ECLI:NL:GHSHE:2026:1754

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
20-001527-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling levensgezel en ambulancemedewerker met gedeeltelijke vrijspraak

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en mishandeling, maar ging in hoger beroep tegen deze veroordeling. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit van poging tot zware mishandeling, omdat onvoldoende bewijs bestond voor opzet op zwaar lichamelijk letsel.

Wel achtte het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zijn levensgezel mishandelde door haar te knijpen, duwen, slaan, haren trekken, wurgen en schoppen, en daarnaast een ambulancemedewerker mishandelde door aan diens baard te trekken en hem te slaan. De verdediging voerde een beroep op noodweer en noodweerexces aan, maar dit werd verworpen omdat de ambulancemedewerker handelde binnen zijn hulpverlenende taak en er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

De feiten vonden plaats op 12 oktober 2024 op een camping te Blitterswijck, waar de verdachte onder invloed van alcohol was en zijn partner mishandelde. De ambulancemedewerker kwam ter plaatse om de verdachte te helpen, maar werd door hem mishandeld. Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de reclassering, en legde een gevangenisstraf op van 8 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

Het hof oordeelde dat een taakstraf onvoldoende passend was gezien de ernst van het geweld, vooral omdat het geweld gericht was tegen hulpverleners en de eigen partner. De straf is lager dan door het Openbaar Ministerie gevorderd vanwege persoonlijke omstandigheden en het voorkomen van recidive. Het arrest werd op 26 juni 2026 uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 weken gevangenisstraf waarvan 6 weken voorwaardelijk voor mishandeling van zijn levensgezel en een ambulancemedewerker.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001527-25
Uitspraak : 26 juni 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer
03-324688-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘poging tot zware mishandeling’ (feit 1 primair) en ’mishandeling’ (feit 2) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, haar:
- heeft geknepen in het lichaam en/of vervolgens;
- heeft geduwd en/of vervolgens;
- meermalen heeft geslagen in haar gezicht en/of vervolgens;
- aan haar haren heeft getrokken en/of vervolgens;
- hardhandig bij haar keel heeft vastgepakt en/of haar keel heeft dicht geknepen en/of vervolgens;
- meermalen heeft geschopt terwijl zij op de grond lag,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar te knijpen en/of te duwen en/of meermalen te slaan en/of aan haar haren te trekken en/of hardhandig bij haar keel vast te pakken en/of vervolgens haar keel dicht te knijpen en/of haar meermalen te schoppen;
2.
hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem hardhandig aan zijn baard te trekken en/of haren uit zijn baard te trekken en/of te slaan.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof genoegzaam vaststellen dat de verdachte forse geweldshandelingen heeft verricht tegen slachtoffer [slachtoffer 1] . Zoals hierna zal worden overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte het slachtoffer heeft geknepen, geduwd, geslagen, geschopt, aan haar haren heeft getrokken, bij haar keel heeft vastgepakt en haar keel heeft dichtgeknepen. Het hof is evenwel, met de verdediging, van oordeel dat daarmee nog niet is komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen kan het hof onvoldoende vaststellen of het handelen van de verdachte in de gegeven omstandigheden van dien aard was dat de kans aanmerkelijk was dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen zoals is bedoeld in artikel 302 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal de verdachte daarom van het onder feit 1 primair tenlastegelegde vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1. subsidiair
hij op 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar te knijpen en te duwen en meermalen te slaan en aan haar haren te trekken en hardhandig bij haar keel vast te pakken en vervolgens haar keel dicht te knijpen en haar meermalen te schoppen;
2.
hij op 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem hardhandig aan zijn baard te trekken en haren uit zijn baard te trekken en te slaan.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
In de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Limburg met zaakregistratienummer PL2300-2024167001, gesloten d.d. 26 februari 2025 door verbalisant [verbalisant] , digitaal doorgenummerde pagina's 1 tot en met 136, nader te noemen: het dossier.
Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 oktober 2024 (pg. 26-28 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]:
Plaats delict: [adres 2] , binnen de gemeente Venray.
[verdachte] en ik hebben sinds begin 2024 een relatie met elkaar. Op 12 oktober 2024, omstreeks 15.00 uur, waren wij op de camping op voorgenoemde locatie. Er werd vanuit de camping voor chalethouders en seizoenbewoners een afsluitend feest georganiseerd. Het feest eindigde rond 21.00 uur. Rond dit tijdstip zijn wij, [verdachte] en ik, ook naar ons chalet gelopen. Ik weet dat [verdachte] minimaal deze middag 20 glazen bier op had van 0.25 liter. Op een gegeven moment viel hij op het asfalt. Ik zag dat hij toen bleef liggen. Ik zag dat hij een hoofdwond had. De beheerder heeft hierop de ambulance met spoed gebeld aangezien hij stil op de grond bleef liggen. Ik merkte dat hij opstandig werd toen hij weer bij bewustzijn kwam.
