ECLI:NL:GHSHE:2026:1727

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
20-001926-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 184 SrArt. 300 SrArt. 304 SrArt. 342 SvArt. 55e lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak mishandeling echtgenote en veroordeling voor niet voldoen aan ambtelijk bevel

In hoger beroep zijn twee strafzaken tegen verdachte samengevoegd. De politierechter had verdachte veroordeeld voor mishandeling van zijn echtgenote en het niet voldoen aan een ambtelijk bevel. Het hof vernietigt deze vonnissen en spreekt verdachte vrij van de mishandelingsfeiten omdat het bewijs onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, ondanks de verklaring van het slachtoffer en letselfoto's. Het letsel was niet overtuigend en strookte niet met de waarnemingen van verbalisanten.

Het hof acht echter bewezen dat verdachte op 19 maart 2024 opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel van een politieambtenaar om medewerking te verlenen aan een onderzoek van uitgeademde lucht. Dit gedrag getuigt van gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Verdachte is eerder voor een soortgelijk delict veroordeeld en ontvangt momenteel hulpverlening.

Gezien de ernst van het bewezenverklaarde en de persoonlijke omstandigheden van verdachte legt het hof een taakstraf van 20 uur op, subsidiair 10 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Het hof ziet geen aanleiding voor bijzondere voorwaarden of een voorwaardelijk deel van de straf. De vrijspraak van de mishandelingsfeiten wordt bevestigd.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mishandeling en veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur voor het niet voldoen aan een ambtelijk bevel.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001926-24 (ter terechtzitting gevoegd: 20-003502-23)
Uitspraak : 30 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen de vonnissen van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 12 juli 2024 in de strafzaak met parketnummer 02-095879-24 en van 15 december 2023 in de strafzaak met parketnummer 02-233924-23, welke strafzaken in hoger beroep zijn gevoegd, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep in de zaak met parketnummer 02-095879-24 heeft de politierechter alle tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, die gekwalificeerd als
  • mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot (
  • opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast (
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 weken voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de politierechter voorts bijzondere voorwaarden verbonden. Tevens heeft de politierechter het geschorste bevel tot gevangenhouding opgeheven.
Bij vonnis waarvan beroep in de zaak met parketnummer 02-233924-23 heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis waarvan 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de politierechter voorts bijzondere voorwaarden verbonden.
Namens de verdachte is tegen voormelde vonnissen hoger beroep ingesteld.
Voeging
De strafzaak met parketnummer 02-095879-24 is bij het hof geregistreerd onder parketnummer 20-001926-24 (hierna: zaak A).
De strafzaak met parketnummer 02-233924-23 is bij het hof geregistreerd onder parketnummer 20-003502-23 (hierna: zaak B).
Ter terechtzitting in hoger beroep op 16 juni 2026 is voormelde zaak onder parketnummer 20-003502-23 in het belang van het onderzoek bij de zaak met parketnummer 20-001926-24 gevoegd.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep in de zaken A en B, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg in zaak A.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alle tenlastegelegde feiten in de zaken A en B bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde feit en het in zaak B tenlastegelegde feit. Voor wat betreft het in zaak A onder 2 tenlastegelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
De beroepen vonnissen in de zaken A en B zullen worden vernietigd reeds omdat de zaken in hoger beroep door het hof zijn gevoegd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
in zaak A:
1.
hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Oostburg, gemeente Sluis, in elk geval in Nederland, zijn echtgenote/levensgezel, mevrouw [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer]
- bij de keel te pakken en/of (vervolgens) de keel dicht te knijpen en/of
- op de borst te duwen/drukken;
2.
hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Oostburg, gemeente Sluis, althans in Nederland, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55e lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten [verbalisant] , brigadier bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant, belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd medewerking te verlenen aan een onderzoek uitgeademde lucht, hieraan geen gevolg te geven;
in zaak B:
hij in of omstreeks de periode van 13 september 2023 tot en met 14 september 2023 te Oostburg, gemeente Sluis, althans in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer] , heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gezicht en/of het hoofd te slaan en/of om/bij de keel/nek te pakken en/of te knijpen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van de in zaak A onder 1 en in zaak B tenlastegelegde feiten
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de in zaak A onder 1 en in zaak B tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Daaraan is door de advocaat-generaal ten grondslag gelegd dat in zaak A de verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de foto’s in het dossier waarop rode plekken te zien zijn en door de bevindingen van verbalisanten, die namelijk hadden waargenomen dat de nek van aangeefster roodgekleurd en beschadigd was. In zaak B wordt de verklaring van aangeefster volgens de advocaat-generaal tevens ondersteund door de waarnemingen van de verbalisanten, die een gezwollen bult bij het oog en een wondje in de nek van aangeefster hadden gezien, alsmede de foto’s van het letsel in het dossier.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van de in zaak A onder 1 en in zaak B tenlastegelegde feiten bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de mishandeling heeft gepleegd, omdat de verklaringen van aangeefster niet ondersteund worden door de foto’s in het dossier en de waarnemingen van verbalisanten.
Het hof stelt het volgende voorop.
Volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342, tweede lid, Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (vgl. HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1459).
Het komt dus aan op de vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is. Voor die beoordeling zijn geen algemene regels te geven. In ieder geval is niet vereist dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedragingen (vgl. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717) en evenmin dat het rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit bevestigt (vgl. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717). Anders gezegd: daderschap van de verdachte kan nog steeds worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige, mits de door die ene getuige gereleveerde feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en steun vinden in ander bewijsmateriaal. Het steunbewijs hoeft dus niet zo specifiek te zijn dat het onderdelen van de tenlastelegging rechtstreeks bevestigt, het hoeft daarop geen directe betrekking te hebben. Dat zal doorgaans ook zeer moeilijk zijn, vooral in zedenzaken en zaken betreffende huiselijk geweld, omdat de enige persoon die uit eigen waarneming of ondervinding over die gedragingen kan verklaren nu juist die ene getuige, doorgaans de aangever, zal zijn.
Bij de toepassing van de regel van art. 342, tweede lid, Sv moeten twee beslissingen van elkaar worden onderscheiden, te weten enerzijds het oordeel dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat haar verklaring in ander bewijsmateriaal voldoende steun vindt. Dat zijn twee afzonderlijke beslissingen. Het feit dat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar wordt geacht kan niet op zichzelf als voldoende steunbewijs dienen. Een gebrek aan voldoende steunbewijs voor de verklaring van het slachtoffer kan dus niet worden gecompenseerd door een gemotiveerd oordeel dat die verklaring betrouwbaar is. Het steunbewijs zal voorts dienen te zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedragingen. Andersom kan het wel. De omstandigheid dat de verklaring van het slachtoffer in ander bewijsmateriaal steun vindt, kan bijdragen aan het oordeel dat die verklaring betrouwbaar is.
Tegen die achtergrond overweegt het hof als volgt.
Zaak A
Met de verdediging acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote op 19 maart 2024.
Aangeefster heeft verklaard dat zij op 19 maart 2024 thuis was met de verdachte en hun dochter. Zij heeft een discussie gehad met de verdachte. Aangeefster heeft verklaard dat zij op de bank zat en de verdachte naar haar toeliep en haar met kracht bij haar keel pakte en met zijn andere hand met kracht op haar borst duwde. Na een minuut heeft de verdachte haar losgelaten en is aangeefster naar boven gerend en heeft ze zichzelf opgesloten totdat de politie er was. De verbalisanten, die ter plaatse zijn gekomen, hebben geen bijzonderheden in de woning aangetroffen die duiden op een gevecht of een worsteling. De verdachte is op dat moment niet thuis. Verbalisanten hebben gezien dat de huid van de nek van aangeefster roodgekleurd en beschadigd was. Aangeefster heeft een plek op haar borst aangewezen waar ze door de verdachte geduwd zou zijn, maar hier zien de verbalisanten geen letsel. Verbalisanten hebben foto’s gemaakt van haar nek en borst, welke in het dossier zijn toegevoegd.
