wordt bewezen, kan worden gesteld dat er sprake is van een pedofiele stoornis. Zowel de autismespectrumstoornis als de pedofiele stoornis waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Er is een gelijktijdigheidsverband. De stoornissen beïnvloedden volgens de psychiater de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Indien bewezen, kan worden verondersteld dat er een doorwerking is van beide stoornissen om het tenlastegelegde mogelijk te maken. In dat geval is het aannemelijk dat ‘de dief die de gelegenheid maakt’ om vanuit zijn pedofiele stoornis een situatie te ensceneren waarin hij zijn pedofiele impulsen kan uitleven. Daarbij kan tevens worden verondersteld dat de verdachte vanuit zijn autismespectrumstoornis niet geremd wordt door een in affectie ingebed empathisch vermogen, niet geremd vanwege de beperking om met compassie in de schoenen van een ander te kunnen gaan staan zonder eigen belang. Verondersteld kan worden dat de verdachte minder dan anderen in staat is vanuit zijn autismespectrumstoornis stil te staan bij de vraag ‘wat betekent het voor haar nu en op termijn als ik dit doe?’ De psychiater onthoudt zich bij gebrek aan een delictscenario om een advies te geven omtrent het toerekenen. Het is aannemelijk dat de verdachte de ongeoorloofdheid van de hem tenlastegelegde feiten, indien bewezen, kon inzien maar de vraag is of hij vanwege zijn stoornissen zijn wil onvoldoende in vrijheid kon bepalen.
De psycholoog heeft gerapporteerd dat, hoewel een delictscenario niet kon worden opgesteld, het - wanneer het hof de tenlastegelegde feiten bewezenverklaart - zeer aannemelijk is dat de combinatie van de autismespectrumstoornis en de pedofiele stoornis in het tenlastegelegde een zekere sturende rol heeft gespeeld. De psycholoog adviseert om de tenlastegelegde feiten, indien bewezen, in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het hof verenigt zich met het advies van de psycholoog op dit punt en neemt dit advies over. Het hof zal daarom de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen en zal deze omstandigheid, zoals gebruikelijk, in strafmatigende zin meewegen.
Het hof heeft bij de beslissing over de hoogte van de aan de verdachte op te leggen straf verder meegewogen de aan de verdachte op te leggen maatregel van TBS met dwangverpleging en de gronden daarvoor, zoals hierna te melden. Behandeling van de verdachte binnen een dergelijk dwingend kader is naar het oordeel van het hof dringend noodzakelijk. Het hof is voorts bekend met de lange gemiddelde duur van een TBS-maatregel. Het hof zal het gegeven dat aan de verdachte deze maatregel wordt opgelegd, in beperkte mate, strafmatigend meewegen bij de bepaling van de hoogte van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte over zijn persoonlijke omstandigheden voorts, samengevat, verklaard dat hij gedurende zijn verblijf in detentie weinig tot geen contact heeft met de buitenwereld, nu hij daar het nut niet van inziet. De verdachte volgt opleidingen en wil indien hij vrijkomt weer werken in de ICT, dan wel als chauffeur aan de slag te gaan. De verdachte wil niet terugkeren naar het dorp waar hij ten tijde van het bewezenverklaarde woonde. Daarnaast heeft de verdachte te kennen gegeven dat, indien het hof van oordeel is dat er behandeling noodzakelijk is, hij bereid is daaraan mee te werken. Het hof ziet in deze persoonlijke omstandigheden, afgezet tegen de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, geen grond om tot een lagere of andere strafoplegging te komen.
Alles afwegend is het hof van oordeel dat het in beginsel passend en geboden is om aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren.
Elke verdachte heeft echter recht op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
De aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg stelt het hof in dit geval vast op de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld in de zaak met het parketnummer 01-183439-22, te weten 16 augustus 2022. Het einde van het strafproces in eerste aanleg vond plaats op 24 mei 2023, de datum waarop de rechtbank vonnis heeft gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg, die voor deze fase, nu de verdachte in voorarrest verbleef, op 16 maanden wordt gesteld, niet overschreden.