Wij kwamen aan bij het chalet waar wij sliepen. Hij deed de lamellen naar beneden toen hij bij het raam stond. Ik zei tegen hem dat hij dat niet moest doen want de hulpdiensten zouden komen om naar zijn hoofdwond te kijken. Hierop werd hij boos en greep mij met zijn hand tegen mijn rechterborst. Hier kneep hij hard en duwde mij weg.
Ik draaide mij om en ik zag dat [verdachte] met zijn hand mij een klap in het gezicht gaf. Door deze klap viel ik op de grond. Ik probeerde op te staan maar [verdachte] trok aan mijn haren. [verdachte] trok aan mijn haren zodat ik weer op de grond zou belanden. Dit was hem ook gelukt. Hij trok mij toen in de richting van de badkamer. Ik lag op de grond in de badkamer. Ik merkte dat hij mij begon te wurgen. Hij greep mijn keel dicht en ik merkte dat hij hier veel kracht bij zette. Hij kneep mijn strottenhoofd dicht. Toen ik op de grond lag, schopte [verdachte] mij ook zeker twee keer met zijn voet.
2.
Een geschrift, te weten een letselrapportage forensische geneeskunde van GGD Limburg d.d. 14 oktober 2024 (pg. 70-80 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van forensisch arts [naam arts]:
Naam: [slachtoffer 1]
Datum letselonderzoek: 14-10-2024
Datum incident: 12-10-2024

Letsel(s)Lichaamsdeel: hoofdBeschrijving: aangezicht: linkerwang tot de mond: meerdere (ongeveer 7) oppervlakkige schrammen in lengte variërend van circa 5 mm tot ca 20mm lengte en

ca 2-3mm breed die ongeveer richting linker mondhelft wijzen vanuit verschillende richtingen
Gemelde toedracht bij het letsel: slagen in het gezicht , poging(en) tot verwurging, aan de haren over de grond gesleept worden
Past gemelde toedracht bij letsel: goed
Lichaamsdeel: hoofd
Beschrijving: aangezicht: kneuzing boven de rechter wenkbrauw lopend tot in de wenkbrauw; kneuzing met wondje onderlip rechts
Gemelde toedracht bij het letsel: slagen in het gezicht, stompen, schoppen, over de grond slepen aan de hoofdharen
Past gemelde toedracht bij letsel: goed
Lichaamsdeel: hals
Beschrijving: roodverkleuring van de hals voorzijde, rond en op het strottenhoofd
Gemelde toedracht bij het letsel: poging(en) tot verwurging
Past gemelde toedracht bij letsel: goed
Lichaamsdeel: hoofd
Beschrijving: vlekkige roodheid hoofdhuid boven achter, niet meer actief bloedende
verwonding behaarde hoofdhuid
Gemelde toedracht bij het letsel: aan de haren over de grond gesleept, slagen op de behaarde hoofdhuid
Past gemelde toedracht bij letsel: goed
Lichaamsdeel: rechterarm
Beschrijving: meerdere kleinere diffuse bloeduitstortingen van wisselende grootte
en lengte, van duimgroot tot vingerlang, met name bovenarm en schouder
Gemelde toedracht bij het letsel: vastgrijpen, knijpen, slagen, stompen
Past gemelde toedracht bij letsel: goed
Lichaamsdeel: rug
Beschrijving: midden op de rug ongeveer ter hoogte van de eerste lendenwervel
bevindt een diffuse ovaalvormige bloeduitstorting van ca 5cm lang en ca 3 cm breed diagonaal ongeveer van rechtsboven naar linksonder lopend
Gemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen en schoppen
Past gemelde toedracht bij letsel: goed
Lichaamsdeel: heup
Beschrijving: forse bloeduitstortingen op beide heupen ter hoogte het bovenste
botuitsteeksel van de bovenbenen (trochanter major femur) alsook enkele diffusere bloeduitstortingen
Gemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen, schoppen, tegen de grond gooien, over de grond slepen aan de haren
Past gemelde toedracht bij letsel: goed
Lichaamsdeel: rechterbeen
Beschrijving: rechterkuit onder de knie een diffuse bloeduitstorting in een
zogenaamde takkenbos-ader (besenreiser)
Gemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen, schoppen, tegen de grond gooien
Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk
Lichaamsdeel: borst
Beschrijving: bloeduitstortingen c.q. kneuzingen van de rechterborst met enkele
ongeveer vingertop grote hematomen in het linker (mediane) bovenkwadrant van de borst en een groter diffuus van vrijwel het gehele linker (mediane) onderkwadrant overgaand naar het rechter (laterale) onderkwadrant
Gemelde toedracht bij het letsel: zeer hard met hand gegrepen en geknepen in met name de rechterborst, slagen en stompen
Past gemelde toedracht bij letsel: goed
3.
Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 30 oktober 2024 (pg. 93-98 van het dossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van slachtoffer [slachtoffer 2]:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord slachtoffer
V: Kan je mij vertellen wat er precies heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2024?
A: Om 21.15 uur ongeveer kregen mijn collega en ik een melding, we werden verzocht om naar een man te gaan die kortstondig zijn bewustzijn verloren had nadat hij gevallen
was op zijn hoofd, mogelijk vanwege dronkenschap. Wij reden naar de camping waar dit voorval zou hebben plaatsgevonden (
het hof begrijpt: de camping [camping] , gelegen op [adres 2] , binnen de gemeente Venray). We werden door een medewerkster van de camping naar het chalet gebracht. Ik zag dat de man om wie het ging in de slaapkamer stond. Ik pakte de man bij zijn elleboog en wilde hem begeleiden naar de ambulance. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet mee wilde en voelde dat hij zich afweerde. Terwijl de man nog op bed zat, zag ik dat mijn collega in de ruimte naast de slaapkamer was. Ik zag dat mijn collega mij aankeek en ik hoorde dat zij zei dat ze een tweede ambulance en politie ter plaatse wilde hebben. Ik hoorde dat mijn collega iets in de trant van: 'huiselijk geweld of mishandeling' zei. Ergens tussendoor hoorde ik van een persoon in de chalet dat de man die wij wilden onderzoeken ' [verdachte] ' (
het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte [verdachte]) heette. Toen ik mijn portofoon pakte en bij de meldkamer een tweede ambulance en een politie-eenheid ter plaatse vroeg, vroeg de meldkamer waarom. Ik gaf via de portofoon antwoord en denk, dat weet ik niet meer zeker, dat ik zei dat er mogelijk sprake was van mishandeling. Nadat ik het woord mishandeling uitsprak, voelde ik, voordat ik het wist, dat ik bij mijn baard werd gegrepen. [verdachte] trok zich aan mijn baard omhoog. Terwijl [verdachte] mijn baard vasthad zag ik dat [verdachte] met zijn andere arm uithaalde in de richting van mijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] mij met een gebalde vuist sloeg. Ik voelde een hele harde klap tegen mijn linker kaak. Ik wilde [verdachte] terug naar de grond duwen en hem op de grond houden, maar op dat moment voelde ik dat [verdachte] mijn portofoon uit mijn rechterhand sloeg. Ik voelde dat [verdachte] heel hard tegen mijn rechterhand sloeg en voelde een enorme pijnscheut door mijn hand.
V: Wat voor fysiek letsel hield jij over aan de mishandeling?
A: Allereerst trok de man mijn baard er grotendeels af.
4.
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 oktober 2024 (pg. 104-106 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige]:
Op 12 oktober 2024 was ik werkzaam als ambulanceverpleegkundige. Ik zat
deze dienst samen met [slachtoffer 2] (
het hof begrijpt hierna telkens: aangever [slachtoffer 2]) op de ambulance. Wij ontvingen een melding dat er een man op zijn achterhoofd was gevallen. De melding betrof op camping [camping] , gelegen op [adres 2] . (…) Wij stonden voor het huisje waar de man binnen zou zijn. Ik hoorde dat deze man [verdachte] (
het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte [verdachte]) heette. (…) Ik zag dat de vriendin van [verdachte] overal bloed had zitten, op haar vest, handen en gezicht. Ik liep met de vriendin van [verdachte] naar de woonkamer om haar verwondingen beter te kunnen beoordelen. [verdachte] en [slachtoffer 2] waren op dat moment op de slaapkamer. (…) Hierna rende ik naar de slaapkamer waar [verdachte] op zijn rug lag in de slaapkamer. Ik zag dat er een grote pluk baardhaar van [slachtoffer 2] op de borst van [verdachte] lag. Ik zag dat de portofoon van [slachtoffer 2] op de grond lag.
5.
Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 1 november 2024
(pg. 101-103 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van [naam huisarts] (huisartsenpraktijk Maasoever):
Medische informatie betreffende:
[slachtoffer 2] .
Uitwendig waargenomen letsel:
Baard gehalveerd
Drukpijn jukbeen
Datum waarop werd onderzocht: 13 oktober 2024 en 1 november 2024.