De verdachte heeft bij het verhoor bij de politie en ten overstaan van het hof steeds stellig ontkend dat hij aangeefster bij haar keel en borst heeft vastgepakt. Hij heeft verklaard dat ze een discussie hadden en dat aangeefster naar boven is gelopen. Hij is toen naar buiten gegaan om te roken. Aangeefster heeft later een verzoek ingediend bij de officier van justitie om de verdachte niet te vervolgen.
Het hof constateert dat zich ten aanzien van het onder A tenlastegelegde dus twee diametraal tegenover elkaar staande lezingen in het dossier bevinden, waarbij de aangeefster de verdachte ervan beschuldigt dat hij haar heeft mishandeld en de verdachte die beschuldiging weerspreekt. Het hof kan op grond van art. 338 Sv Pro alleen maar tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde komen indien hij uit het onderzoek ter terechtzitting uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte zich aan het tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt. Er moet dus eerst voldoende wettig bewijs zijn, waarbij in zijn algemeenheid heeft te gelden dat daarvoor minimaal twee wettige bewijsmiddelen vereist zijn uit onafhankelijke bron. Wat betreft de lat van het voldoende wettige bewijs heeft ten aanzien van verklaringen van getuigen voorts te gelden hetgeen hiervoor omtrent het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv. Eerst als de lat van het voldoende wettige bewijs is gehaald, komt de vraag aan de orde of het hof zich op grond van dat bewijs ook overtuigd acht van de schuld van de verdachte. Daarbij geldt dat de overtuiging uit het bewijs moet voortvloeien en niet iets anders.
Ten aanzien van het lichamelijk letsel heeft in zijn algemeenheid te gelden dat dit het benodigde steunbewijs in de zin van art. 342, tweede lid, Sv kan opleveren. Als dat het enige bewijsmateriaal betreft dat in aanmerking komt om te dienen als steunbewijs voor de verklaring van aangeefster en dus als doorslaggevend voor de uitkomst van de zaak kan worden geacht, dan vergt dat, mede tegen de achtergrond van de doelstelling van art. 342, tweede lid, Sv, naar het oordeel van het hof een behoedzame benadering, te meer als dat letsel bijvoorbeeld niet nauwkeurig kan worden geduid en weinig redengevende en ondersteunende kracht heeft voor de gedragingen van de verdachte waarover de getuige heeft verklaard. Die situatie doet zich hier voor.
In de nek van aangeefster neemt het hof in de eerste plaats niet het letsel waar zoals beschreven door de verbalisanten. Het hof ziet op de borst van aangeefster voorts ook geen aanwijzingen dat zij daarop met kracht is geduwd. In dat verband wijst het hof tevens op het gegeven dat het door aangeefster beschreven letsel ook niet overeenkomt met de waarnemingen van de ter plaatse gekomen verbalisanten. In zoverre is het hof van oordeel dat de verklaring van aangeefster dat zij één minuut lang met kracht door de verdachte bij haar nek is vastgepakt en op haar borst is geduwd, onvoldoende steun vindt in de letselbeschrijving van verbalisanten. Het hof constateert dat hetgeen het dossier inhoudt omtrent het vermeende letsel bij de aangeefster onvoldoende redengevende kracht heeft om te kunnen concluderen dat het boven redelijke twijfel is verheven dat de verdachte zich aan het tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt.
Gelet op al het voorgaande, heeft het hof niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het in zaak A onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Zaak B
Het hof acht – met de verdediging – niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster in de nacht van 13 op 14 september 2023 heeft mishandeld. Bij die beoordeling neemt het hof het volgende in aanmerking.