De aanvang van de redelijke termijn in hoger beroep stelt het hof vast op de datum waarop namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, te weten 5 juni 2023. Het einde van het strafproces in tweede aanleg stelt het hof op 26 januari 2026, de datum waarop het hof arrest wijst. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep, die voor deze fase eveneens op 16 maanden wordt gesteld, met ruim 15 maanden overschreden.
Anders dan de advocaat-generaal, die heeft verzocht om te volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, ziet het hof, gelet op de grote mate van overschrijding van de redelijke termijn, die niet aan de verdachte is toe te rekenen, reden om de overschrijding van de redelijke termijn aldus te sanctioneren dat aan de verdachte een lagere gevangenisstraf zal worden opgelegd dan zonder overschrijding van de redelijke termijn aan de orde zou zijn geweest. De advocaat-generaal heeft overigens ook niet toegelicht op welke gronden bij een grote overschrijding van de redelijke termijn zoals hier aan de orde zou kunnen worden volstaan met de enkele constatering daarvan. Het hof zal in verband met de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf met ruim 10% verminderen en aldus aan de verdachte opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 75 maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Het hof ziet zich voorts voor de vraag gesteld of aan de verdachte, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, de maatregel van TBS met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd.
De verdediging heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat oplegging aan de verdachte van de maatregel van TBS met bevel tot verpleging van overheidswege niet passend is.
De maatregel van TBS kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Een van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien het hiervoor bedoelde gevaar voor recidive van ernstige aard is kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).
Het hof beschikt in dit geval over de eerdergenoemde rapporten van [psychiater] en [psycholoog] . De psychiater heeft vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en voorts dat, indien het hem tenlastegelegde wordt bewezen, kan worden gesteld dat er sprake is van een pedofiele stoornis. Het hof begrijpt de met betrekking tot de pedofiele stoornis door de psychiater gekozen bewoordingen aldus dat volgens hem in geval van bewezenverklaring de psychiater van oordeel is dat bij de verdachte daadwerkelijk een pedofiele stoornis aanwezig is.
De psycholoog heeft vastgesteld dat de verdachte “lijdende is aan een autismespectrumstoornis zonder bijkomende verstandelijke beperking, (…) alsmede aan een pedofiele stoornis, niet-exclusieve type.”
De psychiater heeft voorts, voor zover hier relevant, het navolgende bevonden:
Op basis van de klinische indrukken in relatie tot de analyse van de gebruikte instrumenten concludeert onderzoeker het volgende: Het is aannemelijk dat de combinatie van een pedofiele stoornis en een autismespectrumstoornis belangrijke risicofactoren zijn maar niet duidelijk is of andere risicofactoren een rol hebben gespeeld. Het is aannemelijk dat hij zijn pedofiele impulsen kan inzetten ten opzichte van kinderen die aan zijn gezag worden toevertrouwd maar bij afwezigheid van een delictscenario zijn er onduidelijkheden hoe de delictketen loopt en ook is onduidelijk of er maar één delictketen bestaat. Onderzochte heeft jarenlang onder de radar zijn delictgedrag (indien bewezen) kunnen vertonen. Vanuit deze optiek kan gesteld worden dat er bij afwezigheid van toezicht en controle een hoog risico is voor recidive bij onderzochte, indien de ten laste gelegde feiten worden bewezen. Uit de gestructureerde risicotaxatie komt naar voren dat er een aantal risicofactoren gescoord kunnen worden. Maar deze gestructureerde risicotaxatie is onvolledig omdat belangrijke items zoals zijn seksualiteit niet kunnen worden meegenomen. Daarnaast kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aantal beschermende factoren die echter ook aanwezig waren in de lange periode waarin de hem ten laste gelegde feiten plaatsvonden en dus niet als beschermende factoren kunnen worden gemarkeerd. Alles overziend is het aannemelijk dat het risico op een zedendelict in de toekomst als matig/hoog kan worden ingeschat (bij bewezenverklaring van de huidige feiten) indien geen behandeling - om de meest voor de hand liggende risicofactoren te behandelen en eventuele vooralsnog onbekende risicofactoren te adresseren - wordt opgelegd.
Zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden
Zonder behandeling blijven de risicofactoren die van belang zijn in de hem tenlastegelegde feiten, indien bewezen, onveranderd. Een behandeling en langdurige begeleiding is noodzakelijk om de kans op herhaling zoals de hem ten laste gelegde feiten, indien bewezen, duurzaam te verlagen. Er is sprake van twee stoornissen weliswaar die niet te genezen zijn maar die deels wel te behandelen zijn met als doel deze te integreren in zijn persoonlijkheid en in zijn dagelijks leven in samenhang met de maatschappelijke normen. Indien de tenlastegelegde feite worden bewezen is het van belang dat onderzochte meer openheid gaat geven. Onderzochte is in staat geweest om jaren onder de radar de hem tenlastegelegde feiten, indien bewezen, te plegen. Er dient een delictscenario te worden gemaakt zodat risicovolle situaties in kaart kunnen worden gebracht zodat vervolgens het risicomanagement vorm kan krijgen. Onderzochte vindt een behandeling en begeleiding niet nodig. Hij heeft naar zijn zeggen alles onder controle. Hij ontkent pedofiele impulsen.
Interventiemogelijkheden en -condities
Bovengenoemde belemmeringen voor een behandeling vragen om een lang traject. Een voorwaardelijk kader komt niet in aanmerking omdat in eerste aanleg een gevangenisstraf van negen jaar werd opgelegd. Daarnaast is het zo dat – indien de feiten worden bewezen – onderzochte geen openheid heeft getoond. Onderzochte ontkent zijn geaardheid, hij ontkent het ten laste gelegde ~indien bewezen. Een behandeling en begeleiding zal moeizaam zijn. Onderzoeker adviseert onderzochte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.
De psycholoog is voorts, voor zover in dit verband relevant, tot de volgende bevindingen gekomen:
Samenvattend kan in het geval van betrokkene op basis van het scoren van de bovenstaande drie instrumenten in statistische zin worden gesproken over laag tot matig recidiverisico en over in redelijke mate aanwezige beschermende factoren die betrokkene in dit verband ten dienste staan. Betrokkene wordt in zijn functioneren weliswaar niet gekenmerkt door criminogene factoren en hij leidde voorafgaande aan zijn detentie een in principe stabiel bestaan maar leek daarbij slechts matig ingebed in maatschappelijke structuren. Hij leidde toen echter eveneens [bij bewezenverklaring] een in seksuele zin deviant bestaan waarvan hij iedereen onkundig wist te laten. Hij heeft tot op heden nog geen inzicht gegeven in enig mogelijk delictscenario dat daarbij een rol speelde en daarmee over de dynamiek die onder het tenlastegelegde verscholen ligt. Dit wordt vastgesteld in combinatie met het feit dat er inmiddels twee nieuwe aangiftes tegen hem zijn gedaan [waarvan de rapporteur de exacte inhoud niet kende]. Aan de andere kant is het delictgedrag vermoedelijk zeven tot acht jaar geleden gestopt althans wanneer de hiervoor genoemde nieuwe aangiftes hierbij niet in de rekening worden genomen. Bovendien: ten tijde van het tenlastegelegde kende betrokkene een nog groter aantal beschermende factoren dan thans en/of in de nabije toekomst, c.q. na een toekomstige mogelijke vrijlating het geval is. Indien bewezen maakte betrokkene zich schuldig aan het tenlastegelegde, terwijl het aantal steunende factoren toen aanzienlijk hoger was: betrokkene had toen werk, beschikte over vrijetijdsbesteding, hij had een intieme relatie en kende verschillende reële levensdoelen. Dit aanzienlijk hogere aantal steunende factoren belette betrokkene indertijd niet om in het verborgene en buiten iedereen om het tenlastegelegde uit te voeren. Het thans [veel] geringer aantal steunende factoren dat kon worden aangewezen werkt in dit opzicht naar de mening van ondergetekende in het geval van betrokkene in de toekomst dus verder risicoverhogend. Gezien ook het langdurige misbruik van minderjarige meisjes dat - indien bewezen - door betrokkene werd gepleegd dient hier te worden vastgesteld dat het hierboven vermelde lage/matige risico op recidive van het seksuele delictgedrag vermoedelijk hoger ligt dan in statistische zin kon worden bepaald. Dit risico richt zich naar de mening van de onderzoeker in de toekomst vermoedelijk met name op hem bekende kinderen, het risico dat hem onbekende kinderen dan eventueel zouden kunnen lopen valt anno 2004 (het hof begrijpt; 2024) niet eenduidig te beoordelen, mede vanwege het ontbreken van een delictscenario.