Overige van belang zijnde informatie:
- Pijn re hand.
6.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 oktober 2024 (pg. 114-119 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte]:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: Met wie heb je een relatie op dit moment?
A: Met [slachtoffer 1] (
het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer 1]).
V: [verdachte] , gisteravond (
het hof begrijpt: 12 oktober 2024) ben jij door de collega's aangehouden op verdenking van twee mishandelingen.
V: Klopt het dat je haar hebt geslagen?
A: Ja, geslagen.
V: Volgens de verklaring van de ambulancebroeder (
het hof begrijpt: aangever [slachtoffer 2] )heb jij hem, terwijl hij jou wilde helpen, bij zijn baard gepakt en hier met kracht aan getrokken. Zo hard dat jij zelfs een stuk van zijn baard af hebt getrokken. Tevens heb je de ambulancebroeder met een vuist in het gezicht geslagen. Vertel eens waarom jij dit deed?
A: Omdat ik niet mee wilde.
7.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, d.d. 2 juni 2025, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte]:
Het klopt dat ik [slachtoffer 1] geslagen heb. En het klopt dat ik [slachtoffer 2]
aan de baard heb getrokken en daarbij enkele haren uit de baard heb getrokken.
Bewijsoverwegingen
I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
III. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde bepleit omdat de verdachte gehandeld zou hebben uit noodweer. Daartoe is in de kern aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. De ambulancemedewerker, aangever [slachtoffer 2] , wilde immers herhaaldelijk medische zorg aan de verdachte verlenen, terwijl de verdachte dat niet wilde. Verdediging daartegen was gerechtvaardigd en er is daarbij voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de grenzen van de proportionaliteit zijn overschreden, doet de verdediging subsidiair een beroep op noodweerexces.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer dient in de eerste plaats sprake te zijn van een noodweersituatie, te weten een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.
Het hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Op 12 oktober 2024 hadden de verdachte en zijn partner [slachtoffer 1] een feest op de camping. De verdachte had een grote hoeveelheid alcohol genuttigd. Op de weg terug naar hun chalet is de verdachte gevallen, waarna hij op de grond bleef liggen en een hoofdwond had. Daarom is de ambulance voor de verdachte gebeld. De verdachte is vervolgens met zijn partner teruggegaan naar hun chalet. Aldaar heeft hij zijn partner mishandeld. De ambulancemedewerkers, waaronder aangever [slachtoffer 2] , kwamen vervolgens ter plaatse. Aangever trachtte de verwondingen van de verdachte te controleren en wilde hem begeleiden naar de ambulance. De verdachte wilde niet mee en weerde zich af. Aangever vernam vervolgens dat de partner van de verdachte mogelijk door de verdachte mishandeld zou zijn. Mede daardoor besloot aangever extra hulpdiensten op te roepen. Op dat moment pakte de verdachte de baard van aangever vast en sloeg hem in het gezicht. Ook heeft hij een pluk baardhaar uit de baard van aangever getrokken en zijn portofoon uit zijn hand geslagen.
Naar het oordeel van het hof kunnen voornoemde gedragingen van aangever niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte zijn lijf, eerbaarheid of goed. Het is de plicht van aangever, als ambulancemedewerker, om hulpbehoevenden te helpen. Aangever had een melding gekregen van een man, later zijnde de verdachte, met een flinke hoofdwond die kortstondig zijn bewustzijn had verloren. Uit het dossier volgt dat de verdachte een aanmerkelijke verwonding aan zijn hoofd had (en geen schaafwondje, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard). Zijn partner [slachtoffer 1] en overige getuigen hebben immers verklaard dat de verdachte een behoorlijke hoofdwond had, buiten bewustzijn was en dat er bloed rondom het hoofd van de verdachte lag. De verdachte was aldus hulpbehoevend, hetgeen de gedragingen van aangever, verricht om de verwonding van de verdachte te controleren, rechtvaardigt. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat in het substantief ‘aanranding’ besloten ligt dat tegen de wil van de getroffene wordt gehandeld. Naar het oordeel van het hof heeft aangever niet tegen de wil van de verdachte gehandeld, nu de verdachte op dat moment redelijkerwijs niet in staat mocht worden geacht om zijn wil adequaat te uiten. Uit het dossier, waaronder het rapport van Maasstad Ziekenhuis, en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte een grote hoeveelheid alcohol genuttigd had. Hij was onvast ter been, zwalkte, is ten val gekomen en was verbaal en fysiek agressief. De ambulancemedewerkers troffen hem aan in zijn onderbroek en T-shirt en zagen dat hij moeite had om op zijn eigen benen te staan. Het hof is daardoor van oordeel dat de verdachte niet in staat was de ernst van zijn verwonding in te schatten, hetgeen te meer rechtvaardigt dat aangever, als ambulancemedewerker, de verwonding van de verdachte diende te controleren. Al het voorgaande in acht nemend, is het hof van oordeel dat de gedragingen van aangever niet aan te merken waren als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte zijn lijf, eerbaarheid of goed. Hetgeen door de verdediging voor het overige is aangevoerd met betrekking tot artikel 11 van Pro de Grondwet, nog daargelaten het zogenoemde toetsingsverbod, alsmede de artikelen 7:448 en verder van het Burgerlijk Wetboek, maakt het oordeel van het hof in het licht van het hiervoor overwogene niet anders.