Aangeefster heeft verklaard dat zij in de nacht van 13 op 14 september 2023 boven in hun woning was en de verdachte schreeuwend naar boven kwam. Vervolgens zou de verdachte haar een klap heeft gegeven op haar rechteroog en meermalen met platte hand haar tegen het hoofd hebben geslagen. Later op de avond zou de verdachte haar hebben vastgepakt met beide handen om haar nek. Ze heeft verklaard dat hij haar heeft losgelaten, zij het huis is uitgerend en de politie heeft gebeld. Verbalisanten ter plaatse nemen een gezwollen bult bij haar rechteroog en een wondje op haar kaaklijn waar, waarvan zij foto’s in het dossier hebben gevoegd. Aangeefster heeft later haar aangifte ingetrokken.
De verdachte heeft deze verdenking ook steeds stellig ontkend. Hij heeft verklaard dat ze ruzie hadden en dat aangeefster toen naar buiten is gegaan om afstand van hem te nemen.
Het hof neemt op de foto’s in het dossier geen bult bij het oog van aangeefster waar. Het wondje op de kaak van aangeefster lijkt bovendien ouder te zijn en past niet bij de verklaring van aangeefster over waar zij door de verdachte zou zijn vastgepakt en is geslagen. In het licht hiervan kan het hof onvoldoende buiten gerede twijfel vaststellen dat aangeefster letsel heeft opgelopen door de tenlastegelegde gedragingen van de verdachte, zoals aangeefster heeft verklaard. Het hof heeft hier getoetst aan dezelfde maatstaven die hiervoor ten aanzien van zaak A uiteen zijn gezet.
Het hof heeft daarom uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zaak A:
2.
hij op 19 maart 2024 te Oostburg, gemeente Sluis, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55e lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten [verbalisant] , brigadier bij de Eenheid Zeeland-West-Brabant, belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek uitgeademde lucht, hieraan geen gevolg te geven.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als volgt:
opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Door de raadsvrouw is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, maar te volstaan met een taakstraf. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw het hof om geen bijzondere voorwaarden op te leggen, nu de verdachte al genoeg hulpverlening krijgt en er geen recent advies door de reclassering is uitgebracht omtrent de bijzondere voorwaarden.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij op 19 maart 2024 niet heeft voldaan aan een ambtelijk bevel, gegeven door een politieagent. Ambtenaren moeten – in het belang van de openbare orde en veiligheid – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met dergelijk hinderlijk gedrag. Dit gedrag van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door ambtenaren wordt gediend.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk delict. Deze eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de e-mail van Emergis (verslavingsreclassering GGZ) d.d. 11 juli 2024 omtrent de persoon van de verdachte. Daarin heeft de reclassering beschreven dat de verdachte zich houdt aan de meldplichtafspraken bij de reclassering. De verdachte ontkent een alcoholprobleem te hebben en test steeds negatief bij de urinecontroles. Gelet op de houding van de verdachte, betwijfelt de reclassering of er vanuit een justitieel kader toegewerkt kan worden naar gedragsverandering.
Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte heeft in dit verband naar voren gebracht dat hij niet meer samen is met zijn partner, zijn dochter bij haar thuis woont, zijn dochter onder toezicht gesteld is en hij wekelijks contact met zijn dochter heeft. De verdachte heeft medische problemen en ontvangt een bijstandsuitkering. Hij krijgt hulp van een psycholoog en de gemeente om zijn mentale en financiële problemen op te lossen. Hij is in staat om een taakstraf te verrichten als er rekening gehouden wordt met zijn beperkingen.
De ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte eerder ter zake van een soortgelijk delict is veroordeeld, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof oplegging van een taakstraf. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om een gedeelte van de taakstraf voorwaardelijk op te leggen, temeer nu het hof van oordeel is dat het opleggen van bijzondere voorwaarden geen toegevoegde waarde meer heeft. Daartoe overweegt het hof dat de verdachte voldoende hulpverlening krijgt en er geen recent advies is uitgebracht door de reclassering over de bijzondere voorwaarden.
Alles afwegende acht het hof de oplegging aan de verdachte van een taakstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt de vonnissen waarvan beroep (parketnummers 02-095879-24
en 02-233924-23) en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-095879-24 onder 1 en in de zaak met parketnummer 02-233924-23 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-095879-24 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het in de zaak met parketnummer 02-095879-24 onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Meer, griffier,
en op 30 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.