Zorgprognose en beïnvioedingsmogelijkheden
Betrokkene had in het verleden enkele korte contacten met hulpverleners/ psychotherapeuten, maar daarin was nooit sprake van het concreet toewerken naar gedragsveranderingen. Wanneer hem daarnaar werd gevraagd zei betrokkene een dergelijke vorm van hulpverlening ook thans niet nodig te hebben: hij ontkende het tenlastegelegde en gedragsveranderingen ter beperking van het recidivegevaar waren derhalve wat hem betreft niet nodig. Betrokkene was van mening zijn autismespectrumstoornis en zijn fobische gedragingen redelijk tot goed onder controle te hebben.
Daar staat tegenover dat naar aanleiding van de huidige onderzoeksbevindingen bij betrokkene tijdens het onderhavige onderzoek een tweetal psychiatrische stoornissen [Autistisme stoornis / Pedofilie] werd vastgesteld. Beide stoornissen zijn in principe moeilijk tot in het geheel niet behandelbaar en inperking van het recidivegevaar daarmee eveneens niet eenvoudig. Gezien het feit dat betrokkene zelf enige vorm van behandeling of begeleiding noch thans noch in de nabije toekomst lijkt te gaan zoeken, rest uw Gerechtshof naar de mening van ondergetekende geen andere weg dan die behandeling binnen een Juridisch kader op te leggen.
Een voorwaardelijk kader komt hier in de ogen van ondergetekende hier niet in aanmerkingaangezien betrokkene reeds door de Rechtbank Oost-Brabant werd veroordeeld tot [onder andere] een gevangenisstraf van negen jaar. Ook het feit dat betrokkene tijdens het onderhavige onderzoek geen wezenlijke vorm van openheid betoonde met daarnaast het feit dat betrokkene - mits bewezen - het tenlastegelegde indertijd gedurende lange tijd in het volstrekt verborgene pleegde wijzen hier op de anno 2024 onhaalbaarheid van enig voorwaardelijk Juridisch kader. Gevoegd ook bij het naar de mening van ondergetekende in subjectieve zin stellig hoger uitvallende recidiverisico dan het statistisch vastgestelde lage/matige recidiverisico, komt ondergetekende tot de conclusie dat hier sprake dient te zijn van het door uw Gerechtshof opleggen van de aanvullende maatregel die inhoudt dat de behandeling van betrokkene plaats zal vinden middels een Terbeschikkingstelling met dwangverpleging ter beperking van het recidivegevaar dat betrokkene zonder behandeling te zijner tijd op kan leveren. Deze maatregel biedt in de toekomst de mogelijkheid om [1] de maatschappij langer tegen betrokkene te beveiligen dan gedurende de duur van een gevangenisstraf, ook indien daar een Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel [GVM] aan zou worden toegevoegd en [2] betrokkene in psychotherapeutische zin te behandelen wanneer hij in de toekomst een behandelteam openheid zou geven over het eventuele daderscenario en dat daarbij tevens getracht kan worden een nadere ingang te vinden voor de behandeling in de mate van het mogelijke van zowel de Autismespectrumstoornis als de Pedofiele stoornis zoals die bij betrokkene zijngediagnostiseerd.
Het hof verenigt zich met voormelde bevindingen en adviezen van de psychiater en psycholoog en maakt deze bevindingen en adviezen tot de zijne.
Het hof is van oordeel dat daarmee aan de voormelde wettelijke criteria voor het opleggen van de maatregel van TBS is voldaan.