Concluderend is het hof van oordeel dat er geen sprake was van, kortweg, een noodweersituatie, waardoor de verdachte reeds daarom geen succesvol beroep op noodweer en, in het verlengde hiervan, ook geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt.
Het hof verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om aan de verdachte een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een geldboete.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 12 oktober 2024 schuldig heeft gemaakt aan twee mishandelingen. De verdachte was samen met zijn partner [slachtoffer 1] op een feest. Op de terugweg is hij gevallen waardoor hij kortstondig buiten bewustzijn raakte en een forse hoofdwond opliep. Zijn partner probeerde hem te helpen, maar bij terugkomst in hun chalet heeft de verdachte haar mishandeld. Hoewel het hof niet tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is gekomen, betreft het wel een mishandeling van zeer ernstige aard die zich nabij de grens van zware mishandeling bevindt. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte een pluraliteit aan geweldshandelingen heeft verricht, waarbij slachtoffer [slachtoffer 1] ook een veelheid aan letsels heeft opgelopen. Met het plegen van deze mishandeling heeft de verdachte op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn eigen partner, die nota bene doende was met de behartiging van het welzijn van de verdachte op het moment dat hij aanleiding zag om jegens haar geweld uit te oefenen. Voorts heeft zijn handelen bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht, terwijl juist in een relatie en in de huiselijke sfeer eenieder zich veilig behoort te voelen.
Na de mishandeling van zijn partner [slachtoffer 1] , is de verdachte naar zijn slaapkamer gegaan alwaar ambulancemedewerker [slachtoffer 2] ter plaatse kwam om de hoofdwond van de verdachte te controleren. Hoewel [slachtoffer 2] daar aanwezig was om de verdachte te helpen, heeft de verdachte [slachtoffer 2] mishandeld door hem te slaan en aan zijn baard te trekken. Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte niet alleen pijn en letsel veroorzaakt bij [slachtoffer 2] , maar heeft hij zich ook schuldig gemaakt aan volstrekt onacceptabel geweld tegen hulpverleners. Het hof rekent het de verdachte met name aan dat zijn agressieve gedragingen gericht waren jegens de mensen die het beste met hem voor hadden, te weten zijn partner en de ambulancemedewerker. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin bij de strafoplegging mee.
De verdachte heeft voorts geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn wandaden. Ook dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 mei 2026.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte veel van onderhavig incident heeft geleerd. Hij is minder gaan drinken en heeft zijn leven weer op orde. Hij en zijn partner [slachtoffer 1] hebben het incident achter zich gelaten en zijn weer samen. Voorts heeft hij een eigen installatiebedrijf met zijn zoon. Een gevangenisstraf zou een negatief effect hebben op het bedrijf van de verdachte, aldus de verdediging.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 14 mei 2025. In voornoemd rapport heeft de reclassering te kennen gegeven dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat er geen sprake is van een delictpatroon en er ook geen aanwijzingen zijn voor geweld binnen de relatie.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van de bewezenverklaarde geweldsfeiten, bijeengenomen, in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het op deze delicten gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te melden duur met zich brengt. Voor oplegging van een taakstraf, zoals de politierechter heeft gedaan en is verzocht door de verdediging, ziet het hof in het licht van de ernst van de bewezenverklaarde feiten geen ruimte.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Het hof komt daarmee tot oplegging van een lichtere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Hoewel het hof van oordeel is dat de ernst van de feiten de door de
advocaat-generaal gevorderde straf op zich rechtvaardigen, houdt het hof ten voordele van de verdachte in meerdere mate dan de advocaat-generaal rekening met zijn persoonlijke omstandigheden en de gevolgen van een langdurige gevangenisstraf voor zijn bedrijf. Bovendien is het hof van oordeel dat met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht en de strafoplegging dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) weken;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,
en op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.