ECLI:NL:GHSHE:2026:1742

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
20-003319-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.2 Wet milieubeheerArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 23 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor verbranden afvalstoffen buiten inrichting

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk overtreden van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer door afvalstoffen buiten een inrichting te verbranden. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis waarvan beroep en stelde een aangepaste bewezenverklaring vast, waarbij alleen het verbranden van plastic, papier en metalen kabeltjes op 12 mei 2023 te Deurne werd bewezen verklaard.

De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende overtuigend was, onder meer vanwege het ontbreken van duidelijke foto’s en de twijfel over de waarnemingen van de verbalisanten. Het hof oordeelde echter dat het proces-verbaal rechtsgeldig was opgesteld en dat de waarnemingen betrouwbaar waren, mede gelet op de sterke brandlucht die duidde op kunststofverbranding.

Het hof hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar financiële situatie, ADHD en stress, en legde een geheel voorwaardelijke geldboete van €300 op met een proeftijd van 2 jaar, subsidiair 3 dagen hechtenis. Het hof verwierp het verzoek tot toepassing van het rechterlijk pardon en vond een onvoorwaardelijke geldboete niet passend.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van €300 met een proeftijd van 2 jaar wegens het verbranden van afvalstoffen buiten een inrichting.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003319-24
Uitspraak : 26 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 13 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 96-315596-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van
€ 420,00, subsidiair 8 dagen hechtenis.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00 met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de afdoening heeft de verdediging primair verzocht dat het hof toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair dat het hof zal volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.
Tenlastelegging
Het hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen (cursief weergegeven) in die zin dat de tenlastelegging komt te luiden dat:
zij op of omstreeks 12 mei 2023 te Deurne op of in de omgeving van [straatnaam] zich van
afvalstoffen, te wetenhout en/of plastic en/of papier en/of zilverfolie en/of metalen kabeltjes, althans een of meer afvalstoffen, heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 12 mei 2023 te Deurne op of in de omgeving van [straatnaam] zich van afvalstoffen, te weten plastic en papier en metalen kabeltjes heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat het proces-verbaal milieu d.d. 8 juni 2023 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is opgemaakt en ondertekend, maar dat uit de inhoud van het proces-verbaal volgt dat er niets door verbalisant [verbalisant 2] wordt geconstateerd en er enkel waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zijn weergegeven. Derhalve is er sprake van waarnemingen van één verbalisant en kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat er is verbrand, nu het mogelijk is dat de verbalisant zich heeft vergist en er afvalstoffen zijn waargenomen van een eerder stookmoment. In het dossier zijn bovendien geen duidelijke foto’s aanwezig, dan wel een duidelijke omschrijving van hetgeen is waargenomen in de oven/barbecue, aldus de verdediging.
Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.
Voorafgaand aan de inhoud van het proces-verbaal milieu d.d. 8 juni 2023 is opgenomen ‘Wij verbalisanten, [verbalisant 1] , hoofdagent, Basisteam Peelland, Politie Brabant Zuid-Oost, [verbalisant 2] , hoofdagent, Basisteam Peelland, Politie Brabant Zuid-Oost, verklaren het volgende’ en het proces-verbaal is vervolgens op 8 juni 2023 op ambtsbelofte opgemaakt, gesloten en ondertekend door beide verbalisanten. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat verbalisant [verbalisant 2] zich – zoals het pleidooi van de verdediging ten aanzien van (de vorm van) het proces-verbaal zou impliceren – heeft gedistantieerd van hetgeen in het proces-verbaal is gerelateerd. Hoewel in het proces-verbaal schijnbaar enkel waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zijn weergegeven en deze bovendien in de eerste persoon enkelvoud zijn geschreven, begrijpt het hof het proces-verbaal zo dat deze waarnemingen overeenstemmen met die van de medeondertekenaar van dit proces-verbaal. Evenmin in het gegeven dat in het dossier geen gedetailleerde foto’s dan wel een meer gedetailleerde omschrijving aanwezig is van hetgeen is waargenomen, ziet het hof een reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de waarnemingen waarover door beide verbalisanten op ambtsbelofte in hun proces-verbaal is gerelateerd en gaat het hof dan ook uit van de juistheid van hetgeen hierin is gerelateerd.
Hoewel de in het dossier aanwezige foto’s wellicht niet heel scherp zijn, geven deze foto’s geen steun aan de verklaring van de verdachte dat er geen afvalstoffen zijn verbrand, nu op deze foto’s wel een (deel van een) voorwerp is te zien dat geen hout betreft. Het verweer dat dit mogelijk een afvalstof betreft van een eerder stookmoment behoeft geen verdere bespreking, nu het hof hiervoor heeft overwogen uit te gaan van de juistheid en de betrouwbaarheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal en hieruit blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] en, naar het hof begrijpt, ook verbalisant [verbalisant 2] een sterke brandlucht roken waaruit duidelijk kon worden opgemaakt dat deze afkomstig was van kunststofverbranding.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen.
Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit, zijnde een overtreding, is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het zich ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting te verbranden. Hiermee heeft zij een voorschrift van de Wet Milieubeheer overtreden. Het belang van dat voorschrift is de bescherming van bodem en milieu. Door haar handelen heeft de verdachte dit belang veronachtzaamd.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het e-mailbericht van [hulpverlener] , ambulant hulpverlener bij [bedrijf] , d.d. 11 juni 2026. Hieruit volgt dat zij intensief is betrokken bij de verdachte en de verdachte op diverse leefgebieden hulp nodig heeft. Hulpverlening komt twee keer per week op huisbezoek om alle zaken die spelen op te pakken en daarnaast is er veelvuldig telefonisch contact. De verdachte ervaart veel stress. Financieel heeft zij het zwaar en extra kosten zouden zwaar op haar budget drukken. Er is weinig financiële draagkracht. De verdachte heeft te kampen met ADHD en is voortdurend overbelast, aldus de ambulant begeleider. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een uitkering ontvangt en een weekbudget heeft van € 83,00, waarvan zij moeilijk kan rondkomen.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, onder andere dat het een milieudelict betreft en de mogelijke overlast die omwonenden hebben ondervonden van het bewezenverklaarde, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met toepassing van het rechterlijk pardon, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verzocht door de verdediging.
Alles afwegende acht het hof, in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete niet wenselijk. Het hof is van oordeel dat de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 300,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, passend en geboden. Anders dan de verdediging ziet het hof aanleiding om hieraan een proeftijd van 2 jaren te verbinden.
Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 22 mei 2023 onder CJIB nummer [nummer] .
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
3 (drie) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. W.F. Koolen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,
en op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.