Het hof acht het noodzakelijk dat de verdachte - gelet op voormelde adviezen van de deskundigen - wordt behandeld in het door de deskundigen geadviseerde forensisch kader Het hof ziet aldus, met de advocaat-generaal, grond om aan de verdachte de maatregel van TBS met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.
Gelet op het bewezenverklaarde wordt de maatregel van TBS gelast ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de TBS niet op voorhand gemaximeerd is.
Contactverbod
Namens de slachtoffers [slachtoffer/benadeelde partij 2] en [slachtoffer/benadeelde partij 3] is verzocht om aan de verdachte een verbod op contact met hen op te leggen om bij te dragen aan de verwerking van het bewezenverklaarde. Het hof ziet echter, hoe begrijpelijk dit vanuit de positie van deze slachtoffers ook kan zijn, onvoldoende reden om aan de verdachte een contactverbod zoals verzocht op te leggen. Het hof heeft daarbij met name meegewogen dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen indicaties naar voren komen dat de verdachte na zijn aanhouding contact heeft gelegd of zou willen leggen met deze slachtoffers (het tegendeel is eerder het geval), alsmede de door het hof op te leggen (langdurige) gevangenisstraf en TBS-maatregel.
Schadevergoedingsmaatregelen [slachtoffer/benadeelde partij 1] , [slachtoffer/benadeelde partij 2] en [slachtoffer/benadeelde partij 4]
Gelet op de per 1 januari 2026 in werking getreden nieuwe LOVS-afspraken over de hoogte van het aan schadevergoedingsmaatregelen te verbinden aantal dagen gijzeling zal het hof de schadevergoedingsmaatregelen zoals opgelegd door de rechtbank in die zin wijzigen dat de duur van het daaraan te verbinden aantal dagen gijzeling telkens in overeenstemming wordt gebracht met de duur zoals deze voortvloeit uit deze nieuwe LOVS-afsprake.
Vordering van de [slachtoffer/benadeelde partij 3]
De [slachtoffer/benadeelde partij 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 22.625,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering valt uiteen in de volgende posten:
€ 15.375,- aan studievertraging;
€ 250,- aan reiskosten voor therapieën;
€ 7.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep de vordering toegewezen tot een bedrag van € 7.250,-, bestaande uit € 250,- aan materiële schade en € 7.000,- aan immateriële schade, en de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in zijn geheel te handhaven.
Oordeel hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte onder de feiten 6 tot en met 8 rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
Ad a. studievertraging
Door de benadeelde partij is € 15.375,- aan schadevergoeding gevorderd voor het als gevolg van de onder 6 tot en met 8 bewezenverklaarde feiten oplopen van een jaar studievertraging op het VMBO. Subsidiair is een vergoeding gevraagd voor studievertraging conform de richtlijnen voor studievertraging op de basisschool. Het hof stelt vast dat de gestelde studievertraging niet heeft plaatsgevonden in hetzelfde jaar als het jaar waarin de bewezenverklaarde handelingen hebben plaatsgevonden. De verdediging heeft gesteld dat het niet is toegestaan om studievertraging in een later jaar toe te rekenen aan bewezenverklaarde feiten die in een eerder jaar hebben plaatsgevonden.
Het hof is van oordeel dat ten aanzien van dit gedeelte van de vordering nader onderzoek noodzakelijk is naar de gegrondheid hiervan. Dit nadere onderzoek zou een nadere terechtzitting vergen en levert daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal de vordering voor dit gedeelte daarom niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Dit is in zoverre een ander dictum dan het door de rechtbank gegeven dictum, zodat het hof ook voor wat betreft de vordering van deze benadeelde partij komt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.
Ad b. reiskosten
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van de bewezenverklaarde handelingen therapie heeft gevolgd, in verband waarmee ze heeft moeten reizen. Ook de hoogte van de in verband hiermee verzochte vergoeding van reiskosten komt het hof gegrond voor. Deze post is naar het oordeel van het hof aldus voldoende onderbouwd en ligt voor toewijzing gereed.
Ad c. immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. In het bijzonder is naar het oordeel van het hof sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze, zoals in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld. Het ontstaan van deze schade is aan de verdachte toe te rekenen. Het hof is van oordeel dat de hoogte van de gevorderde immateriële schade voldoende is onderbouwd. Het hof begroot aldus de immateriële schade naar billijkheid op het gevorderde bedrag van € 7.000,-.
Wettelijke rente
Het toe te wijzen bedrag van in totaal € 7.250,- schadevergoeding zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente. De aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade wordt bepaald op 26 april 2023, zijnde de datum van indienen van de vordering, en de aanvangsdatum van de immateriële schade wordt bepaald op 16 februari 2018, de einddatum van de bewezenverklaarde pleegperiode, telkens tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer/benadeelde partij 3] is toegebracht tot een bedrag van € 7.250,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet grond om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2023 voor de materiële schade en vanaf 16 februari 2018 voor de immateriële schade tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vervanging toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 139a, 244 (oud), 245 (oud), 247 (oud), 248 (oud) en 248d (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de aan de verdachte opgelegde straf en maatregel, alsmede ten aanzien van de beslissing op de vordering van de [slachtoffer/benadeelde partij 3] en de in verband met deze vordering en de vorderingen van de overige benadeelde partijen opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
75 (vijfenzeventig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer/benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.697,62 (twintigduizend zeshonderdzevenennegentig euro en tweeënzestig cent), bestaande uit € 697,62 (zeshonderdzevenennegentig euro en tweeënzestig cent) aan materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2023 voor de materiële schade en vanaf 1 maart 2018 voor de immateriële schade, telkens tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 127 (honderdzevenentwintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen (de betaling tot schadevergoeding van € 20.697,62 (twintigduizend zeshonderdzevenennegentig euro en tweeënzestig cent) aan de [slachtoffer/benadeelde partij 1] en voormelde verplichting tot betaling aan de Staat) heeft voldaan, de andere vervalt.
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer/benadeelde partij 2], ter zake van het onder 5 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.550,76 (drieduizend vijfhonderdvijftig euro en zesenzeventig cent), bestaande uit € 50,76 (vijftig euro en zesenzeventig cent) aan materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2023 voor de materiële schade en vanaf 3 december 2017 voor de immateriële schade, telkens tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen (de betaling tot schadevergoeding van € 3.550,76 (drieduizend vijfhonderdvijftig euro en zesenzeventig cent) aan de [slachtoffer/benadeelde partij 2] en voormelde verplichting tot betaling aan de Staat) heeft voldaan, de andere vervalt.
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer/benadeelde partij 4], ter zake van het onder 9 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.452,50 (drieduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent), bestaande uit € 952,50 (negenhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent) aan materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2018 voor de materiële schade en vanaf 31 augustus 2015 voor de immateriële schade, telkens tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 34 (vierendertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen (de betaling tot schadevergoeding van € 3.452,50 (drieduizend vierhonderdtweeënvijftig euro en vijftig cent) aan de [slachtoffer/benadeelde partij 4] en voormelde verplichting tot betaling aan de Staat) heeft voldaan, de andere vervalt.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [slachtoffer/benadeelde partij 3] ter zake van het onder 6, 7 en 8 bewezenverklaarde tot een bedrag van € 7.250,00 (zevenduizend tweehonderdvijftig euro), bestaande uit € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2023 voor de materiële schade en vanaf 16 februari 2018 voor de immateriële schade, telkens tot aan de dag der voldoening;
verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer/benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 6, 7 en 8 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.250,00 (zevenduizend tweehonderdvijftig euro), bestaande uit € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) aan materiële schade en € 7.000,00 (zevenduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2023 voor de materiële schade en vanaf 16 februari 2018 voor de immateriële schade, telkens tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen (de betaling tot schadevergoeding van 7.250,00 (zevenduizend tweehonderdvijftig euro) aan de [slachtoffer/benadeelde partij 3] en voormelde verplichting tot betaling aan de Staat) heeft voldaan, de andere vervalt.
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met in achtneming van het vorenoverwogene.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. H.A.T.G. Koning en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 26 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.